Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1..[persoon A] ,
4.
[persoon D],
5.[persoon E],
1..[persoon F] ,
2.[persoon G],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten, voor zover van belang in het incident
De Vennoot aan wie het recht tot voortzetting toekomt dient, indien de Overeenkomst is opgezegd, aanspraak te maken op zijn recht tot voorzetting binnen de opzegtermijn.
Indien de Overeenkomst door een andere omstandigheid is beëindigd, moet de Vennoot aan wie het recht tot voortzetting toekomt aanspraak maken op zijn recht binnen zes maanden na beëindiging van de Overeenkomst. Op het recht tot voortzetting moet aanspraak gemaakt worden door de medevennoot of diens rechtverkrijgenden hiervan schriftelijk in kennis te stellen. Wordt niet tijdig aanspraak gemaakt op het recht tot voortzetting door de Vennoot aan wie dit recht toekomt, vervalt het recht ten aanzien van de betreffende Vennoot bij het verstrijken van de hiervoor bepaalde termijn.
4.Het geschil in de hoofdzaak
5.Het geschil in het incident
6.De beoordeling in het incident
De Vennoot aan wie één van de hiervoor vermelde feiten kan worden toegerekend, wordt geacht uit de vennootschap te zijn getreden.” Op grond van artikel 15.2 worden [naam 1] c.s. daarom geacht uit de vof te zijn getreden. Daarmee komt geen definitief einde aan “de Overeenkomst”. De vof bestond na die opzegging immers nog uit drie vennoten, namelijk [naam 6] c.s.
binnen veertien dagen na 13 mei 2026door middel van een B5-formulier opgave te doen van de verhinderdata aan hun zijde in de
maanden augustus, september, oktober en november 2026. De rechtbank verzoekt partijen om in dit B5-formulier tevens aan te geven met hoeveel personen (dus inclusief advocaten) zij van plan zijn naar de zitting te komen.
7.Het verdere verloop van de hoofdzaak
8.De beslissing
binnen veertien dagen na 13 mei 2026door middel van een B5-formulier opgave dienen te doen van de verhinderdata aan hun zijde in de
maanden augustus, september, oktober en november 2026;
[3893/1729]