ECLI:NL:RBROT:2026:6507

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/10/701244 / JE RK 25-1187
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2017. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is opgeroepen maar niet verschenen. De kinderen verblijven respectievelijk in een gezinshuis en een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ondertoezichtstelling reeds is verlengd tot 9 augustus 2026 en dat de machtiging tot uithuisplaatsing tot 9 juni 2026 was verlengd. De GI verzoekt nu om verlenging van de machtiging tot 9 augustus 2026. De moeder heeft geen verweer gevoerd en staat achter de verlenging, erkent dat de kinderen niet meer thuis kunnen wonen en wenst meer omgangsmomenten met de jongste.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderen hebben baat bij de stabiliteit en structuur van hun huidige verblijfplaatsen. Het perspectiefbesluit ten aanzien van de oudste wordt nog niet bekrachtigd omdat het contact met de moeder momenteel ontbreekt en een overleg gepland staat om contactherstel te onderzoeken.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd tot 9 augustus 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701244 / JE RK 25-1187
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Ben Ahmed, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 6 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI met bijlagen, ontvangen op 20 mei 2026.
1.2.
Op 26 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • mr. S. Koçak, waarnemend voor mr. S. Ben Ahmed;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgenodigd voor een kindgesprek. [minderjarige 1] heeft ervoor gekozen om de kinderrechter een brief te sturen. [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven in zijn brief. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.
De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft in een gezinshuis. [minderjarige 2] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 9 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de machtiging verlengd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 9 juni 2026.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Over de periode tot 9 juni 2026 is al beslist. Er dient nu nog te worden beslist over de periode tot 9 augustus 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het restant van het verzoek ter zitting en licht het nader toe. Op verzoek van de moeder zijn er twee nieuwe jeugdbeschermers betrokken. De nieuwe betrokken jeugdbeschermers hebben kennisgemaakt met de moeder, de kinderen en de gezinshuisouders. Het contact met de moeder verloopt erg prettig en er hebben al meerdere (telefoon)gesprekken plaatsgevonden. De moeder heeft laten weten dat zij achter een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen kan staan. De moeder accepteert dat het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij haar ligt. Daarnaast ziet de moeder in dat [minderjarige 2] ook niet meer volledig thuis kan wonen door zijn grotere zorgvraag. Het is wel haar wens om twee keer per maand de opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] in het weekend wel op zich te nemen. Op dit moment heeft de moeder één keer per twee weken een begeleid omgangsmoment met [minderjarige 2] op de groep waar hij verblijft. Naar de afgelopen twee omgangsmomenten is de moeder niet gekomen. Het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] ligt nog steeds stil. De moeder wil graag dat wordt onderzocht wat er mogelijk is in uitbreiding van de omgang tussen haar en de kinderen, en tussen haar partner en [minderjarige 2] . Vandaag is [minderjarige 2] gestart met intensieve traumabehandeling. Hij krijgt acht dagen lang, twee keer per dag behandeling. De GI ziet graag dat de rechtbank het perspectiefbesluit ten aanzien van [minderjarige 1] bekrachtigt zodat de GI hem duidelijkheid kan geven.
4.2.
Namens de moeder wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder ervaart de samenwerking met de nieuwe jeugdbeschermers als heel positief. De moeder begrijpt dat de kinderen niet meer thuis kunnen wonen. [minderjarige 1] wil zelf ook niet meer thuis wonen. De moeder zou wel graag willen dat [minderjarige 2] in de weekenden komt logeren. Dit is tijdens de vorige zitting ook namens de moeder naar voren gebracht. Daarnaast wil de moeder graag dat [minderjarige 2] omgang heeft met haar partner. [minderjarige 2] zou zelf ook gezegd hebben dat hij dit wil. Op dit moment is er geen omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder. Het is van belang dat wordt gekeken hoe de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder kan worden hervat. De moeder wil heel graag omgang met [minderjarige 1] , maar hij staat daar op het moment niet voor open. De moeder ontvangt begeleiding vanuit het Jeugdteam van het wijkteam. De advocaat van de moeder vindt het lastig om ter zitting een standpunt namens de moeder innemen over het bekrachtigen van het perspectiefbesluit ten aanzien van [minderjarige 1] , aangezien er op dit moment geen contact is tussen [minderjarige 1] en de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al enige periode niet meer bij hun moeder. [minderjarige 1] verblijft in een gezinshuis en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Beide jongens hebben al veel meegemaakt en hebben baat bij de stabiliteit en structuur die zij hier ontvangen. [minderjarige 1] krijgt begeleiding bij [organisatie] voor zijn gedragsproblematiek. [minderjarige 2] krijgt intensieve begeleiding op de groep waar hij verblijft en is onlangs gestart met intensieve traumabehandeling. Op dit moment is er geen contact tussen [minderjarige 1] en de moeder omdat [minderjarige 1] hier niet voor open staat. [minderjarige 2] heeft dagelijks videobelcontact met de moeder en één keer per twee weken is er fysieke omgang onder begeleiding op de groep. Alle belanghebbenden zijn het erover eens dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een passende plek verblijven. Beide jongens ontvangen de veiligheid en voorspelbaarheid die zij nodig hebben om zich goed te ontwikkelen. Hoewel de moeder de wens heeft om [minderjarige 2] op termijn twee keer per maand een weekend thuis te hebben, moet deze mogelijkheid eerst verder worden uitgezocht. De komende periode is het daarom van belang dat de huidige plaatsingen van de jongens worden voortgezet.
5.3.
Dit betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 augustus 2026.
5.4.
De GI heeft ter zitting verzocht om het perspectiefbesluit dat zij hebben genomen ten aanzien van [minderjarige 1] , te bekrachtigen. [minderjarige 1] zit op zijn plek bij het gezinshuis en heeft zelf kenbaar gemaakt dat hij niet meer bij de moeder wil wonen. Ter zitting is gebleken dat de moeder ook heeft geaccepteerd dat [minderjarige 1] niet bij haar zal opgroeien. Op dit moment is er geen omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder. In juli staat er een overleg gepland tussen de GI en de moeder om te kijken wat de mogelijkheden zijn voor contactherstel. Het is belangrijk dat dit overleg en de uitkomsten hiervan worden afgewacht. Daarnaast is het een recente ontwikkeling dat de moeder achter het door de GI genomen perspectiefbesluit staat. Hoewel de kinderrechter zich gelet op de huidige situatie kan voorstellen dat het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de moeder ligt, is de kinderrechter gelet op het bovenstaande van oordeel dat het op dit moment nog te vroeg is om het perspectiefbesluit te bekrachtigen.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 9 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.