ECLI:NL:RBROT:2026:637
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- S. Veling
- W.D.F. Oskam
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid van de rechtbank in inzageverzoek en voorlopige voorziening
In deze zaak heeft verzoekster op 4 september 2025 een aanvraag ingediend voor inzage in haar dossier bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college heeft op 7 november 2025 een deel van het dossier aan verzoekster overhandigd. Verzoekster was echter niet tevreden met de afhandeling van haar inzageverzoek en heeft beroep ingesteld, waarbij zij tevens een voorlopige voorziening heeft gevraagd. De mondelinge behandeling vond plaats op 8 januari 2026, waarbij zowel verzoekster als de gemachtigde van het college aanwezig waren.
De voorzieningenrechter heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat er geen schriftelijke beslissing is genomen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Het college heeft betoogd dat het verzoek van verzoekster niet kan worden gezien als een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming, en dat de beslissing op het inzageverzoek geen besluit is in de zin van de Awb. De voorzieningenrechter heeft deze stelling onderschreven en geconcludeerd dat het feitelijk ter beschikking stellen van het dossier niet gelijkgesteld kan worden met een schriftelijke beslissing.
Als gevolg van de onbevoegdheid van de rechtbank, is ook de voorzieningenrechter onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening. De uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, in aanwezigheid van griffier mr. W.D.F. Oskam, en is openbaar uitgesproken op 23 januari 2026. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheden voor hoger beroep.