ECLI:NL:RBROT:2026:6442

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
C/10/705662 / JE RK 25-1763
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1265b BWArt. 1:1265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van prematuur geboren minderjarige in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een prematuur geboren minderjarige die sinds kort in een perspectiefbiedend pleeggezin verblijft. De moeder heeft eenhoofdig ouderlijk gezag, de vader heeft het kind niet erkend. De kinderrechter had eerder een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verleend.

De Raad en de gezinsvoogd (GI) stellen dat verlenging noodzakelijk is omdat de moeder verstandelijk beperkt is, praktische ondersteuning nodig heeft en gezondheidsproblemen ondervindt die haar functioneren beperken. De omgang tussen ouders en kind verloopt moeizaam en de ouders tonen onvoldoende initiatief. Een opname in een moeder-kindvoorziening wordt niet als kansrijk gezien.

De moeder verzet zich niet tegen verlenging, maar wel tegen de duur ervan en pleit voor een kortere periode van drie maanden. De vader steunt de moeder en geeft aan dat contact met de Raad moeizaam verloopt vanwege nare herinneringen. De kinderrechter oordeelt dat verlenging tot 7 oktober 2026 in het belang is van het kind, gezien de kwetsbaarheid, de leerbaarheid van de ouders en de noodzaak van stabiliteit. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 7 oktober 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/705662 / JE RK 25-1763
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. H. van der Heide-Boertien, kantoorhoudende in Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[vader] ,
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 oktober 2025. Daarbij is op een deel van het verzoek van de Raad beslist. De beslissing op het resterende deel is uitgesteld.
1.2.
Op 2 maart 2026 is ontvangen de briefrapportage (met bijlagen) van de Raad van diezelfde datum.
1.3.
Op 9 april 2026 zijn ontvangen de pleitaantekeningen van de advocaat van de moeder, met bijlagen.
1.4.
Op 9 april 2026 is de zitting (met gesloten deuren) voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [vertegenwoordiger 2] .
1.5.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan de begeleider van de moeder, [persoon A] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De vader heeft [minderjarige 1] niet erkend.
2.2.
Op 10 juli 2025 is [minderjarige 1] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Vervolgens is, op verzoek van de Raad, een reguliere ondertoezichtstelling uitgesproken. Deze loopt tot 7 oktober 2026.
2.3.
Op 4 augustus 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging is daarna verlengd en geldt nu tot 10 april 2026.
2.4.
[minderjarige 1] verblijft in perspectiefbiedend pleeggezin.

3.Het (aangehouden) verzoek van de Raad

3.1.
De Raad heeft (onder meer) verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er is al beslist op de periode tot 10 april 2026. Nu moet nog worden beslist over de periode van 10 april 2026 tot 7 oktober 2026.
3.2.
De Raad heeft het resterende deel van het verzoek ter zitting – samengevat – toegelicht als volgt. In de afgelopen periode heeft de Raad pogingen gedaan om met de ouders in gesprek te gaan, maar dat is niet gelukt. De Raad heeft vervolgens per e-mail vragen gesteld aan de ouders en de advocaat, maar ook daar is geen reactie op gekomen. De Raad heeft wel informatie gekregen van de GI. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is nodig, omdat de moeder onvoldoende in staat is om zelfstandig voor [minderjarige 1] te zorgen. De moeder heeft zelf ondersteuning nodig. Bovendien heeft zij veel pijnklachten die haar functioneren beperken. Een opname van [minderjarige 1] en de moeder in een moeder-kindvoorziening is niet in het belang van [minderjarige 1] . Gezien het verloop van de bezoeken tot nu toe, valt niet te verwachten dat dit kans van slagen heeft.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI staat achter een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. [minderjarige 1] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. Wel heeft hij een achterstand, doordat hij prematuur geboren is. De omgang tussen [minderjarige 1] en de ouders verloopt moeizaam. Bezoeken van de ouders aan [minderjarige 1] zijn door de ouders afgezegd. De moeder heeft te kennen gegeven dat zij door gezondheidsproblemen niet lang kan reizen. Hierdoor zijn er niet veel omgangsmomenten geweest. De ouders komen wel naar de omgangsmomenten in Rotterdam. Dat is op loopafstand van de woning van de moeder. Aankomende week wordt besproken of uitbreiding hiervan mogelijk is. De GI heeft meerdere keren bij de moeder erop aangedrongen om met haar gezondheidsproblemen naar de huisarts te gaan. Onduidelijk is of zij dat heeft gedaan. Op basis van de omgangsmomenten die wel hebben plaatsgevonden, is de GI van mening dat een thuisplaatsing van [minderjarige 1] niet haalbaar is. De ouders doen hun best, maar nemen geen initiatief. Zij moeten worden aangestuurd. De GI heeft niet meer ingezet op een opname van [minderjarige 1] en de moeder in een moeder-kindvoorziening, omdat de GI [minderjarige 1] alleen uit het pleeggezin wil halen als die opname een grote kans van slagen heeft. Gezien het verloop van de omgang tot nu toe, kan niet worden gezegd dat dit zo is. De omgang wordt begeleid door de jeugdbeschermer. De bedoeling is dat een gespecialiseerde instelling dit overneemt.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
De moeder verzet zich niet tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar wel tegen de verzochte duur daarvan. Door en namens de moeder is ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De opdracht was om de moeder samen met [minderjarige 1] in een moeder-kindvoorziening te plaatsen, zodat kan worden bezien wat de moeder wel en niet kan. De GI heeft die opdracht niet uitgevoerd. Dat de ouders veel bezoeken hebben afgezegd, komt door de gezondheidsproblemen van de moeder. Zij heeft sinds de keizersnee last van darmkrampen en kan daardoor niet lang reizen. [minderjarige 1] is echter niet meer de kwetsbare baby die hij was en zou één keer per week naar [woonplaats] moeten kunnen komen, zodat de ouders en hij wekelijks omgang met elkaar kunnen hebben. Dat staat evenwel los van de opdracht om de moeder samen met [minderjarige 1] in een moeder-kindvoorziening te plaatsen. De ouders moeten een kans krijgen. [minderjarige 1] verblijft nu al meer dan een half jaar in het pleeggezin. Er moeten op korte termijn stappen worden gezet. Verzocht wordt daarom de verlenging te beperken tot een periode van drie maanden.

6.De informatie van de vader

6.1.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij achter de moeder staat. Het is de moeder en hem niet gelukt om opnieuw met de Raad in gesprek te gaan, omdat contact met de Raad nare herinneringen bij hen oproept.

7.De beoordeling

7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter verlengt de machtiging met de verzochte duur, dus tot 7 oktober 2026, en legt hierna uit waarom.
7.2.
De nu negen maanden oude [minderjarige 1] is een paar weken na zijn geboorte in een pleeggezin geplaatst. Dat was omdat in het ziekenhuis werd gezien dat de moeder niet genoeg initiatief nam en niet genoeg betrokkenheid toonde bij de verzorging van [minderjarige 1] , terwijl [minderjarige 1] als prematuur geboren baby nog kwetsbaarder was dan een gemiddelde baby. Ook speelde mee dat de ouders, van wie de andere kinderen eerder al uit huis zijn geplaatst en onder voogdij van de GI staan, onvoldoende leerbaar leken. De Raad heeft vervolgens onderzoek gedaan. Hieruit is naar voren gekomen dat de moeder verstandelijk beperkt is, dat zij praktische ondersteuning nodig heeft op meerdere leefgebieden en dat zij onvoldoende leerbaar is. De vader is vanwege zijn werk niet altijd beschikbaar en daarnaast zijn er zorgen over zijn agressieregulatie. Omdat er hierdoor nog steeds grote zorgen waren over de opvoedvaardigheden van de ouders, is de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin op 7 oktober 2025 verlengd.
7.3.
Op de zitting van 7 oktober 2025 heeft de jeugdbeschermer te kennen gegeven dat zij op zoek is gegaan naar een moeder-kindhuis, dat het nog niet gelukt is om een geschikte plek te vinden, en dat daarvoor ook meer informatie uit de bezoeken nodig is, omdat een eventuele verplaatsing van [minderjarige 1] wel kans van slagen moet hebben. Uit de beschikking van 7 oktober 2025 blijkt niet, zoals namens de moeder is gesteld, dat aan de GI de opdracht is gegeven om de moeder samen met [minderjarige 1] in een moeder-kindvoorziening te plaatsen. In de beschikking staat slechts dat de GI zich in de komende periode zal inzetten om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden van de ouders, waarbij ook een opname in een moeder-kindvoorziening onderzocht wordt. Met de Raad en de GI is de kinderrechter eens dat [minderjarige 1] alleen moet worden overgeplaatst van het pleeggezin naar een moeder-kindvoorziening als dit kans van slagen heeft. Een kind, zeker een prematuur geboren baby, is immers gebaat bij continuïteit en stabiliteit. Zo lang er nog te veel twijfels zijn over de leerbaarheid van de moeder, en daarmee over de mogelijkheden van de moeder om op enig moment zelfstandig de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen, is een overplaatsing dus niet in het belang van [minderjarige 1] . Die twijfels zijn nog niet weggenomen. De vier oudere kinderen van de moeder zijn een aantal jaren geleden uit huis geplaatst. Uit het onderzoek dat de Raad in 2025 heeft gedaan blijkt dat er in 2018 een gezinsopname is geweest van de moeder en de jongste twee kinderen, die toen 2 en 4 jaar oud waren. Hierover staat in het raadsrapport van 25 augustus 2025: “
Tijdens de opname is een achterstand op de sociaal emotionele ontwikkeling gezien bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , evenals een spraak- en taalachterstand. Het gebrek aan liefde, emotionele beschikbaarheid en stimulans in de sociaal emotionele ontwikkeling is niet te ondervangen met ambulante hulpverlening dan wel 24 uurs zorg. Er wordt een uithuisplaatsing in een perspectiefbiedend pleeggezin geadviseerd, met moeder die op afstand betrokken blijft.” Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de omgang tussen de moeder, de vader (die ook de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is) en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , die nu 9 en 12 jaar oud zijn, tot op heden wordt begeleid, omdat de ouders die begeleiding nodig hebben. Over de mogelijkheden van de ouders om zelfstandig de verzorging en opvoeding van een kind te kunnen dragen, zijn ook zorgen geuit door de verpleging van het ziekenhuis waar [minderjarige 1] de eerste weken na zijn geboorte met de moeder heeft verbleven. Gezien werd dat de moeder weinig eigen initiatief liet zien in de zorg voor en betrokkenheid bij [minderjarige 1] . Hier werd na verloop van tijd ook geen verandering in gezien. De verpleging heeft de moeder blijvend moeten ondersteunen bij de verzorging van [minderjarige 1] . Ook het troosten van [minderjarige 1] gebeurde niet op eigen initiatief van de moeder. Volgens de verpleging is het geen onwil, maar onvermogen. Dit wordt ook gezien tijdens de (weinige) omgangsmomenten die de ouders met [minderjarige 1] hebben gehad sinds de plaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat de ouders het liefst zelf voor [minderjarige 1] willen zorgen, ziet de kinderrechter daar op dit moment niet de mogelijkheid toe. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom nodig. [minderjarige 1] verblijft samen met [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in een pleeggezin en ontwikkelt zich daar goed. Hij is op dit moment het meest gebaat bij voortduring van zijn verblijf daar.
7.4.
Voor de komende periode is van belang dat wordt nagegaan of uitbreiding van de omgang tussen de ouders en [minderjarige 1] mogelijk is, dat een gespecialiseerde instelling de ouders gaat begeleiden bij de omgang en dat hierover verslag wordt uitgebracht, zodat kan worden beoordeeld of, en, zo ja, in welke mate, er sprake is van groei. Omdat niet te verwachten valt dat er binnen drie maanden meer duidelijkheid is, ziet de kinderrechter geen aanleiding om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot drie maanden.
7.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 7 oktober 2026;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers, en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikelen 1:1265b en 1:265c BW.