Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6479

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/10/714855 FA RK 26-1200
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 lid 1 BWArt. 1:244 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag vader na ongeoorloofd verblijf kind in Verenigde Staten

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind te wijzigen in eenhoofdig gezag aan hem toe te kennen, de hoofdverblijfplaats te wijzigen, de teruggeleiding van het kind uit de Verenigde Staten te gelasten en een omgangsregeling vast te stellen. De moeder had het kind zonder toestemming naar de VS gebracht, waar zij sinds juli 2025 verblijft.

De rechtbank oordeelde dat zij geen rechtsmacht heeft om te beslissen over de teruggeleiding, omdat het kind zich in een land buiten Europa bevindt dat is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Wel is de rechtbank bevoegd om te beslissen over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling, omdat de gewone verblijfplaats van het kind nog steeds in Nederland ligt.

De rechtbank stelde vast dat het gezamenlijk gezag beëindigd wordt vanwege gewijzigde omstandigheden, namelijk het ongeoorloofd verblijf van de moeder met het kind in de VS, waardoor het kind klem is komen te zitten tussen de ouders. Het eenhoofdig gezag wordt aan de vader toegekend. Tevens wordt een omgangsregeling vastgesteld waarbij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming de regie voert over het contact tussen moeder en kind na terugkeer naar Nederland.

De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en bepaalde dat elk van de partijen de eigen proceskosten draagt. Het verzoek tot onderhoudsbijdrage wordt gesplitst en in een aparte procedure behandeld.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot eenhoofdig gezag aan de vader toe, verklaart zich onbevoegd voor teruggeleiding en stelt een omgangsregeling vast.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/714855 / FA RK 26-1200
Beschikking van 4 juni 2026 over het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de terug geleiding van de minderjarige
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. W.N. Sardjoe te 's-Gravenhage,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] , feitelijk verblijvende op een adres in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: Amerika),
advocaat mr. J.M.H. Devis te Zoetermeer.
In deze zaak wordt als informant aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 12 februari 2026;
  • het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 14 april 2026;
  • de berichten met bijlagen van de man van 2 maart, 16 maart en 23 april 2026;
  • het bericht met bijlagen van de GI van 22 april 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 24 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de advocaat van de vrouw;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] ;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 25 maart 2022 is bepaald dat de ouders het ouderlijk gezag over de minderjarige gezamenlijk uitoefenen.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 31 juli 2026. Ook is in deze beschikking de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west vervangen door de GI.
2.5.
De man heeft de Poolse nationaliteit en de vrouw en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Verzoeken
3.1.1.
De man verzoekt (zo begrijpt de rechtbank):
  • primair het gezamenlijk gezag te wijzigen en te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan hem toekomt;
  • subsidiair de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen en te bepalen dat deze zo spoedig mogelijk althans vanaf de datum van deze beschikking bij de man zal zijn;
  • voor zover mogelijk de teruggeleiding te gelasten van de minderjarige naar Nederland, althans dit verzoek eventueel door te verwijzen naar de bevoegde instantie;
  • de omgang tussen de vrouw en de minderjarige voor de duur van twee jaar te ontzeggen, tenzij de omgang onder begeleiding en regie van Jeugdbescherming kan plaatsvinden, althans een regeling vast te stellen die de rechtbank redelijk acht.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van de verzoeken van de man.
3.2.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.1.
Omdat gebleken is dat de vrouw met de minderjarige in Amerika verblijft en de man de Poolse nationaliteit heeft, is sprake van een zaak met een internationaal karakter. Om die reden moet eerst de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de verzoeken van de man beoordeeld worden. Ook moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is.
3.2.2.
De vrouw verblijft sinds juli 2025 met de minderjarige in Amerika. Vaststaat dat de vrouw tot 27 juli 2025 toestemming van de man had om in Amerika te verblijven. Vanaf 28 juli 2025 verblijft de vrouw daar met de minderjarige zonder toestemming van de man of de rechtbank. De verzoeken van de man zijn onder te verdelen in enerzijds zijn verzoek over de teruggeleiding van de minderjarige en anderzijds de verzoeken die vallen onder de ouderlijke verantwoordelijkheid.
3.2.3.
Als het gaat om het verzoek van de man om teruggeleiding van de minderjarige heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht. De minderjarige is meegenomen naar een land buiten Europa dat is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag (hierna: HKOV). Uit het HKOV volgt dat een verzoek tot teruggeleiding moet worden gedaan in het land waar het kind verblijft. De man kan dit verzoek dus niet in Nederland doen. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om op dit verzoek te beslissen. Dit geldt ook voor het deel van dit verzoek waarin de man vraagt om zijn verzoek tot teruggeleiding eventueel door te verwijzen naar de bevoegde instantie.
3.2.4.
Als het gaat om de verzoeken van de man over de ouderlijke verantwoordelijkheid, geldt het volgende. Om te beoordelen of de Nederlandse rechter (nog) bevoegd is te beslissen, moet beoordeeld worden of de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen ten tijde van de indiening van het verzoek (zie art. 7 lid 1 Brussel Pro II-ter). De man heeft aangevoerd dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige nog altijd in Nederland is. De man baseert dat op de inschrijving van de vrouw in de BRP. De vrouw is nog altijd ingeschreven in Rotterdam en de minderjarige volgt op grond van artikel 1:12 lid 1 BW Pro de woonplaats van de ouder met het gezag. De vrouw heeft daardoor volgens de man nog binding met Nederland. Ook is de man van mening dat de vrouw nog toeslagen ontvangt in Nederland. Voor de man is ook van belang dat sprake is van een lopende ondertoezichtstelling in Nederland.
Namens de vrouw is tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige is gewijzigd naar Amerika. De minderjarige gaat inmiddels naar school in Amerika en volgt daar therapie. Ook is volgens de vrouw van belang dat zij getrouwd is met een Amerikaan en inmiddels een dubbel paspoort heeft. Daar komt bij dat de vrouw een
green card(een verblijfsvergunning) voor verblijf in Amerika heeft. De vrouw is bezig om de immigratie van de minderjarige in Amerika te regelen.
3.2.5.
De rechtbank oordeelt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige nog altijd in Nederland is gelegen. Daarbij spelen een aantal omstandigheden een rol. Het verzoekschrift van de man is ingediend in februari 2026. Op dat moment verbleef de minderjarige ongeveer zes maanden in Amerika. De minderjarige heeft het grootste deel van haar leven, namelijk zes jaar, in Nederland gewoond en op de datum van het onderhavige verzoek woonde zij pas een half jaar in Amerika. De minderjarige staat, net als de vrouw, nog altijd ingeschreven in Nederland. Ook wordt niet betwist dat de vrouw nog toeslagen ontvangt in Nederland en dat zij nog lopende verzekeringen, waaronder een rechtsbijstandsverzekering, in Nederland heeft. De vrouw heeft haar Nederlandse bestaan daarmee niet afgesloten en houdt kennelijk de mogelijkheid open om terug te keren. De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangegeven dat de vrouw ook van plan is om uiteindelijk weer terug te keren. Nederland is voor de minderjarige, ondanks het verblijf van een half jaar in Amerika, het centrum van haar leven met haar beide ouders. De minderjarige ging in Nederland naar school, had contact met haar vader en speelde met vriendjes. Daar komt bij dat in Nederland een ondertoezichtstelling voor de minderjarige loopt. De omstandigheden die de vrouw heeft aangevoerd over haar verblijf in Amerika zijn niet aangetoond. Het betreffen slechts stellingen van de vrouw die door de man zijn betwist. Het document dat de vrouw heeft overgelegd om aan te tonen dat de minderjarige in Amerika naar school gaat, is voor de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige is gewijzigd. Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige gezien het bovenstaande nog altijd in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige, het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en het verzoek tot vaststelling van een contactregeling.
3.2.6.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.3.
Gezag
3.3.1.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.3.2.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat gezamenlijk gezag niet in stand kan blijven.
3.3.3.
De man stelt dat de vrouw hem tegenwerkt en de man niet anders doet dan zijn ouderschap verdedigen. De vrouw schaadt volgens de man de belangen van de minderjarige door steeds procedures aan te spannen. In deze procedures verzocht de vrouw onder meer een verhuizing met de minderjarige naar Amerika, het eenhoofdig gezag en meest recent de verzoeken van de vrouw om alle vakanties in 2025 en 2026 met de minderjarige in Amerika, Egypte of Frankrijk te verblijven. Deze verzoeken van de vrouw zijn allemaal afgewezen. Doordat de vrouw op dit moment ongeoorloofd met de minderjarige in Amerika verblijft, beschadigt de vrouw de band van de man met de minderjarige en zet zij de man als ouder buitenspel. De man heeft stappen ondernomen door aangifte te doen van onttrekking aan het ouderlijk gezag, maar volgens de man is de beslissing van de familiekamer belangrijk voordat stappen in het strafrechtelijk kader worden ondernomen. Volgens de man is eenhoofdig gezag niet langer in het belang van de minderjarige. De minderjarige zit klem tussen haar ouders door de eenzijdige acties van de vrouw.
3.3.4.
Namens de vrouw is aangevoerd dat de vrouw de hoofdverzorger van de minderjarige is. De keuzes die de vrouw heeft gemaakt zijn in het belang van de minderjarige geweest. De vrouw voelt zich door de Nederlandse instanties in de steek gelaten en voelde zich genoodzaakt de keuze te maken om met de minderjarige in Amerika te verblijven zonder de vereiste toestemming.
3.3.5.
Volgens de GI is het belangrijk dat de minderjarige zo snel mogelijk terugkeert naar Nederland. De GI ondersteunt de man dan ook procedureel in zijn verzoek om randvoorwaarden te creëren die bijdragen aan een terugkeer van de minderjarige naar Nederland, zodat zij hier de hulp kan krijgen die zij nodig heeft. Het verzoek ten aanzien van het gezag valt daar naar de mening van de raad onder, en de raad kan daar dan ook achter staan. De GI heeft ook zelf stappen ondernomen. Zo heeft de GI aangifte gedaan van onttrekking aan het gezag en de vrouw een schriftelijke aanwijzing gegeven. Verder heeft de GI een zorgmelding gemaakt bij de buitenlandse autoriteiten. Deze stappen hebben tot nog toe niets in gang gezet.
3.3.6.
Voor een wijziging van het gezag is nodig dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Deze gewijzigde omstandigheden ziet de rechtbank in het zonder toestemming verblijven van de vrouw met de minderjarige in Amerika. De rechtbank gaat over tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
3.3.7.
De rechtbank is van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De rechtbank wijst het verzoek van de man dan ook toe en legt uit waarom.
3.3.8.
De minderjarige is klem of verloren geraakt tussen haar ouders, omdat de vrouw misbruik maakt van het ouderlijk gezag door zonder toestemming van de man of de rechtbank met de minderjarige in Amerika te verblijven en daarmee de minderjarige weghoudt van haar vader. De rechtbank had het risico op het vertrek van de vrouw met de minderjarige naar Amerika al voorzien in haar beschikking van 16 oktober 2024, toen de vrouw verzocht om het eenhoofdig gezag. Ondanks dat het verzoek van de vrouw om eenhoofdig gezag in die beschikking en in de beschikking van 14 januari 2025 is afgewezen, heeft de vrouw in juli 2025 gehandeld alsof zij het eenhoofdig gezag had. De vrouw diskwalificeert daarmee de man als vader en haalt de minderjarige weg uit haar vertrouwde omgeving in Nederland. Ook gooit de vrouw aantijgingen over de man over de schutting van de rechtbank zonder deze te onderbouwen. Daarmee schaadt zij de man en daarmee de vader van de minderjarige, en de belangen van de minderjarige zelf. De rechtbank ziet onder ogen dat de toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de man een verstrekkende maatregel is. De rechtbank heeft verder onder ogen gezien dat ook aan de zijde van de man er zorgen zijn over de opvoedsituatie, maar door de lopende ondertoezichtstelling is er voldoende vangnet en toezicht om deze verder te onderzoeken en eventueel kan de minderjarige na terugkomst in Nederland tijdelijk op een neutrale plek verblijven alvorens definitieve afspraken te maken over waar de minderjarige woont. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd mee te werken aan de ondertoezichtstelling en de GI heeft verklaard dat de samenwerking met de man voldoende verloopt. De man heeft verklaard dat deze beslissing van belang is in de strafzaak en de vrouw heeft dit niet weersproken. Omdat de rechtbank, in overeenstemming met de standpunten van de raad en de GI, van oordeel is dat de minderjarige zo spoedig mogelijk moet terugkeren naar Nederland, wordt het verzoek van de man toegewezen. Zoals gezegd moet op het moment dat de minderjarige weer in Nederland is onderzoek verricht worden of en op welke manier de minderjarige bij de man kan verblijven. De rechtbank ziet voor dat onderzoek een taak voor de GI weggelegd.
3.4.
Verblijfplaats
3.4.1.
Door toewijzing van het verzoek tot eenhoofdig gezag komt de rechtbank niet toe aan het – zo begrijpt de rechtbank – subsidiaire verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats.
3.5.
Zorgregeling dan wel omgangsregeling
3.5.1.
Omdat het gezag van de vrouw wordt beëindigd zal de rechtbank hierna niet spreken over een zorgregeling, maar over een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
3.5.2.
Op grond van artikel 1:377a BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen omgangsregeling vaststellen.
3.5.3.
De man verzoekt de omgang tussen de vrouw en de minderjarige te ontzeggen vanwege de toxische omgeving waar de minderjarige zich bij de vrouw in bevindt. De vrouw voert aan dat de minderjarige veilig is bij haar en dat geen reden bestaat om in te grijpen in de bestaande situatie, waarin de minderjarige bij de vrouw verblijft. Tussen de vrouw en de minderjarige is niet eerder een omgangsregeling vastgesteld, omdat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw was. Het is in het belang van de minderjarige dat zij op een goede manier omgang heeft met haar beide ouders.
3.5.4.
De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat de GI zicht krijgt op wat in haar belang is. Dit is volgens de rechtbank enkel mogelijk als de GI de regie zal voeren over de omgang tussen de vrouw en de minderjarige, omdat niet van de man verwacht kan worden dat hij zelf de omgang tussen de vrouw en de minderjarige op de juiste manier kan regelen. De rechtbank legt daarom een regeling vast tussen de vrouw en de minderjarige vanaf het moment dat zij weer in Nederland is. Binnen een periode van drie maanden wordt vervolgens toegewerkt aan het contact tussen de minderjarige en de vrouw, waarbij er minimaal wekelijks contact is.
3.6.
Onderhoudsbijdrage
3.6.1.
De man heeft bij wijze van aanvullend verzoek verzocht de door hem te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige primair te beëindigen dan wel subsidiair op nihil te stellen dan wel meer subsidiair de kinderalimentatie te verlagen naar een bedrag ter hoogte van € 25,- per maand. De verweertermijn van de vrouw voor dit verzoek liep ten tijde van de mondelinge behandeling nog. De rechtbank heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aangegeven het alimentatieverzoek niet te behandelen en dit verzoek af te splitsen, zodat het onder een nieuw zaak- en rekestnummer, te weten: C/10/718636 / FA RK 26-3256 op een nadere zitting door de enkelvoudige kamer van de rechtbank zal worden behandeld.
3.7.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.7.1.
Gelet op de prangende situatie verklaart de rechtbank haar beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank meteen ingaat, onafhankelijk van een eventueel in te stellen hoger beroep. De rechtbank acht het van groot belang dat de man zo snel mogelijk het gezag over de minderjarige alleen gaat uitoefenen, zodat de minderjarige uit de situatie geraakt waarin zij door toedoen van de vrouw is klem komen te zitten tussen haar ouders. Dit belang van de minderjarige is groter dan het belang van de ouders om hoger beroep in te stellen.
3.8.
Proceskosten
3.8.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] voortaan aan de man toekomt;
4.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister;
4.3.
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek van de man over de teruggeleiding en eventuele doorverwijzing;
4.4.
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht bij de vrouw zal zijn als volgt: vanaf het moment dat de vrouw met de minderjarige terug in Nederland zal zijn, zal er geen omgang zijn tussen de vrouw en de minderjarige, waarbij in een periode van drie maanden wordt toegewerkt aan contactherstel, waarbij de vorm, duur en frequentie wordt bepaald door de GI, waarbij er minimaal wekelijks contact is;
4.5.
houdt aan de beslissing ten aanzien van de onderhoudsbijdrage en stelt vast dat de vrouw met ingang van 14 april 2026 een verweertermijn heeft gekregen van vier weken. Het verzoek met betrekking tot de onderhoudsbijdrage zal verder worden behandeld onder zaak- en rekestnummer: C/10/718636 / FA RK 26-3256 door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank;
4.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.8.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, voorzitter en (kinder)rechter, mr. K. Bakker en mr. C.C.B. Boshouwers, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 4 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.