2.3.1.Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte het slachtoffer in de bovenarm en het bovenbeen heeft gestoken met een mes. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte
Ik heb op 22 september 2026 in Rotterdam mijn achterneef [slachtoffer] gestoken in zijn jas. Ik heb hem in zijn arm geraakt.
2.
Proces-verbaal van de politieOp 22 september 2025 werden wij gestuurd naar de Taselaarstraat in Rotterdam. Ter plaatse aangekomen zagen wij een man staan in het grasveldje in het park bij de Taselaarstraat.
Wij zagen dat deze man een bebloede linkerarm had en een doek om zijn linker bovenarm hield. Deze man gaf zich later op te zijn als:
=== [slachtoffer] , [voornamen slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 12-1980 === (...)
Wij zagen dat er een steekwond bevond van ongeveer 1,5 centimeter bij 1 centimeter. Hierop plaatste ik een tourniquet bij [slachtoffer] op zijn linker bovenarm. Ik zag dat zijn linkerarm geheel bebloed was.
Ik hoorde dat [slachtoffer] verklaarde dat hij door een vlindermes was gestoken.
3.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
Ik wil aangifte doen tegen [roepnaam verdachte] . Ik weet zijn echte naam niet. Hij is mijn achterneef. Op 22 september 2025 […] kwam hij uit de Taselaarstraat in Rotterdam. […] Ik zag dat hij een grijs vlindermes uit zijn rechterjaszak pakte. Ik zag dat hij het mes openklapte. Het snijgedeelte was ongeveer 10 centimeter lang. Hij kwam terug lopen naar mij. Ik zag dat hij met zijn mes voor zich bezig was. Hij liep met de punt van het mes naar mij toe. Hij zwaaide met zijn mes. Ik ontweek het door naar achter te leunen en toen trapte ik in de richting van het mes. Toen ben ik denk ik geraakt op mijn linker bovenbeen. Hij stak weer met zijn mes in mijn richting en toen kwam hij tegen mijn arm aan. Ik probeerde hem af te weren. Ik schrok en ik voelde meteen iets warms stromen. […] Ik deed mijn jas uit en toen zag je mijn arm en het bloed stromen.
4.
DeskundigenverslagS Letselvertaling op basis van medische informatie Ikazia ziekenhuis betreffende consult spoedeisende hulp op 22-09-2025.
O Ter plaatse van de linker bovenarm een steekwond, lengte niet nader bekeken, wond qua diepte reikend tot en met onderhuids vetweefsel. Ter plaatse van het linker bovenbeen een snijwond.
E De wond van de bovenarm werd gehecht, zowel onderhuids weefsel als de huid.
De wond van het bovenbeen werd gehecht, enkel de huid.
Betrokkene kreeg een drukverband om de bovenarm en antibiotica ter preventie van een
wondinfectie. Betrokkene werd ter controle opgenomen, en werd in goede conditie ontslagen op 23-09-2025. Hechtingen moesten verwijderd worden na 10 dagen.
P Bij ongecompliceerd beloop 1 à 2 weken.
2.3.2.Bewijsmotivering
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft bekend dat hij de aangever in zijn arm heeft gestoken. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden met welk voorwerp de verdachte dit heeft gedaan en hoe zijn handelen gekwalificeerd moet worden.
Voorwerp waarmee gestoken is
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gestoken met een stuk glas dat hij tijdens de worsteling op de grond heeft gevonden. De rechtbank hecht op dit punt meer geloof aan de verklaring van de aangever dan aan de verklaring van de verdachte. De aangever heeft namelijk onmiddellijk na het incident ter plaatse aan de politie verklaard dat de verdachte hem met een vlindermes had gestoken. Ook in zijn aangifte heeft hij hier gedetailleerd en uitvoerig over verklaard. De verdachte daarentegen heeft tot aan de terechtzitting, ruim drie maanden, gezwegen en pas toen voor het eerst verklaard over een stuk glas dat hij tijdens de worsteling zou hebben gevonden waarmee hij zou hebben gestoken. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken.
Poging zware mishandeling
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is geweest van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vaststaat dat de verdachte met een mes in de arm en in het bovenbeen van de aangever heeft gestoken. Uit de FARR-verklaring blijkt dat de verwondingen in zowel de bovenarm als in het bovenbeen zijn gehecht. Blijkens het dossier heeft de aangever hier littekens aan overgehouden. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de conclusie dat de verdachte de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, gelet op de aard van het letsel. Een litteken is niet zonder meer aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. De littekens van de aangever op zijn arm en heup zijn wel ontsierend, maar – anders dan bijvoorbeeld in het gezicht – niet onmiddellijk zichtbaar. Naar redelijke verwachting zijn ze ook niet wezenlijk van invloed op het dagelijks functioneren van de aangever. Gelet op wat daarover in de FARR-verklaring is opgenomen en bij gebreke van aanknopingspunten voor het tegendeel zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er geen uitzicht op (volledig) herstel is. Daarom valt het litteken niet als zwaar lichamelijk letsel aan te merken. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Wel kan het handelen van de verdachte worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. De kans dat bij het steken zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk geweest. Het is een feit van algemene bekendheid – en ook verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest – dat het tijdens een worsteling steken met een mes in de arm kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Er bestond namelijk een aanmerkelijke kans dat een slagader zou worden geraakt en dat pezen of spieren geraakt zouden worden met als gevolg blijvend functieverlies. Daarnaast was de kans aanwezig dat door het ongecontroleerd steken tijdens de schermutseling een ander (vitaal) lichaamsdeel in het borstgebied geraakt zou worden. De verdachte heeft de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dergelijk zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht de rechtbank de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook bewezen.