Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6583

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/5504
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2025Art. 13 Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2025Art. 1 Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2025Art. 8:72 AwbArt. 2 Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing parkeervergunning wegens onvoldoende onderbouwing college

Eiser, woonachtig in een wooncomplex te Rotterdam, vroeg op 6 april 2025 een parkeervergunning aan om zijn auto in de buurt van zijn woning te kunnen parkeren. Het college wees de aanvraag af omdat volgens hen een parkeervoorziening (Q-park garage) bij het wooncomplex hoorde, waardoor eiser niet aan de voorwaarden voldeed. Eiser ging in bezwaar, maar het college handhaafde het besluit.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de Q-park garage een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening is voor de woningen in het complex. Het overgelegde huisnummerbesluit toont slechts toewijzing van huisnummers aan ruimtes, maar niet dat de garage aan de woningen is gekoppeld. De enkele aanwezigheid van de garage in hetzelfde complex is onvoldoende.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en gelast het college binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het zorgvuldig moet beoordelen hoe de schaarse parkeerplaatsen worden verdeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het college moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen over de parkeervergunningaanvraag van eiser, omdat onvoldoende is aangetoond dat een parkeervoorziening bij zijn woning hoort.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5504

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Rotterdam, eiser

(gemachtigde: mr. B.J.W. Walraven),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

(gemachtigde: mr. Z. Abachi en mr. A. Zonneveld).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een parkeervergunning voor een bewoner. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat eiser niet aan de voorwaarden voor een parkeervergunning voldoet
.Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank beslist dat het college binnen zes weken een nieuw besluit op de aanvraag van eiser moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit van 6 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.
3.1.
Eiser woont aan de [adres 1] (de woning) in het complex ‘ [naam wooncomplex] . In verband met de invoering van betaald parkeren in de omgeving van zijn woning, parkeert eiser elders, waardoor hij eerst veertig minuten naar zijn auto moet fietsen. Eiser heeft op 6 april 2025 een parkeervergunning voor een bewoner aangevraagd om zijn auto op straat in de omgeving van zijn woning te kunnen parkeren.
3.2.
Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat volgens de gegevens van het college een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening onderdeel uitmaakt van de woning van eiser dan wel van het gebouwencomplex waarbinnen die woning is gevestigd. Daarom voldoet eiser volgens het college niet aan de voorwaarden voor een parkeervergunning. Het college verwijst hierbij naar artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2025 (het Uitvoeringsbesluit) in samenhang met artikel 13, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit. [1]
3.3.
Eiser is in bezwaar gegaan tegen de afwijzing. Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard en heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Het college stelt zich op het standpunt – zo begrijpt de rechtbank – dat de parkeergarage die zich bevindt in het complex waarin de woning van eiser is gevestigd, een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening voor de woning is. Dit betreft de Q-park garage Schiecentrale, [adres 2] . Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het college een huisnummerbesluit overgelegd dat is gekoppeld aan de bouwvergunning voor [naam wooncomplex] . Het college stelt dat uit dit huisnummerbesluit blijkt dat de adressen in [naam wooncomplex] (waaronder de woning van eiser) beschikken over een eigen parkeervoorziening.
5. Eiser voert onder meer aan dat zijn aanvraag onterecht is afgewezen op de grond dat er een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening is. Hij stelt daartoe dat het college geen omgevingsvergunning of enig ander document heeft overgelegd waaruit blijkt dat de aanwezige Q-park garage een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening voor zijn woning is. De omstandigheid dat er een parkeergarage in de buurt van de woning is, biedt gelet op het Uitvoeringsbesluit onvoldoende grond om de parkeervergunning te weigeren.
6. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit verleent het college op aanvraag een parkeervergunning aan een bewoner (in het Uitvoeringsbesluit aangemerkt als bewonersparkeervergunning) als de aanvrager woonachtig is op een adres in een gebouw of gebouwencomplex zonder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening. Uit artikel 1 van Pro het Uitvoeringsbesluit volgt dat onder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening wordt verstaan: een parkeervoorziening met eigen dan wel gezamenlijke toegang, behorend bij of toegewezen aan een gebouw of gebouwencomplex blijkens een omgevingsvergunning of enig ander document, bestemd voor het parkeren van motorvoertuigen van eigenaren of houders, die wonen of werken op het adres van het gebouw of gebouwencomplex waarbij deze voorziening behoort of waaraan deze voorziening is toegewezen, waarbij inbegrepen een individuele garagebox, carport, in,- of oprit of een ruimte of een perceel dat is bedoeld voor parkeren. Op grond van artikel 13, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit kan het college een vergunning weigeren als de aanvrager niet voldoet aan de aanvraagvereisten, die aan het verlenen van een vergunning zijn gesteld.
7. De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag niet heeft kunnen afwijzen op de grond dat eiser niet voldoet aan het aanvraagvereiste vermeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit. Uit artikel 1 van Pro het Uitvoeringsbesluit volgt dat het behoren bij of toegewezen zijn van een parkeervoorziening moet blijken uit een omgevingsvergunning of een ander document. Uit het overgelegde huisnummerbesluit blijkt niet dat de Q-park garage is gekoppeld aan de woningen in [naam wooncomplex] . In het huisnummerbesluit zijn plattegronden opgenomen van het complex met daarop de aanwezige ruimtes gemarkeerd met cijfers en/of letters. Ter specificering van de letters is opgenomen:
“P/B/#//T/L = parkeergarage/bergingen/bedrijfsruimte/trap/lift”.In de ruimte die wordt aangeduid met de letter P, is het getal [getal] vermeld. Uit het huisnummerbesluit volgt enkel welk huisnummer aan welke ruimte is toegekend en dat aan de in het complex aanwezige parkeergarage [huisnummer] is toegewezen. Uit het huisnummerbesluit volgt niet dat deze parkeergarage gekoppeld is aan de huisnummers van de woningen in [naam wooncomplex] . Het huisnummerbesluit onderbouwt dus niet dat de garage moet worden aangemerkt als bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening voor deze woningen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit. De enkele omstandigheid dat de Q-park garage in hetzelfde complex is gevestigd als de woning van eiser, is onvoldoende om deze (openbaar toegankelijke en commercieel geëxploiteerde) garage te kwalificeren als bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening. Het college heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat de Q-park garage als zodanig kan worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt.
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank komt niet toe aan het bespreken van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet zij geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
9.1.
Het college heeft tot op heden geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening. In reactie op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid is een dergelijk stuk ook niet overgelegd. Eiser is bij het stadsarchief van Rotterdam geweest en heeft verklaard daar alle documenten met betrekking tot de bouwvergunning van [naam wooncomplex] te hebben doorzocht en ook niets te hebben gevonden. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat in het kader van een bestuurlijke lus wel een document voorhanden zal zijn waaruit blijkt dat sprake is van een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening. Daar komt bij dat het college, indien het zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank, tegen een einduitspraak hoger beroep kan instellen, terwijl tegen een tussenuitspraak waarin een bestuurlijke lus wordt toegepast nog geen rechtsmiddel openstaat. Eiser is gebaat bij een zo spoedig mogelijk definitief rechterlijk oordeel, omdat hij nu moet betalen voor het parkeren op straat in de omgeving van zijn woning of zijn auto ver van huis moet parkeren. De rechtbank kan niet zelf op de aanvraag beslissen. Daargelaten dat de stukken onvoldoende informatie bevatten om te beoordelen of eiser aan de overige voorwaarden voor een bewonersparkeervergunning voldoet, heeft het college ter zitting toegelicht dat het toekennen van een parkeervergunning vergaande gevolgen heeft voor de parkeerdruk in de omgeving van [naam wooncomplex] omdat de toewijzing een precedent zal scheppen. De rechtbank volgt het college hierin en is van oordeel dat het college de gelegenheid moet krijgen om opnieuw op de aanvraag te beslissen en in dat kader zorgvuldig te beoordelen hoe de beschikbare (schaarse) parkeerplaatsen op straat moeten worden ingevuld.
9.2.
De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Uitvoeringsbesluit is gebaseerd op artikel 2, vierde lid, van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting 2025 van de Raad van de gemeente Rotterdam.