ECLI:NL:RBROT:2026:6509

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/10/709828 / JE RK 25-2302
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens voortdurende bedreiging ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen voor de periode van 4 juni 2026 tot 4 december 2026. De kinderrechter heeft op 26 mei 2026 de zitting met gesloten deuren voortgezet, waarbij de moeder niet aanwezig was, maar wel correct was opgeroepen.

De ouders hebben het ouderlijk gezag en de kinderen wonen bij hen. De eerdere ondertoezichtstelling liep tot 4 juni 2026. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) ondersteunen de verlenging vanwege de nog lopende hulpverleningstrajecten, waaronder gezinsbegeleiding door ASVZ en een nog te starten NIKA-traject. De ouders werken mee, maar de hulpverlening bevindt zich in een beginfase, waardoor het nog onzeker is of de opvoedsituatie duurzaam verbetert.

De moeder en vader zijn gemotiveerd en werken vrijwillig mee, maar vinden een gedwongen kader niet nodig. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld omdat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en langere betrokkenheid van de GI noodzakelijk is om de hulpverlening te monitoren.

De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 4 december 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 4 december 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/709828 / JE RK 25-2302
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A.H.J.M. Hopmans, kantoorhoudende in Rotterdam,
[vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het aanvullende rapport van de Raad met bijlagen, ontvangen op 20 april 2026.
1.2.
Op 26 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de moeder;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 4 juni 2026.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op een gedeelte van het verzoek is al een beslissing genomen. Er moet nog een beslissing worden genomen op het restant van het verzoek, te weten de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van 4 juni 2026 tot 4 december 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het restant van het verzoek ter zitting en licht dit nader toe. De hulpverlening vanuit ASVZ is pas recent gestart waardoor op dit moment nog niet duidelijk is of de ouders voldoende kunnen profiteren van de hulpverlening om de opvoedsituatie duurzaam te verbeteren. Hoewel de ouders hieraan werken, zijn de zorgen die de Raad ten tijde van de vorige zitting had nog steeds aanwezig. Daarnaast moet het NIKA-traject nog starten. Dit is een zwaar traject en de Raad gunt het de ouders en de kinderen om dit traject positief te doorlopen. De Raad is bang dat de ouders zonder het gedwongen kader geneigd zijn om uit de samenwerking te gaan. Dit maakt dat de Raad een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk vindt.
4.2.
De GI maakt ter zitting kenbaar achter een verlenging van de ondertoezichtstelling te staan. De hulpverlening vanuit ASVZ bevindt zich nog in de kennismakingsfase waardoor het te vroeg is om te zeggen hoe de opvoedondersteuning verloopt. Tot nu toe wordt wel gezien dat de ouders meewerken en verloopt het contact tussen de GI en de ouders goed. De GI heeft het gezin aangemeld bij NIKA om te werken aan de gehechtheidsrelatie. Daarnaast gaat ASVZ het gezin aanmelden voor een steungezin. De ouders hebben een beperkt netwerk maar staan ervoor open om hun netwerk uit te breiden. Gelet op de beginfase waarin de ouders zitten met de hulpverleningstrajecten, vindt de GI het te vroeg om de ondertoezichtstelling af te sluiten. Als de ondertoezichtstelling wel zou worden afgesloten, betwijfelt de GI of er direct iemand beschikbaar is bij het wijkteam om de regie over te nemen.
4.3.
Namens de moeder wordt ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder is van mening dat de opvoedsituatie voordat de ondertoezichtstelling werd uitgesproken ook al voldoende was. Desondanks werkt de moeder mee met de hulpverlening. Als de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, is de enige verandering dat niet duidelijk is hoe de ingezette hulpverlening wordt gemonitord. De ouders zijn heel gemotiveerd en het is hun intentie om de kinderen zo gelukkig mogelijk op te voeden. Een gedwongen hulpverleningskader is hiervoor niet nodig.
4.4.
De vader maakt ter zitting kenbaar dat hij niet achter een verlenging van de ondertoezichtstelling staat. De ouders hebben het afgelopen half jaar goed hun best gedaan en werken vrijwillig mee met de opvoedondersteuning van ASVZ. [minderjarige 1] mag naar groep één van de basisschool en het verzorgen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de thuissituatie gaat goed. De ouders staan beiden onder behandeling voor hun eigen problematiek en weten zelfstandig aan de bel te trekken als zij hulp nodig hebben. Een ondertoezichtstelling voelt voor de vader alsof de ouders één stap zijn verwijderd van een uithuisplaatsing van de kinderen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in de thuissituatie bij hun ouders. Op 4 december 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld voor een periode van zes maanden vanwege grote zorgen over de thuissituatie. Deze zorgen zagen met name op de persoonlijke problematiek van de ouders en het gebrek aan zicht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De afgelopen periode zijn de ouders de samenwerking met de GI aangegaan en hebben zij laten zien bereid en gemotiveerd te zijn om de thuissituatie te verbeteren. Er is gezinsbegeleiding ingezet vanuit ASVZ en een aanmelding gedaan voor een NIKA-traject. Hoewel de ouders de hulpverlening accepteren, bevindt de begeleiding vanuit ASVZ zich in een opstartende fase en moet het NIKA-traject nog aanvangen. De komende periode is langere betrokkenheid van de GI daarom noodzakelijk om het verloop van de hulpverlening te monitoren en te bezien of dit tot de benodigde positieve verandering in de thuissituatie leidt.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval langer nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 4 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.