Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10;
- de zittingsoproep van de rechtbank van 9 oktober 2025;
3.De feiten
Interim Payment Certificate)met het verzoek om een factuur te sturen. Zodra RGS de IPC heeft ontvangen, verzendt zij een factuur voor de betreffende werkzaamheden. Vervolgens is Rizzani verplicht om binnen 30 kalenderdagen na factuurdatum tot betaling over te gaan. Indien Rizzani bezwaren heeft tegen een verzoek om afgifte van een IPC, dient zij deze binnen een termijn van 28 dagen kenbaar te maken. Ook is afgesproken dat Rizzani op iedere factuur 15% mag achterhouden tot het moment waarop de desbetreffende werkzaamheden zijn opgeleverd. RGS en Rizzani noemen dit gedeelte van 15% de “retentiebedragen”.
Composizione Negoziata della Crisi d’lmpresa(hierna: de CNC-procedure).
4.Het geschil
5.De beoordeling
inleiding
€ 699.800,07 en een retentiebedrag van € 99.415,68. Het hoofdsombedrag van € 699.800,07 is de optelsom van de volgende bedragen die betrekking hebben op de hieronder weergegeven IPC’s, zo volgt uit de gegevens van het hierboven in r.o. 5.6 genoemde overzicht:
IPC 10
€ 16.835,00 deel uit. Van het resterende factuurbedrag van € 260.102,96 heeft Rizzani een bedrag van € 105.344,07 betaald en dus een bedrag van € 154.758,89 onbetaald gelaten.
IPC 11
IPC inzake meerwerk
€ 283.619,70 heeft RGS zowel een primaire, een subsidiaire als een meer subsidiaire grond aangevoerd. Primair is zij van mening dat – samengevat – sprake is geweest van een expliciet verstrekte (mondelinge) meerwerkopdracht. Subsidiair meent RGS dat – samengevat – sprake is geweest van een stilzwijgende instemming met het meerwerk. Meer subsidiair voert RGS - samengevat - aan dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de “meerwerkzaamheden” waren goedgekeurd door Rizzani als bedoeld in artikel 3:33 BW Pro in verbinding met artikel 3:35 BW Pro, mede in het licht van artikel 6:248 BW Pro.
excavation and disposal of excavated sandvoor een bedrag van € 165.000,00 (ex btw). Nadien heeft RGS per e-mail van 6 augustus 2024 contact gehad over tegenvallers bij de werkzaamheden - die toen werden uitgevoerd. Zij bood zij Rizzani toen de keuze om i) kosten te voorkomen door de werkzaamheden uit te stellen, of ii) door te gaan, waarbij extra kosten werden belast. Per e-mail van dezelfde dag reageert Rizzani: ”
We cannot postpone any excavation in this special moment, we can’t come with any solution if we don’t know what we are facing during excavation, is better not to stop and face the issues during excavation and come with solutions”.Rizzani wilde dus dat RGS doorging met deze werkzaamheden. Ten aanzien van extra werk inzake
Mezzanini floorschrijft Rizzani in haar e-mail van 28 oktober 2024 in reactie op een e-mail van RGS: “
You have this information since 14/06/2024 (and repeated no earlier than 2 weeks ago), in addition 1 already confirmed you to proceed both verbally (more than one time) and by email on 18/10/2024 (see attached emails), why are you still asking confirmation? Please confirm that you can complete, as promised, the demolition of this area down to GF by the 6th of November”. Ook hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat Rizzani heeft ingestemd met het uitvoeren van het meerwerk. Deze instemmende handelwijze van Rizzani gedurende de uitvoering van de werkzaamheden wordt ook bevestigd in de schriftelijke verklaring van de projectleider van RGS van 29 januari 2026. Rizzani is het gevorderde meerwerk van € 283.619,70 dan ook verschuldigd.
IPC’s inzake verhuur
het verweer van Rizzani dat zij recht heeft op een bedrag van € 250.000,00 vanwege beschadiging van onderdelen van het monument (en dat zij daarom mag verrekenen)
het verweer van Rizzani betreffende het door Veerkracht gelegde beslag
door RGS gevorderde retentiebedrag(en) van in totaal € 99.415,68
25.RETENTION
het verrekeningsverweer van Rizzani ter hoogte van € 188.378,59
tussenconclusie
verschuldigde rente
uitvoerbaarheid
inleiding
de hoofdsom ad € 310.292,19
Earth Works’. [bedrijf 1] vordert deze vergoeding primair als oorspronkelijk overeengekomen vergoeding en subsidiair als meerwerk. Nadat Rizzani hier tegenin had gebracht (i) dat zij dit bedrag niet verschuldigd is omdat een
lump sumwas overeengekomen, waarvan dit bedrag geen deel uitmaakt, én (ii) dat [bedrijf 1] heeft nagelaten om een specifieke meerwerkopdracht te vragen, is dit alles op de zitting door RGS c.s. gemotiveerd weersproken. Zo is door RGS c.s. op de zitting aangevoerd dat er geen afzonderlijke schriftelijke meerwerkopdracht van Rizzani vereist was en dat het tussen partijen niet gebruikelijk was om voor iedere aanvullende werkzaamheid formeel een meerwerkopdracht te verstrekken. Door Rizzani is dit op zitting vervolgens niet meer betwist. De verschuldigdheid door Rizzani van dit bedrag is dus komen vast te staan, zodat het zal worden toegewezen.
Equipment used for Measured Work’. [bedrijf 1] stelt dat Rizzani dit bedrag verschuldigd is, maar heeft dit niet concreet onderbouwd na de betwisting door Rizzani. Rizzani heeft immers, onder verwijzing naar stukken, aangevoerd dat zij voor deze post (slechts) € 44.008,40 verschuldigd is. De enkele verwijzing door [bedrijf 1] naar producties zonder dat deze van enige inhoudelijke toelichting worden voorzien, is daarvoor onvoldoende. Het is niet aan de rechtbank om in die producties op te zoek te gaan naar de onderbouwing voor de stelling van [bedrijf 1] en de weerlegging van de betwisting door Rizzani dat (slechts) € 44.008,40 verschuldigd is. Van [bedrijf 1] had meer verwacht mogen worden van haar (nadere) stelplicht op dit punt. De rechtbank stelt vast dat partijen het in ieder geval er over eens zijn dat een bedrag van € 44.008,40 toewijsbaar is. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
door [bedrijf 1] gevorderde retentiebedrag(en) van (in totaal) € 217.980,01
tussenconclusie
verschuldigde rente
uitvoerbaarheid
Concordato preventivo-procedure – zoals genoemd in bijlage A van de EU Insolventieverordening ((EU) 2015/848). Het bepaalde in genoemde beschikking leidt tot automatische erkenning ervan in Nederland (ook van de beschermende maatregelen).
Concordato preventivoleidt er niet toe dat de ten tijde daarvan al gelegde conservatoire beslagen ten laste van Rizzani moeten worden opgeheven (zie hierna in reconventie). Een plicht tot opheffing van die beslagen volgt niet uit de Italiaanse wetgeving en past evenmin bij de aard van de beschermende maatregelen, het doel ervan en het doel van de EU Insolventieverordening ((EU) 2015/848). De afgekondigde beschermingsmaatregelen betekenen wél een bevriezing van de toestand op dat moment – als gevolg waarvan de al gelegde conservatoire beslagen niet mogen niet worden voortgezet. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat zolang de betreffende beschermingsmaatregelen van kracht zijn, dit vonnis niet ten uitvoer mag worden gelegd en de conservatoire beslagen dus niet mogen worden uitgewonnen in het kader van een executie. Als gevolg van de bevriezing wordt het vermogen van Rizzani niet aangetast. Daarmee wordt het doel van de beschermingsmaatregelen gediend zonder dat RGS c.s. hun zekerheid in de vorm van het conservatoire beslag kwijt zijn. Het is immers op voorhand niet duidelijk of de beschermingsmaatregelen worden verlengd.
Concordato preventivo. Dit staat overigens nog los van de vraag of de CNC-procedure, althans de daaruit volgende beschikkingen, in Nederland gelding hebben gehad nu die procedure niet wordt genoemd in Bijlage A van de Insolventieverordening ((EU) 2015/848).
6.De beslissing
901/3455/2334/3407