Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
regio Rotterdam-Dordrecht,
1.Het (verdere) verloop van de procedure
- de moeder en haar advocaat;
- vader;
2.De feiten
3.Het (aangehouden) verzoek van de Raad
4.Het standpunt van de GI
5.Het standpunt van de moeder
6.De informatie van de vader
7.De beoordeling
Tijdens de opname is een achterstand op de sociaal emotionele ontwikkeling gezien bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , evenals een spraak- en taalachterstand. Het gebrek aan liefde, emotionele beschikbaarheid en stimulans in de sociaal emotionele ontwikkeling is niet te ondervangen met ambulante hulpverlening dan wel 24 uurs zorg. Er wordt een uithuisplaatsing in een perspectiefbiedend pleeggezin geadviseerd, met moeder die op afstand betrokken blijft.” Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de omgang tussen de moeder, de vader (die ook de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is) en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , die nu 9 en 12 jaar oud zijn, tot op heden wordt begeleid, omdat de ouders die begeleiding nodig hebben. Over de mogelijkheden van de ouders om zelfstandig de verzorging en opvoeding van een kind te kunnen dragen, zijn ook zorgen geuit door de verpleging van het ziekenhuis waar [minderjarige 1] de eerste weken na zijn geboorte met de moeder heeft verbleven. Gezien werd dat de moeder weinig eigen initiatief liet zien in de zorg voor en betrokkenheid bij [minderjarige 1] . Hier werd na verloop van tijd ook geen verandering in gezien. De verpleging heeft de moeder blijvend moeten ondersteunen bij de verzorging van [minderjarige 1] . Ook het troosten van [minderjarige 1] gebeurde niet op eigen initiatief van de moeder. Volgens de verpleging is het geen onwil, maar onvermogen. Dit wordt ook gezien tijdens de (weinige) omgangsmomenten die de ouders met [minderjarige 1] hebben gehad sinds de plaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat de ouders het liefst zelf voor [minderjarige 1] willen zorgen, ziet de kinderrechter daar op dit moment niet de mogelijkheid toe. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom nodig. [minderjarige 1] verblijft samen met [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in een pleeggezin en ontwikkelt zich daar goed. Hij is op dit moment het meest gebaat bij voortduring van zijn verblijf daar.
8.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.