ECLI:NL:RBROT:2026:6585

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/2905
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing overname private schuld in kader hersteloperatie toeslagen wegens niet tijdige opeisbaarheid

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van een schuld aan de Federale Overheidsdienst Financiën (FOD Financiën) in België op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag werd door Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst afgewezen omdat de schuld niet binnen de referteperiode van 1 januari 2006 tot 31 mei 2021 opeisbaar was geworden.

Eiseres voerde aan dat de schuld wel binnen deze periode opeisbaar was, onderbouwd met screenshots van een schuldoverdrachtslijst met data uit 2019 en 2020. De minister baseerde zich op een verklaring van FOD Financiën dat de schuld pas in 2022 opeisbaar werd en slechts € 246,59 bedroeg, terwijl de stukken van eiseres een hoger bedrag toonden.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht concludeerde dat de schuld niet binnen de referteperiode opeisbaar was geworden. De door eiseres overgelegde stukken betroffen vermoedelijk de ontstaanstijd van de schuld en niet de opeisbaarheid. Ook het beroep op de hardheidsclausule en het vertrouwensbeginsel faalden, omdat geen bijzondere omstandigheden of concrete toezeggingen waren aangetoond.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de overname van haar schuld wordt ongegrond verklaard omdat de schuld niet binnen de referteperiode opeisbaar was geworden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2905

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A. van Gemeren),
en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Eiseres heeft een aanvraag gedaan tot overname van een schuld op grond van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Met het besluit van
15 november 2024 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN), namens de Belastingdienst/Toeslagen, de aanvraag van eiseres afgewezen.
1.1.
Met het besluit van 18 maart 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nog aanvullende stukken ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister, vergezeld door [persoon A]
.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Een onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen of de ouder daarvoor kan compenseren. De regeling hiervoor is opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wht.
2.1.
Eiseres heeft aan SBN een schuldenlijst verstrekt met daarop vermeld een schuld van € 25.000,- aan de Federale Overheidsdienst Financiën (FOD Financiën) te België. Bij het primaire besluit heeft SBN geweigerd om deze schuld over te nemen. De schuld wordt niet overgenomen op grond van code 11. Deze code houdt in:
‘Deze schuld betalen we (nog) niet af. De schuldeiser heeft nog niet (volledig) gereageerd. Reageert de schuldeiser binnen drie maanden? Dan bekijken we de schuld opnieuw. U krijgt dan opnieuw een brief (beschikking).’
2.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. De afwijzingsgrond van het primaire besluit is daarbij gewijzigd van code 11 naar code 16. Code 16 houdt in:
‘Deze schuld betalen we niet af. Deze schuld is ontstaan of opeisbaar geworden voor 1 januari 2006 of na
31 mei 2021. U moet schulden van voor 1 januari 2006 en na 31 mei 2021 zelf betalen.’De minister heeft geweigerd de schuld over te nemen, omdat de schuldeiser heeft opgegeven dat de schuld pas in 2022 opeisbaar is geworden. De schuld voldoet daarmee niet aan de voorwaarde genoemd in artikel 4.1, tweede lid, onder b, van de Wht.
Beoordeling van het bestreden besluit
3. De rechtbank beoordeelt of de minister terecht de schuld van eiseres aan FOD Financiën niet heeft overgenomen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. [1] De geldschulden die worden overgenomen moeten zijn ontstaan na
31 december 2005, voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [2]
5. Eiseres voert aan dat de schuld aan de FOD Financiën wel voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Ter onderbouwing verwijst zij naar de aanvullende stukken die zij in het geding heeft gebracht, waaronder enkele screenshots van haar telefoon. Op die screenshots (gemaakt in 2022) is een ‘Lijst van overdrachten van schuldvordering/beslagen’ te zien, afkomstig van de website [website] . Daaruit volgt volgens eiseres dat zij een schuld had aan de Beobank, die later door FOD Financiën is overgenomen. In de stukken worden data genoemd uit 2019 en 2020, wat betekent dat de schuld al voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De minister had de schuld daarom wel moeten overnemen, volgens eiseres.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier volgt dat de minister navraag heeft gedaan bij FOD Financiën over de opeisbaarheid en de hoogte van de schuld van eiseres. FOD Financiën heeft daar onder meer op 26 februari 2025 op gereageerd en heeft verklaard dat de schuld van eiseres € 246,59 bedraagt, uit vijf delen bestaat en dat de totale schuld in 2022 opeisbaar is geworden. De minister is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de schuld aan FOD Financiën niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en dus niet voor overname in aanmerking komt. De aanvullende stukken die eiseres in geding heeft gebracht, maken die conclusie niet anders. Weliswaar volgt uit die stukken dat eiseres een schuld had aan de Beobank en worden in die stukken data uit 2019 en 2020 genoemd, maar de rechtbank kan uit de stukken niet opmaken dat het gaat om data van opeisbaarheid. De minister heeft terecht opgemerkt dat het eerder lijkt te gaan om data waarop de schulden zijn ontstaan, omdat als toelichting bij de data ‘Begindatum’ staat vermeld. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de screenshots die eiseres heeft overgelegd al enige jaren oud zijn (ze dateren uit 2022) en niet aansluiten bij het overzicht dat FOD Financiën heeft verstrekt. Volgens FOD Financiën komt de totale openstaande schuld van eiseres uit op een bedrag van € 246,59, terwijl de bedragen in de ‘Lijst van overdrachten van schuldvordering/beslagen’ in totaal een bedrag van bijna € 17.000,- belopen (waarbij de rechtbank bedragen die dubbel voorkomen en eenzelfde refertenummer hebben buiten beschouwing laat). Voor zover eiseres meent dat FOD Financiën een onjuist overzicht heeft van haar schulden, had zij zelf navraag over de nog openstaande schulden kunnen doen bij FOD Financiën. Dat eiseres liever niet bij FOD Financiën op de radar komt in verband met eventuele gerechtelijke gevolgen, zoals zij ter zitting heeft verklaard, komt voor haar eigen rekening en risico.
6. Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht. De rechtbank ziet echter geen grond voor toepassing van de hardheidsclausule. Eiseres heeft namelijk geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die de toepassing daarvan rechtvaardigen.
7. Eiseres doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel. Ook dat beroep slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. [3] Eiseres heeft niet onderbouwd dat een dergelijke toezegging is gedaan door of namens de minister. De stelling van eiseres dat zij het vertrouwen had dat haar problemen door de minister zouden worden opgelost, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.
8. Tot slot voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit door de minister begrijpelijk en deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.2 en volgende.