Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6341

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/10/717403 / KG ZA 26-311
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 lid 1 RvArt. 556 lid 1 RvArt. 557 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis kort geding over ontruiming echtelijke woning na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben twee minderjarige kinderen. Na het verlaten van de woning door de man en een echtscheidingsprocedure is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben en dat de woning voorwaardelijk aan hem wordt toegedeeld. De vrouw verbleef tot dan toe in de woning en wilde het aandeel van de man overnemen.

De man vordert in kort geding dat de vrouw de woning verlaat zodat hij met de kinderen kan verblijven en de verkoop kan starten. De vrouw vordert in reconventie dat de man medewerking verleent aan de overdracht van zijn aandeel aan haar. De rechtbank overweegt dat de beslissing in kort geding moet aansluiten bij de bodemprocedure en dat de vordering van de man in overeenstemming is met de echtscheidingsbeschikking.

De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij binnen de gestelde termijn de financiering rond kan krijgen. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de vordering van de man en afwijzing van de vordering van de vrouw. De vrouw wordt veroordeeld de woning binnen zeven dagen na betekening te verlaten. Proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld de woning binnen zeven dagen te verlaten; haar vorderingen tot overdracht worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717403 / KG ZA 26-311
Vonnis in kort geding van 22 mei 2026
in de zaak van
[naam man],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Kemmers te Hoorn,
tegen
[naam vrouw],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.R. Arema te Rotterdam.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Gedurende die procedure verbleef de vrouw in de voormalig echtelijke woning, samen met de twee minderjarige kinderen van partijen. De man had de woning verlaten. Later heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken, bepaald dat de kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij de man hebben en dat de echtelijke woning voorwaardelijk aan de man wordt toegedeeld. In de beschikking is verder bepaald dat, indien de man de woning niet kan of wil overnemen, de vrouw drie maanden de tijd heeft om het aandeel van de man over te nemen, en als dat niet lukt de woning moet worden verkocht. De man kon het aandeel van de vrouw in de woning niet overnemen en de termijn van drie maanden die voor de vrouw gold, is verstreken. De man vordert in conventie dat de vrouw de woning verlaat, zodat hij met de kinderen in de woning kan verblijven en de verkoop van de woning aan een derde in gang kan zetten. De vrouw wenst nog steeds de woning over te nemen en verzoekt om meer tijd. Zij vordert in reconventie dat de man medewerking verleent aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan haar.
1.2.
Uitgangspunt is dat een beslissing in kort geding moet worden afgestemd op de overwegingen en de beslissing in de bodemprocedure. Wat de man vordert, is in overeenstemming met de bepalingen in de echtscheidingsbeschikking. Een belangenafweging valt uit in het voordeel van de man. De vordering van de man wordt deels toegewezen. De vordering van de vrouw in reconventie wordt afgewezen.

2.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 april 2026;
- de 10 producties van de man;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;
- de 8 producties van de vrouw;
- de mondelinge behandeling op 8 mei 2026;
- de pleitnota van de man.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn op 14 juli 2006 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, die nu nog minderjarig zijn.
3.2.
Partijen zijn, ieder voor de helft, eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] in Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: de woning).
3.3.
Medio 2024 heeft de man de woning verlaten.
3.4.
Op 17 oktober 2024 heeft de man bij deze rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend. Partijen zijn vervolgens onder meer overeengekomen dat de vrouw met uitsluiting van de man in de woning verblijft en dat de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd. De afspraken zijn, in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure, opgenomen in de beschikking van 23 januari 2025 van deze rechtbank.
3.5.
Bij beschikking van 17 december 2025 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder heeft de rechtbank (uitvoerbaar bij voorraad) onder meer bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn en dat de woning voorwaardelijk aan de man wordt toegedeeld. In de beschikking staat daarover:
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
(…)
3.1.11.
De minderjarigen zijn voorlopig toevertrouwd aan de vrouw. Het uitgangspunt is dat door de echtscheiding zo min mogelijk verandering wordt aangebracht in hun leven, omdat dat in het algemeen in het belang is van de kinderen. Echter, de rechtbank constateert dat beide minderjarigen hebben aangegeven dat ze graag bij hun vader willen wonen. Gelet op hun leeftijden kent de rechtbank aan hun meningen veel gewicht toe. Uit de stukken is gebleken dat er al gedurende langere tijd spanningen zijn tussen de vrouw en (vooral) [naam dochter], en soms ook met [naam zoon], en dat hiervoor tot op heden geen goede oplossing gevonden lijkt te zijn.
3.1.12.
Zoals ook de raad tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht hebben de minderjarigen behoefte aan rust en duidelijkheid. Volgens de vrouw krijgen ze dat bij haar, omdat zij in verband met werk vaker dan de man thuis is en zij meer betrokken is bij de minderjarigen dan de man. De man wil die rust bieden door de minderjarigen in de voor hen vertrouwde omgeving te laten opgroeien en heeft dan ook in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen verzocht om toedeling van de echtelijke woning aan hem. Zoals hieronder zal blijken, zal de rechtbank de woning dan ook (eerst, en voorwaardelijk) aan hem toedelen, waarmee, de kans groot is dat hij hier met de minderjarigen kan blijven wonen. Het argument van de vrouw dat zij vaker dan de man thuis is voor de minderjarigen acht de rechtbank onvoldoende en ook minder relevant omdat
de minderjarigen vanwege hun leeftijden al redelijk zelfstandig zijn. Hetzelfde geldt voor haar argument dat de man op afstand is gaan wonen en daardoor volgens haar minder betrokken is bij de minderjarigen.
3.1.13.
Het voorgaande in onderling samenhang bezien, is het in het belang van de minderjarigen dat zij hun hoofdverblijfplaats hebben bij de man, zodat zijn verzoek daartoe zal worden toegewezen.
(…)
De echtelijke woning
3.4.17.
Zowel de man als de vrouw wenst de woning toegedeeld te krijgen. Omdat partijen het niet eens zijn over de waarde van de woning, is de rechtbank van oordeel dat de woning eerst getaxeerd moet worden. (…) Vervolgens delen partijen over en weer aan elkaar mee, binnen twee weken na de taxatie, of zij de woning toegedeeld willen krijgen voor de getaxeerde waarde.
Wanneer beide partijen dat willen, zal de woning voor die waarde worden toegedeeld aan de man, (…). De rechtbank kiest voor de man, omdat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem
wordt bepaald en hij vanwege zijn inkomen een aanzienlijk grotere kans heeft om de
woning te kunnen financieren. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het in
het belang van partijen en de minderjarigen is dat zo snel mogelijk duidelijkheid komt over
de woonsituatie.
3.4.18.
Wanneer de man de woning niet toebedeeld wil krijgen of het hem niet lukt om de financiering tijdig rond te krijgen, dan zal de woning onder dezelfde voorwaarden worden toegedeeld aan de vrouw, wanneer zij dat op dat moment wenst, onder de voorwaarde dat zij de financiering rond krijgt, zodanig dat de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening wordt ontslagen. De vrouw heeft een termijn van drie maanden voor het vinden van de financiering, gerekend vanaf het moment waarop de man heeft laten weten de woning niet te willen overnemen of, in voorkomend geval, het moment waarop de termijn verstrijkt voor de man om zijn financiering te regelen. Wanneer de vrouw de woning niet wil of niet tijdig kan overnemen, moet de woning verkocht worden.
(…)
3.6.
Voortgezet gebruik woning en gebruiksvergoeding
(…)
3.6.5.
De rechtbank oordeelt als volgt. De man heeft de woning op 15 juli 2024 verlaten en heeft er later dat jaar mee ingestemd dat de vrouw in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure voorlopig samen met de minderjarigen in de woning mocht verblijven voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Dit maakt dat de man al bijna anderhalf jaar geen gebruik kan maken van (zijn aandeel in) de echtelijke woning. Zoals hierboven reeds overwogen, wordt de woning in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen (voorwaardelijk) toegedeeld aan de man. De rechtbank acht de kans groot dat de man aan de gestelde voorwaarden kan voldoen, zodat verwacht wordt dat de woning aan hem wordt toegedeeld. De rechtbank heeft ook bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de man en het wordt in hun belang geacht dat zij in een voor hen vertrouwde omgeving kunnen blijven. Toewijzing van het verzoek van de vrouw tot het voortgezet gebruik van de woning zou maken dat de minderjarigen gedurende zes maanden elders moeten wonen. Dit acht de rechtbank niet in hun belang. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen.
3.6.6.
Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat, zoals de man heeft aangevoerd, de vrouw in de afgelopen anderhalf jaar weinig actie heeft ondernomen om een andere woning te bemachtigen en zij na het wijzen van deze beschikking nog een aantal maanden in de woning zal kunnen verblijven. Partijen hebben immers zes maanden de tijd om deze echtscheidingsbeschikking in te laten schrijven in de daartoe bestemde registers.”
3.6.
Op 16 maart 2026 heeft de vrouw bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 17 december 2025 voor wat betreft de beslissing dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man zullen hebben.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw te veroordelen om de woning binnen 24 uur na afgifte vonnis te verlaten onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 50.000,- waarbij voorts wordt bepaald dat de man vanaf 24 uur na afgifte vonnis met uitsluiting van de vrouw in genoemde woning verblijft;
de vrouw te veroordelen in de door de man gemaakte proceskosten.
4.2.
De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3.
De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
te man te gebieden zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn onverdeelde helft van de woning aan de vrouw, door ondertekening van de akte van levering, en dat, indien de man binnen één week na een eerste verzoek daartoe van de notaris, zijn medewerking niet verleent aan de ondertekening van deze akte van levering ten behoeve van de overdracht van zijn onverdeelde helft in de woning aan de vrouw, het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man;
de man te gebieden de woning en het bijbehorende erf niet te betreden zolang de vrouw daar woonachtig is;
de man te veroordelen in de kosten van het geding.
4.4.
De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.

5.De beoordeling

In conventie
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
5.2.
Op 17 december 2025 heeft deze rechtbank een beschikking gegeven die bindend is voor partijen. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben (r.o. 3.1.11. t/m 3.1.13. van de beschikking). Om die reden en vanwege het inkomen van de man, heeft de rechtbank de woning voorwaardelijk toegedeeld aan de man (r.o. 3.4.17. van de beschikking) en vervolgens bepaald dat het voortgezet gebruik van de woning bij de man komt te liggen (r.o. 3.6.5. van de beschikking).
5.3.
De voorzieningenrechter moet haar beslissing over de gevraagde voorlopige voorziening in beginsel afstemmen op de overwegingen en de beslissing in die bodemprocedure, en kan daarbij niet vooruit lopen op het hoger beroep. De vordering van de man houdt in dat de vrouw de woning verlaat, zodat de man samen met de kinderen in de woning kan verblijven en de verkoop van de woning aan een derde in gang kan zetten. Die situatie is in overeenstemming met de bepalingen in de beschikking. Dat betekent dat de – naar de voorzieningenrechter begrijpt – gevorderde gedeeltelijke ontruiming van de woning door de vrouw voor toewijzing gereed ligt.
5.4.
Een belangenafweging maakt dat niet anders.
5.5.
De vrouw betoogt dat zij in staat is het aandeel van de man in de woning over te nemen en dat de aanvraag van de hypotheek nu in behandeling is bij de bank, zodat zij meer tijd nodig heeft om de financiering rond te krijgen. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om de gevorderde ontruiming af te wijzen. De man heeft onweersproken gesteld dat hij op 23 januari 2026 aan de vrouw heeft laten weten dat hij de woning niet kon overnemen. Daarmee ging de termijn van drie maanden in, waarin de vrouw de gelegenheid had om de overname van het aandeel van de man in de woning te regelen (r.o. 3.4.18. van de beschikking). Nog daargelaten dat die termijn is verstreken, heeft de vrouw voorshands onvoldoende aangetoond dat zij financieel in staat is de woning op korte termijn over te nemen. De man merkt terecht op dat de overgelegde loonstrook en de hypotheekaanvraag van de vrouw vragen oproepen. De hypotheekaanvraag bij de Rabobank is pas op 6 mei 2026 ingediend (dus na het verstrijken van de termijn), en niet bekend is welke financiële stukken de vrouw daarvoor heeft overgelegd en welk hypotheekbedrag zij heeft aangevraagd. Het lag op de weg van de vrouw om daar duidelijkheid in te scheppen. Verder vraagt de man zich af hoe een nieuwe functie met ingang van 1 april 2026 en met een bruto maandsalaris van € 11.275,- zich verhoudt tot de omstandigheid dat de vrouw chronisch ziek is of is geweest, en dat zij vóór haar ziekteperiode geen vergelijkbaar inkomen verdiende. De vrouw heeft daarvoor geen afdoende verklaring gegeven.
5.6.
Ook de mogelijke omstandigheid dat de vrouw er wel in slaagt om de financiering rond te krijgen en het aandeel van de man in de woning over te nemen, vormt geen reden om de huidige situatie in stand te houden, dit met het oog op het belang van de kinderen.
De rechtbank heeft in r.o. 3.1.13. van de beschikking expliciet en gemotiveerd overwogen dat het in het belang van de kinderen is om het hoofdverblijf bij de man te hebben. Dat onderstreept het belang van de man om in de woning te kunnen verblijven. De vrouw heeft haar zorgen geuit over het welzijn van de kinderen wanneer zij bij de man gaan verblijven, maar die gestelde zorgen zijn niet onderbouwd en rijmen niet met het feit dat de kinderen tegenover de rechtbank te kennen hebben gegeven dat zij graag bij de man willen wonen (r.o. 3.1.11. van de beschikking). Bovendien heeft de man toegezegd dat, als de vrouw de woning kan overnemen, hij zijn medewerking zal verlenen aan de overdracht en dat hij en de kinderen de woning op de overdrachtsdatum verlaten.
5.7.
Verder speelt een rol dat de man al sinds de zomer van 2024 uit de woning is, terwijl hij al die tijd de vaste lasten heeft betaald. De man stelt dat hij geen alternatieve woning kan vinden, juist omdat hij die vaste lasten draagt. Gezien het hoge salaris van de vrouw en het feit dat zij niet de vaste lasten van de woning betaalt, kan worden aangenomen dat zij beter in staat is om alternatieve woonruimte te vinden.
5.8.
Het voorgaande brengt met zich dat het (spoedeisende) belang van de man bij het hebben van het hoofdverblijf in de woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij de instandhouding van de situatie.
5.9.
De vrouw wordt daarom veroordeeld om de woning te verlaten. De gevorderde ontruimingstermijn van 24 uur na afgifte van het vonnis, wordt afgewezen. Bij een gedwongen ontruiming geldt minimaal een termijn van drie dagen na het bevel daartoe van de deurwaarder (artikel 555 lid 1 Rv Pro). De voorzieningenrechter bepaalt de ontruimingstermijn in redelijkheid op 7 dagen na de betekening van dit vonnis.
5.10.
De wet geeft aan de deurwaarder de bevoegdheid om een gedwongen (gehele of gedeeltelijke) ontruiming uit te voeren (artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 in Pro combinatie met artikel 444 Rv Pro). Daarbij kan de deurwaarder de hulp van politie en justitie inroepen. Onder die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen reden om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. De gevorderde dwangsom wordt dan ook afgewezen.
5.11.
De vordering om te bepalen dat de man met uitsluiting van de vrouw in de woning verblijft, heeft een declaratoir karakter en kan daarom niet in kort geding worden toegewezen. Daarnaast geldt dat de man geen belang heeft bij een dergelijke bepaling, omdat in de beschikking van 17 december 2025 al is beslist dat de woning aan de man wordt toegedeeld en het verzoek van de vrouw tot het voortgezet gebruik van de woning wordt afgewezen (r.o. 3.4.17. en 3.6.5. van de beschikking).
5.12.
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten in conventie tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In reconventie
5.13.
De overwegingen in conventie leiden ertoe dat er geen grondslag is om de man te gebieden medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw en de woning niet te betreden.
5.14.
De vorderingen in reconventie worden op alle onderdelen afgewezen.
5.15.
Ook in reconventie worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
6.1.
veroordeelt de vrouw om, binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis, de woning gelegen aan de [adres] in Nieuwerkerk aan den IJssel te verlaten;
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
2091 / 2009