ECLI:NL:RBROT:2026:649

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710612 / HA RK 25-1154
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken objectieve schijn van partijdigheid

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter wegens vermeende partijdigheid, onder meer vanwege kritische opmerkingen over het dossier, het niet toestaan van aanvullende stukken, het wel in behandeling nemen van verzoeken van de tegenpartij, onvoldoende hoor en wederhoor, en vermeend gniffelen van de rechter.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en concludeerde dat de aangevoerde omstandigheden geen aanwijzing vormen voor onpartijdigheidsschending. De rechter handelde binnen haar bevoegdheden bij procedurele beslissingen en er was geen bewijs van onheus gedrag of partijdigheid. Het verzoek was tijdig ingediend maar onvoldoende onderbouwd.

De wrakingskamer benadrukte dat wraking alleen kan slagen bij bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. De opmerkingen van de rechter betroffen beide partijen en procedurele beslissingen, en het vermeende gniffelen kon niet worden vastgesteld.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en is tegen deze beslissing geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/710612 / HA RK 25-1154
Beslissing van 15 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende te Capelle van den IJssel,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat mr. R.A.C.M. Jansen,
strekkende tot wraking van
mr. H.C.A. de Groot,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met zaak-/ rekestnummer C/10/684513 / FA RK 24-6190, een procedure van verzoekster tegen Didier van Unen (hierna: de man).
1.2.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling met gesloten deuren op 21 november 2025;
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 24 november 2025;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 23 december 2025.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek – met gesloten deuren – op 6 januari 2026 zijn verschenen:
  • verzoekster, haar advocaat en mr. K. Beumer (kantoorgenoot van de advocaat), die via een beeld- en geluidverbinding aan de zitting hebben deelgenomen;
  • de rechter.

2.Het wrakingsverzoek

Verzoekster heeft aan haar verzoek – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de rechter zich zeer kritisch uitgelaten over de omvang van het procesdossier en partijen meegedeeld dat zij gelet daarop geneigd was om het standaardpakket toe te passen. Tevens heeft de rechter direct om een advies van de Raad voor de Kinderbescherming verzocht. Dat was volgens verzoekster voorbarig, omdat er nog geen hoor- en wederhoor had plaatsgevonden.
Daarnaast heeft de rechter de door verzoekster op 14 november 2025 ingediende aanvullende producties niet toegestaan. Op de dag van de zitting heeft de man aanvullende verzoeken ingediend en deze verzoeken zijn door de rechter wel in behandeling genomen.
Er heeft tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende hoor en wederhoor plaatsgevonden. Toen verzoekster tijdens de zitting haar zorgen uitte over de door de man gewenste uitbreiding van de zorgregeling werd er door de rechter gegniffeld. Hierdoor is de schijn van partijdigheid gewekt, aldus verzoekster.
Verzoekster voert tot slot aan dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het vermelden van een schikkingsvoorstel door de man, welk bezwaar door de rechter ten onrechte is afgedaan met de enkele mededeling dat dat slechts een standpunt van de man is. Alle opmerkingen van de man en zijn advocaat zijn bovendien door de rechter toegestaan, ook de grievende opmerkingen aan het adres van verzoekster. De rechter heeft ten onrechte nagelaten hiertegen op te treden.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat zij/hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan haar bekend zijn geworden.
3.2.
De wrakingskamer ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het wrakingsverzoek tijdig is ingediend. Het is vaste jurisprudentie dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de grond voor wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. Verzoekster heeft het verzoek ingediend op een maandag, de eerste werkdag na de mondelinge behandeling, die plaatsvond op een vrijdag. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de advocaat van verzoekster desgevraagd toegelicht dat zij nog maar net advocaat-stagiair ‘af’ was en haar eigen beleving van de zitting wilde voorleggen aan haar voormalige patroon en ook met verzoekster wilde bespreken. Het verzoek is vervolgens direct na het weekend ingediend. Gelet op deze toelichting is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond bestaat voor de conclusie dat het verzoek te laat is ingediend. De rechter heeft dat overigens ook niet gesteld.
3.3.
De wrakingskamer overweegt over het wrakingsverzoek als volgt.
3.4.
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd vormen geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.5.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert objectief gezien gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar niet doorslaggevend. De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoekster gestelde vrees voor vooringenomenheid van de rechter objectief gezien niet gerechtvaardigd is. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.6.
De wrakingskamer stelt voorop dat uitgegaan wordt van de weergave van het verloop van de zitting in het proces-verbaal. De uitspraken van de rechter over de omvang van het dossier waren gericht aan beide partijen en deze vormen geen grond voor het oordeel dat sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid. Het is goed mogelijk dat de rechter vooral naar de vrouw en haar advocaat keek toen deze advocaat het dossier op tafel legde, maar dat is onvoldoende om verzoekster in haar standpunt te volgen. Daarbij is van belang dat de rechter, toen zij de omvang van het dossier aan de orde stelde, ook onder meer heeft opgemerkt dat de door de man gewenste uitbreiding van de omgang het probleem niet kleiner maakt.
3.7.
De beslissing van de rechter over het al dan niet toestaan van nadere stukken – zoals de door verzoekster op 14 november 2025 ingebrachte aanvullende producties – moet worden aangemerkt als een procedurele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een dergelijke rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking; wraking is namelijk geen verkapt rechtsmiddel. Alleen als (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid, kan dit anders zijn. Die hoge lat wordt in dit geval niet gehaald. Daarbij is onder meer van belang dat de rechter erop heeft gewezen dat voor het inbrengen van nadere stukken een termijn van 10 dagen voorafgaand aan de zitting geldt en dat de nadere stukken van verzoekster zijn ingediend op 14 november 2025, terwijl de zitting op 21 november 2025 was. De wrakingskamer kan niet concluderen dat deze beslissing blijk geeft van (de schijn van) vooringenomenheid. Het betoog dat de rechter niet eens gekeken heeft naar de aanvullende stukken en dat deze stukken niet slechts zien – zoals de rechter kennelijk veronderstelde – op de kinderalimentatie en dat deze stukken dus wel relevant waren, kan niet leiden tot een ander oordeel. Gegeven de procedurele beslissing van de rechter om deze stukken niet toe te laten tot het geding, is het niet onlogisch dat zij daarvan niet uitputtend kennis heeft genomen, nu verzoekster kennelijk heeft nagelaten om bij de te late indiening van de stukken schriftelijk toe te lichten dat sommige stukken op de omgangsregeling zagen. Dat verzoekster de relevantie van deze stukken ter zitting niet heeft kunnen toelichten, maakt niet dat sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid.
3.8
Het voorgaande geldt ook voor het betoog van verzoekster dat het op de dag van de zitting ingebrachte aanvullende verzoek van de man wel in behandeling is genomen. Dit betreft eveneens een procedurele beslissing. De rechter heeft in haar reactie op het wrakingsverzoek en tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek toegelicht dat een dergelijk verzoek anders van aard is dan de beslissing over de toelating van de door verzoekster ingebrachte aanvullende stukken, dat daarvoor een andere termijn geldt en dat er tijdens de mondelinge behandeling nog geen beslissing is genomen over deze aanvullende verzoeken van de man. Dat is in overeenstemming met het systeem van de wet. Dat de rechter met de nadere stukken van de vrouw anders is omgegaan dan met de verzoeken van de man, is daarmee in lijn en hieruit blijkt geen (schijn van) vooringenomenheid.
3.9.
Naar het oordeel van de wrakingskamer kan de opmerking van de rechter ter zitting dat zij geneigd is het ‘standaardpakket’ toe te passen ook niet leiden tot een geslaagde wraking. De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter met deze opmerking partijen een mogelijke uitkomst van het geschil heeft voorgehouden indien er niet tot een vergelijk kan worden gekomen. Anders dan verzoekster veronderstelt, kan hieruit niet worden opgemaakt dat de rechter reeds tot een beslissing hierover was gekomen. Bovendien raakt deze opmerking beide partijen in gelijke mate en kan ook om die reden niet tot het oordeel worden gekomen dat met deze opmerking (de schijn van) vooringenomenheid is gewekt. Dat de rechter direct en zonder hoor en wederhoor de Raad voor de Kinderbescherming zou hebben verzocht om een advies uit te brengen, volgt de wrakingskamer niet. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dit namelijk niet. Dit betoog van verzoekster kan dus niet slagen.
3.9.
Het betoog van verzoekster dat zij en haar advocaat onheus zijn bejegend door de advocaat van de man en dat het niet ingrijpen van de rechter duidt op vooringenomenheid, volgt de wrakingskamer niet. Hierbij staat voorop dat de door verzoekster aangehaalde uitspraken niet afkomstig zijn van de rechter. Reeds hierom kan daaruit niet worden afgeleid dat er sprake van (een schijn van) vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster. Dat de rechter hiertegen ter zitting niet zou hebben opgetreden, nog daargelaten dat dat niet is gebleken, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit laatste geldt ook voor de omstandigheid dat de advocaat van de man een schikkingsvoorstel zou hebben geopenbaard. Indien de advocaat van verzoekster meent dat de advocaat van de man de gedragsregels voor de advocatuur heeft overtreden, dient zij dit in het kader van het tuchtrecht aan de orde te stellen..
3.10.
De wrakingskamer constateert dat uit het proces-verbaal niet kan worden afgeleid dat de rechter zou hebben ‘gegniffeld’ naar aanleiding van de door verzoekster geuite zorgen over uitbreiding van de zorgregeling. Verzoekster of haar advocaat heeft dit volgens het proces-verbaal in elk geval niet benoemd op de zitting. Ook anderszins is hiervan niet gebleken. De rechter heeft, desgevraagd, verklaard zich niet te kunnen herinneren dat zij heeft ‘gegniffeld’. Er bestaan dus ook in dit opzicht geen concrete aanknopingspunten om te concluderen dat er sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid.
3.11.
Gelet op het vorenstaande komt de wrakingskamer tot de conclusie dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzitter, en mr. G.A. Bouter–Rijksen en mr. B. van Velzen, rechters, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste rechter is deze beslissing door mr. B. van Velzen getekend.
de griffier mr. B. van Velzen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.