ECLI:NL:RBROT:2026:6477

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/10/706781 / HA ZA 25-812
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 RvArt. 29a Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 46b wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve verwijzing van civiele procedure naar rechtbank Amsterdam wegens verknochtheid

Tussen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. zijn meerdere civiele procedures aanhangig bij verschillende rechtbanken. De onderhavige procedure is op 9 september 2025 gestart bij de rechtbank Rotterdam. Daarnaast zijn er procedures bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, over een geldlening en over winstverdeling en aandelenuitgifte.

De procedure over winstverdeling is op 27 mei 2026 verwezen naar de rechtbank Amsterdam. [bedrijf 1] verzocht de rechtbank Rotterdam om de lopende procedure ambtshalve te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam vanwege verknochtheid tussen de procedures. [bedrijf 2] betwistte dit.

De rechtbank overweegt dat artikel 220 Rv Pro verwijzing mogelijk maakt tussen procedures die verknocht zijn en dat het doelmatigheidsbeginsel ook een verwijzing 'andersom' toelaat, zodat beide procedures door dezelfde rechter worden behandeld. De rechtbank stelt vast dat de procedures verknocht zijn omdat zij voortkomen uit dezelfde geschilpunten rondom samenwerking, winstrechten en aandelen.

Uit oogpunt van doelmatigheid en de wens van partijen om snel een beslissing te krijgen, verwijst de rechtbank Rotterdam de procedure ambtshalve naar de rechtbank Amsterdam, team handelszaken. De mondelinge behandeling wordt gesloten en het vonnis is op 28 mei 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank Rotterdam verwijst ambtshalve de procedure naar de rechtbank Amsterdam wegens verknochtheid en doelmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/10/706781 / HA ZA 25-812
Proces-verbaal van mondelinge behandeling, gehouden op 28 mei 2026, met de schriftelijke de schriftelijke vastlegging van het mondeling vonnis op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak van
[bedrijf 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. M.A.M. Bannenberg,
tegen
[bedrijf 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
advocaat: mr. E.P. Groenewegen-Caris.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Rotterdam op grond van de oproepingsbrief van 17 december 2025.
De zaak wordt behandeld door mr. B.J.M.P. Cremers, rechter, bijgestaan door mr. M. Welter-Dekkers als griffier.
Op de zitting zijn de volgende personen verschenen:
- de heer [naam 1] , statutair bestuurder van [bedrijf 1] ;
- mr. M.A.M. Bannenberg, advocaat van [bedrijf 1] ;
- de heer [naam 2] , statutair bestuurder van [bedrijf 2] ;
- de heer [naam 3] , assistent van de heer [naam 2] ;
- mr. E.P. Groenewegen-Caris, advocaat van [bedrijf 2] .
De rechter gaat over tot de mondelinge behandeling.
De rechter stelt vast dat tot het procesdossier behoren:
  • de dagvaarding van 9 september 2025, met producties 1-11;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1-15;
  • de e-mail van de rechtbank van 22 april 2026 met een zittingsagenda;
  • de akte in conventie en conclusie van antwoord in reconventie, met producties 12-19;
  • de akte overlegging aanvullende producties in conventie en reconventie van [bedrijf 2] , met producties 16-21;
  • de op de dag van en voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden spreekaantekeningen van [bedrijf 1] met een verzoek om ambtshalve verwijzing van de procedure.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank ter zitting mondeling uitspraak gedaan, onder toelichting van de gronden van de beslissing, zoals hierna weergegeven.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
Tussen partijen en gelieerde partijen zijn meerdere procedures aanhangig bij verschillende rechtbanken. Op 9 september 2025 is onderhavige procedure aanhangig gemaakt. Op 24 september 2025 is bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar een procedure aanhangig gemaakt onder zaaknummer 370301 over terugbetaling van een geldlening (hierna: procedure lening) en op 19 februari 2026 is bij dezelfde rechtbank een procedure aanhangig gemaakt onder zaaknummer C/15/375837/ HA ZA 26/174 over winstverdeling/dividenduitkering en uitgifte aandelen (hierna: procedure winst).
De procedure winst is bij vonnis van 27 mei 2026 op grond van artikel 46b wet RO verwezen naar de rechtbank Amsterdam.
De procedure lening staat op de rol van 1 juli 2026 voor vonnis, nadat er op 21 mei 2026 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
1.2.
[bedrijf 1] heeft de rechtbank verzocht om onderhavige procedure op grond van artikel 220 Rv Pro ambtshalve te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam. Volgens haar is sprake van verknochtheid tussen beide procedures. [bedrijf 2] betwist dat en maakt bezwaar tegen de verzochte verwijzing.
1.3.
Artikel 220 Rv Pro bepaalt dat in zaken die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, of in geval de zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter kan worden gevorderd. In deze zaken kan de rechter ook ambtshalve naar die andere rechter verwijzen, nadat partijen hierover zijn gehoord.
1.4.
Als je strikt kijkt naar de tekst van deze bepaling, dan betekent dit dat de rechter waar de laatste zaak aanhangig is gemaakt, zou moeten verwijzen naar de rechter waar de eerste zaak aanhangig is gemaakt. De achtergrond van artikel 220 Rv Pro is een gezamenlijke behandeling van beide procedures uit een oogpunt van doelmatigheid. Bij dat uitgangspunt past dat in de concrete omstandigheden van dit geval ook een verwijzing “andersom” mogelijk moet zijn. Het gaat er niet om dat de eerst betrokken rechter beide procedures behandelt, maar dat de procedures door een en dezelfde rechter worden behandeld.
1.5.
De rechtbank is van oordeel dat er in ieder geval sprake is van verknochtheid als bedoeld in artikel 220 Rv Pro tussen de procedure winst en de procedure bij deze rechtbank. Beide procedures vinden hun oorsprong in de misgelopen samenwerking in [bedrijf 2] en de nakoming van (vermeende) verplichtingen die er in dat kader over en weer bestaan (waaronder winstrechten, aanbieding aandelen, uitgifte nieuwe aandelen en financiële afrekeningen).
1.6.
Uit oogpunt van doelmatige behandeling zal de rechtbank de procedure bij deze rechtbank dan ook in de stand van het geding verwijzen naar de rechtbank Amsterdam. Partijen delen de wens om in de voorliggende geschillen zo snel mogelijk een beslissing te krijgen. Ook daarbij past verwijzing van deze procedure naar de rechtbank Amsterdam.

2.De beslissing:

Verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Amsterdam, team handelszaken.
De mondelinge behandeling wordt gesloten.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en op 28 mei 2026 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Waarvan proces-verbaal.