ECLI:NL:RBROT:2026:6446

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
C/10/715931 / JE RK 26-431
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleeggezin

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 2023 onder toezicht staat en sinds 2024 in een pleeggezin verblijft.

De moeder heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag, maar kampt met traumaproblematiek, verslaving en emotionele ontregeling, waardoor zij niet in staat is de zorg voor haar kind te dragen. Ondanks hulpverlening en aandringen van de GI is zij onvoldoende vooruitgegaan. De pleegouders bieden een stabiele en perspectiefbiedende omgeving waarin de minderjarige zich goed ontwikkelt.

De kinderrechter onderschrijft het perspectiefbesluit van de GI dat de minderjarige in het pleeggezin zal opgroeien en verlengt de maatregelen tot 21 april 2027. De omgangsregeling met de moeder is teruggebracht om rust te creëren, maar de betrokkenheid van de moeder blijft belangrijk. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 21 april 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715931 / JE RK 26-431
Datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder,
[pleegmoeder] en [pleegvader],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de pleegouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 5 maart 2026 is ontvangen het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI van 19 februari 2026.
1.2.
Op 11 maart 2026 is ontvangen de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming van 6 maart 2026.
1.3.
Ter zitting heeft de GI het pedagogisch opvoedbesluit van de GI overhandigd.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de pleegouders;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [vertegenwoordiger] .
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
Op 21 april 2023 is [minderjarige 1] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 21 april 2026.
2.3.
Op 27 mei 2024 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin. Deze machtiging is daarna steeds verlengd en geldt nu tot 21 april 2026.
2.4.
[minderjarige 1] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI heeft het verzoek ter zitting – samengevat – toegelicht als volgt. Het verblijf van [minderjarige 1] in het pleeggezin verloopt goed. Het pleeggezin biedt haar de nodige structuur en stabiliteit. Sinds haar verblijf in het pleeggezin gaat zij weer structureel naar school. Ook heeft zij nu gezondere eetgewoontes, waardoor haar overgewicht is afgenomen. Omdat [minderjarige 1] steeds meer behoefte kreeg aan duidelijkheid over waar zij verder zal opgroeien, heeft de GI een perspectiefbesluit genomen. Besloten is dat zij in het pleeggezin zal opgroeien. De moeder is nog niet in staat om de opvoedverantwoordelijkheid voor [minderjarige 1] te dragen. De moeder zegt dat zij aan haar problematiek werkt, maar is niet open over wat dit precies inhoudt. De GI verzoekt de kinderrechter om het perspectiefbesluit te onderschrijven. De GI ziet dat de moeder veel van [minderjarige 1] houdt en het is belangrijk dat zij in het leven van [minderjarige 1] betrokken blijft. Wel zijn de bezoeken teruggebracht van een keer per drie weken naar een keer per zes weken, om voor [minderjarige 1] de nodige rust te kunnen creëren tussen de bezoeken in. Zij ervaart veel spanning rondom de bezoeken. Als dat in de toekomst afneemt, kunnen de bezoeken mogelijk weer vaker plaatsvinden.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
De moeder staat achter verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , maar niet achter het door de GI genomen perspectiefbesluit. Zij is blij dat [minderjarige 1] bij de pleegouders in goede handen is, maar wil in de toekomst graag zelf weer voor [minderjarige 1] zorgen. Zij heeft [minderjarige 1] niet weggegeven en wil niet dat [minderjarige 1] denkt dat de moeder niet van haar houdt en niet voor haar wil zorgen. De moeder ziet in dat zij aan zichzelf moet werken en is daar nu mee bezig. Zij krijgt hulp van een maatschappelijk werkster. Zij hoopt over een jaar stabieler te zijn en over één of twee jaar weer zelf de zorg voor [minderjarige 1] te kunnen dragen. De moeder wil [minderjarige 1] in de tussentijd graag vaker zien. Zij mist [minderjarige 1] en vindt zes weken veel te lang duren.

6.Het standpunt van de pleegouders

6.1.
De pleegouders staan achter verlenging van de maatregelen. Zij hebben – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Het gaat erg goed met [minderjarige 1] , zowel in het pleeggezin als op school. De leesachterstand die zij had toen zij in het pleeggezin kwam, is bijna ingelopen. Ook heeft zij haar zwemdiploma gehaald. [minderjarige 1] heeft vriendinnetjes en het contact met de andere kinderen in het gezin is ook goed. Haar zusje [minderjarige 2] ziet zij regelmatig. Ook met haar gewicht gaat het de goede kant op. Er is nog wel sprake van overgewicht, maar niet meer van obesitas klasse IV. Zij wordt hierin begeleid door een arts. Verder start zij binnenkort met EMDR-therapie, omdat zij last heeft van verlatingsangst.

7.De beoordeling

7.1.
De nu 10-jarige [minderjarige 1] en haar zusje [minderjarige 2] zijn drie jaar geleden onder toezicht gesteld van de GI, omdat er zorgen waren over de (fysieke en emotionele) beschikbaarheid van de moeder en de veiligheid en stabiliteit thuis. Bij de moeder was sprake van traumaproblematiek, verslaving en emotionele ontregeling. Omdat de zorgen niet afnamen, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een jaar later – nadat de moeder zelf de noodklok had geluid – uit huis geplaatst. In de afgelopen jaren is het de moeder niet gelukt om aan zichzelf te werken. Zij heeft, ondanks aandringen van de GI, geen hulp gezocht. Ook was zij slecht bereikbaar voor de GI en kwam zij afspraken niet na. Omgangsafspraken met [minderjarige 1] kwam zij ook niet altijd na. Dit zorgde voor spanning en verdriet bij [minderjarige 1] . Hoewel het nakomen van de omgangsafspraken inmiddels beter gaat en de moeder liefdevol is naar [minderjarige 1] toe, heeft [minderjarige 1] nog steeds last van spanning voorafgaand aan en na afloop van een bezoek. De omgang is daarom teruggebracht naar een keer per zes weken. Sindsdien gaat het beter. Inmiddels verblijft [minderjarige 1] bijna twee jaar bij de pleegouders, in de buurt van het pleeggezin waar haar zusje verblijft. [minderjarige 1] lijkt hier op haar plek te zijn en ontwikkelt zich goed. De pleegouders sluiten goed aan bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 1] . Ook gaat zij nu structureel naar school en heeft zij een gezond eetpatroon ontwikkeld. Met de GI is de kinderrechter eens dat [minderjarige 1] op dit moment niet terug kan naar de moeder. De moeder ziet dat zelf ook in. Verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen is daarom nodig. Aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. [1] De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is hoe het komende jaar moet worden ingevuld.
7.2.
Net als de Raad voor de Kinderbescherming, onderschrijft de kinderrechter het besluit van de GI om niet meer toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige 1] . De kinderrechter begrijpt dat de moeder het liefst wil dat [minderjarige 1] op enig moment weer bij haar komt wonen. Voor [minderjarige 1] is het echter belangrijk om niet (te) lang in onzekerheid te zitten over waar zij opgroeit. Zij woont inmiddels al bijna twee jaar niet meer bij de moeder. Niet te verwachten valt dat zij in het komende jaar terug kan naar de moeder. De moeder heeft nog een lange weg te gaan. Dat ziet zij zelf ook in. Zij heeft te kennen gegeven één tot twee jaar nodig te hebben totdat zij de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] weer kan dragen. Of dat op dat moment daadwerkelijk kan, valt niet te voorspellen. Bovendien woont [minderjarige 1] tegen die tijd drie tot vier jaar bij het pleeggezin, waar zij is geworteld en haar leventje heeft opgebouwd. Dat de moeder nu aan zichzelf gaat werken, is heel positief. Ook als [minderjarige 1] niet meer bij de moeder gaat wonen. Het is echter niet in het belang van [minderjarige 1] om nog (ten minste) één of twee jaar in onzekerheid te verkeren. Daar komt bij dat [minderjarige 1] , doordat zij al heel wat heeft meegemaakt in haar jonge leven, nog meer dan een gemiddeld kind gebaat is bij stabiliteit en continuïteit, en dus bij voortduring van haar verblijf in het pleeggezin.
7.3.
Dat de moeder [minderjarige 1] niet zelf verzorgt en opvoedt, neemt niet weg dat zij de moeder blijft. Belangrijk is daarom dat zij betrokken blijft. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] het komende jaar nauwlettend volgt en dit uitbreidt als dat kan. Het belang van [minderjarige 1] is daarin leidend.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 21 april 2027;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 21 april 2027;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikelen 1:255, 1:260, 1:265b en 1:265c BW.