De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de schuldenaar om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een problematische schuldensituatie. De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar ontvankelijk was omdat het niet mogelijk was om binnen afzienbare termijn een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen, mede door het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.
De rechtbank stelde vast dat de schuldenaar aan de voorwaarden voor toelating tot de Wsnp voldeed, waaronder te goeder trouw zijn bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden en de verwachting dat hij aan de verplichtingen van de regeling zal voldoen. De rechtbank wees het verzoek af om de ingangsdatum van de Wsnp eerder te laten ingaan dan de datum van het vonnis, omdat onvoldoende bewijs was geleverd dat de schuldenaar aan de afdrachtverplichtingen had voldaan in de periode voorafgaand aan het vonnis.
Er werd een bewindvoerder en een rechter-commissaris benoemd die toezicht houden op de naleving van de verplichtingen van de schuldenaar tijdens de Wsnp. De regeling wordt vastgesteld op een duur van 18 maanden, ingaande op 17 april 2026. Indien de schuldenaar zich aan alle verplichtingen houdt, eindigt de regeling met een schone lei, waardoor schuldeisers hun vorderingen niet meer kunnen verhalen.