Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6339

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/10/704165 / HA ZA 25-630
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4 NBUG 2006Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering vergoeding brandschade wegens risicowijziging en zorgplichtschending

PPT vorderde vergoeding van brandschade aan een bedrijfsgebouw op grond van een opstalverzekering tegen verzekeraars en een schadevergoeding wegens zorgplichtschending tegen haar assurantietussenpersoon SAA. Verzekeraars beriepen zich terecht op risicowijziging omdat het pand grotendeels leegstond en niet meer als kantoorgebouw werd gebruikt, wat niet was gemeld zoals vereist in de polisvoorwaarden. Hierdoor was slechts een beperkte uitkering verschuldigd.

De rechtbank oordeelde dat de polisvoorwaarden en de objectieve uitleg daarvan meebrengen dat gedeeltelijke leegstand en wijziging van bestemming een risicowijziging vormen. De feitelijke situatie van leegstand en onrechtmatig gebruik door derden was overtuigend vastgesteld in diverse rapporten en gesprekken. PPT had dit onvoldoende gemotiveerd betwist.

Ten aanzien van SAA stelde PPT dat zij onvoldoende had geïnformeerd en onvoldoende toezicht had gehouden. De rechtbank oordeelde dat SAA voorafgaand aan de verzekering redelijk had gehandeld en dat een eventueel nalaten in 2022/2023 geen causaal verband had met de schade, omdat de uitkering ook dan beperkt zou zijn geweest. Wel was SAA tekortgeschoten in het tijdig waarschuwen en begeleiden bij het beëindigen van de verzekering, maar ook hiervoor ontbrak causaal verband.

De vorderingen van PPT werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen van PPT worden afgewezen wegens risicowijziging en ontbreken causaal verband bij zorgplichtschending.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel & haven
Zaaknummer: C/10/704165 / HA ZA 25-630
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
PLASPOELPOLDER TWINS B.V.,
te Rotterdam,
advocaat: mr. M.S. Smit,
hierna te noemen: PPT,
eisende partij,
tegen

1.NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

te Den Haag,
advocaat: mr. J.M. Bruidegom,
2.
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
te Apeldoorn,
advocaat: mr. J.M. Bruidegom,
3.
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
te Utrecht,
advocaat: mr. J.M. Bruidegom,
hierna samen te noemen: Verzekeraars
4.
SAA VERZEKERINGEN B.V.,
te Rotterdam,
advocaat: mr. R. Bosman,
hierna te noemen: SAA,
gedaagde partijen.
de zaak in het kort
PPT vordert vergoeding van brandschade aan één van haar panden; jegens Verzekeraars op grond van de opstalverzekering en jegens SAA op grond van een zorgplichtschending. De rechtbank oordeelt dat Verzekeraars in dit geval terecht een beroep hebben gedaan op risicowijziging als bedoeld in de polisvoorwaarden, zodat zij niet meer schade hoeven te vergoeden dan zij al hebben gedaan. Ook de vorderingen jegens SAA worden afgewezen, deels omdat SAA niet heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht, deels omdat causaal verband tussen haar tekortkoming en de schade van PPT ontbreekt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 juli 2025, met producties 1 t/m 32;
- de conclusie van antwoord van Verzekeraars, met producties 1 t/m 5;
- de conclusie van antwoord van SAA, met producties 1 en 2;
- de akte met aanvullende producties van PPT, met producties 33a t/m 35b;
- de mondelinge behandeling van 13 april 2026 en de spreekaantekeningen van partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
PPT is sinds juni 2019 eigenaresse van het pand aan de [adres 1] en het pand aan de [adres 2] te Rijswijk. Het pand aan de [adres 2] betreft een bedrijfsgebouw van ongeveer 6.000 m² en bestaat uit een begane grond, een kelder en zes verdiepingen.
2.2.
PPT heeft aan SAA, haar assurantietussenpersoon, twee taxatierapporten van deze panden toegestuurd en aangegeven een opstalverzekering nodig te hebben. In het taxatierapport van het pand aan de [adres 1] staat een percentage leegstand vermeld van 59,1. In het taxatierapport van het pand aan de [adres 2] is dat percentage 0,0.
2.3.
SAA heeft bij e-mail van 6 augustus 2019 aan (de rechtsvoorganger van) gedaagde sub 1 (hierna: NN) verzocht een offerte uit te brengen voor een opstalverzekering. Bij dat verzoek heeft SAA als bestemming van beide panden “Kantoorgebouw, diverse huurders” vermeld en heeft zij niet de taxatierapporten meegestuurd.
2.4.
Op 7 augustus 2019 heeft NN een offerte aan SAA gestuurd, waarin als bestemming voor beide panden is vermeld “Kantoorgebouw met diverse huurders”. SAA heeft die offerte op 22 augustus 2019 aan PPT voorgelegd.
2.5.
PPT heeft van die offerte aanvankelijk geen gebruik gemaakt. Zij had in de tussentijd via een andere tussenpersoon, MultiCover, een “Uitgebreide gevaren verzekering” gesloten voor de panden. Op het polisblad van die verzekering is onder meer het volgende vermeld:
RISICO-ADRES
Sub A: [adres 1] […]
Sub A1: [adres 2] […]
RISICO OMSCHRIJVING
Sub A: Kantoor met deels leegstand
Sub A1: Kantoor
2.6.
Op 1 april 2020 heeft PPT wederom aan SAA gevraagd naar een opstalverzekering voor de beide panden. SAA heeft in reactie daarop gevraagd:
Kan jij mij nog even laten weten of er nog steeds sprake is van verhuur? Zo ja, allemaal kantoren? Gaan er wellicht renovatiewerkzaamheden plaatsvinden?
2.7.
PPT heeft daarop gereageerd:
Ja het wordt voor 90% als kantoorruimte verhuurd. Geen renovatie alleen onderhoud.
2.8.
Vervolgens heeft SAA aan NN gevraagd of zij haar eerdere offerte gestand kon doen. Daarbij vermeldde SAA dat de bestemming gelijkluidend was. NN heeft daarop bevestigend gereageerd.
2.9.
Op 28 september 2020 heeft SAA de panden bezocht samen met PPT. SAA heeft een dag later in haar gespreksverslag van dat bezoek aan PPT geschreven dat de panden uiterlijk per 1 januari 2021 verzekerd moesten zijn en dat zij daartoe zou navragen of de offerte uit 2019 nog gebruikt kan worden.
2.10.
SAA heeft Verzekeraars gevraagd of zij hun offerte gestand deden, welke vraag door Verzekeraars bevestigend is beantwoord. SAA heeft vervolgens op 29 december 2020 de offerte voorgelegd aan PPT en daarbij vermeld dat PPT voor SAA bezoekwaardig is, wat betekent dat PPT een vaste accountmanager moet hebben. PPT heeft de offerte ondertekend, waarna polis (op het polisblad staat “Brandverzekering”) is opgemaakt met als ingangsdatum 1 januari 2021.
2.11.
De opstalpolis is een beurspolis. NN heeft als leidende verzekeraar voor 35% ingetekend op het risico, Achmea en Corins B.V. (die laatste als gevolmachtigde van ASR) hebben als volgverzekeraars voor 35% respectievelijk 30% ingetekend. In de polis staat als bestemming van beide panden vermeld:

Kantoor
Kantoorgebouw met diverse huurders”.
2.12.
Op de polis zijn de NBUG 2006-voorwaarden van toepassing. Daarin is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 5 Bekendheid Pro en risicowijziging
[…]
5.4
Indien de/het op het polisblad vermelde:
- bestemming wijzigt, of
- verzekerdegevaarsobjecten
voor langer dan drie maanden buiten gebruik (zullen) zijn, of
-gebouw
voor langer dan drie maanden leeg staat (zal leegstaan), of
-gebouw
door krakers wordt gebruikt,
geldt datverzekerde
daarvan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden nadat hij van de bedoelde wijziging op de hoogte is, mededeling dient te doen aanverzekeraars
.
[…]
Alsverzekerde
verzuimt binnen de gestelde termijn mededeling te doen van de risicowijziging, hebbenverzekeraars
de mogelijkheid om de verzekering niet of op andere wijze voort te zetten als zij aannemelijk maken dat zij dit zouden hebben gedaan als zij van de risicowijziging in kennis waren gesteld. In dat geval geldt het volgende:
- indien de verzekering niet zou zijn voortgezet, vervalt alle recht op schadevergoeding;
- indien de verzekering alleen zou zijn voortgezet tegen gewijzigde premie en/of voorwaarden, wordt de schade vergoed in dezelfde verhouding als de premie van voor de risicowijziging ten opzichte van deze hogere premie voor zover er onder die gewijzigde voorwaarden dekking zou zijn geweest.
2.13.
Op 13 juli 2021 heeft SAA de panden weer bezocht met PPT. Van dat bezoek is geen gespreksverslag opgesteld.
2.14.
[naam huurder 1] (hierna: [naam huurder 1] ), een voormalige huurder van het pand aan de [adres 2] , is in de zomer van 2021 failliet verklaard.
2.15.
Op 29 november 2022 heeft onderzoeksbureau Denkstof B.V. (hierna: Denkstof) het pand aan de [adres 2] bezocht. In haar offerte met plan van aanpak voor de renovatie van het pand schrijft zij onder meer:
Het pand staat momenteel leeg, de installaties staan uit en het pand is op dit moment niet te verhuren vanwege achterstallig onderhoud en diefstal van koperen leidingen.
2.16.
In 2022 en 2023 is de polis stilzwijgend verlengd en ongewijzigd voortgezet.
2.17.
Op 27 september 2023 is brand uitgebroken in het pand aan de [adres 2] . In diverse nieuwsberichten over de brand staat beschreven dat het ging om een brand in een leegstaand kantoorpand.
2.18.
SAA heeft de brand namens PPT gemeld bij Verzekeraars, waarna NN de schademelding namens Verzekeraars in behandeling heeft genomen. NN heeft CED Forensic B.V. (hierna: CED) ingeschakeld om onderzoek te doen naar de oorzaak en toedracht van de schade, en EMB Expertise B.V. (hierna: EMN) om de omvang van de schade vast te stellen.
2.19.
Bij e-mail van 4 oktober 2023 aan SAA deelt de onderzoeker van CED de volgende conclusie:
Het pand wordt niet gebruikt als kantoorpand. Het pand staat voor een groot deel leeg en in de gang aan de achterzijde van het pand liggen diverse goederen verspreid over de grond. […]
Aan het eind van de gang aan de achterzijde van het pand bevindt zich het ontstaansgebied van de brand. In dit gebied trof ik meerdere butaangasbussen, een Fast Gas tank en ballonnen aan. Het vermoeden bestaat dat het pand door derden gebruikt werd/wordt als hangplek. […]
In de omgeving van de brandhaard is geen elektra aanwezig, waardoor een elektrotechnische oorzaak uitgesloten is als brandinleider (nutsvoorzieningen waren afgesloten).
De brand is ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van open vuur. Daarnaast werden door mij sporen van ontbrandbare vloeistoffen aangetroffen. Deuren van de gang richting de ontstaanslocatie van de brand waren niet afgesloten. Een brandstichting door een derde of derden kan door mij naar aanleiding van bovenstaande bevindingen niet worden uitgesloten.
2.20.
In het (voorlopige) rapport van EMN d.d. 9 oktober 2023 staat onder meer vermeld:
Ons werd medegedeeld dat het gebouw aan de [adres 2] wordt verhuurd aan antikraak organisatie Ad Hoc Zakelijk Beheer en aan een kringloopwinkel en in het verleden werd verhuurd aan [naam huurder 1] […] welk bedrijf op 1 september 2021 failliet werd verklaard. Het pand zou momenteel expliciet worden gebruikt voor de opslag van goederen en inventaris. De huurcontracten hebben wij opgevraagd.
Daarnaast zou Ffitness Centers B.V. het pand ook gebruiken voor de opslag van goederen en inventaris en begeleiden zij de verbouwing van het pand. Er zou een vergunning worden aangevraagd voor het verbouwen van het kantoorpand tot bedrijvenverzamelgebouw. Het pand was reeds afgesloten van gas en elektra.
Tijdens ons bezoek constateerden wij dat meerdere verdieping reeds al compleet waren gestript tot het casco. Dit behoudens de begane grond en de kelder. Op de begane grond en in de kelder troffen wij een ravage aan van rondslingerend afval, lege bierblikken en flessen, matrassen, brommers, meerdere complete huisraad in diverse vertrekken.
Verspreid door het gebouw zijn vernielingen aangebracht, elektrische installaties ontmanteld en zijn graffiti teksten geschreven op muren en zijn graffiti tekeningen aangebracht op muren. Op het platte dak van de aanbouw aan de achterzijde staan de wrakken van een oude caravan en een auto.
2.21.
In het rapport van CED d.d. 27 december 2023 zijn gespreksverslagen opgenomen van gesprekken met onder meer de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ), bestuurder van PPT, de heer [persoon B] (hierna: [persoon B] ), werkzaam als beheerder van de panden, en met de politie, brandweer en gemeente. Een aantal passages uit het rapport is hierna geciteerd:
Gesprek op 3 oktober 2023 met de heren [persoon A] en [persoon B] :
V: Waar kunt u mij vertellen over de functie van het pand en wie er gebruik van maakten?
A: Het pand diende voor gecombineerde verhuur van kantoorruimte. De vorige huurder is failliet gegaan, daarom hebben we een Ad Hoc situatie en opslagruimte gecreëerd. Sinds 1 september 2023 zit er een kringloopwinkel in. Er waren meubels en de gehele inventaris van oude huurders opgeslagen.
V: Wat kunt u mij vertellen over de vorige huurder?
A: Dat was Stichting [naam huurder 1] […]. [naam huurder 1] was de voormalige huurder van het volledige pand. Zij verhuurden onder aan India-Nederland gerelateerde bedrijven. Dat was van alles, onder andere kantoorpanden. [naam huurder 1] ging failliet en dan zit je opeens met die huurders. [naam huurder 1] had het ook wel voor een groot gedeelte in eigen gebruik en wij hebben de huurders overgenomen. En zo hebben wij successievelijk de huurders geëlimineerd, omdat we wilden vernieuwen. We hadden een vooruitziende blik en geen zin in risico’s. We wilden ook geen leegstand creëren. Daarom hebben we een Ad Hoc situatie gecreëerd met een kringloopwinkel.
Ook hebben we expres de elektra en het gas eraf gehaald, allemaal om risico’s te vermijden. Sinds 1 september 2023 hebben we de ruimte vrij kunnen maken, nadat de laatste huurder er op 31 augustus 2023 uit is gegaan.
V: En zijn alle spullen die nog beneden liggen van [naam huurder 1] ?
A: Nee, de spullen waren van de onderhuurders van [naam huurder 1] .
V: Is er een (ver)huurcontract?
A: Ja, dat gaan wij u allemaal e-mailen.
V: Wat waren de plannen voor het pand, wilden jullie het verkopen of het bedrijf verhuizen?
A: Nee, voor de brand waren we van plan het te compartimenteren. Nieuwe muren, alles nieuw. […]
V: Klopt het dat het pand leegstaand was?
A: Nee, zeker niet, daar waakte ik juist heel erg voor. Er waren hooguit een paar muizen en ratten. We hadden de plannen om het pand grotendeels te strippen, de deuropeningen en plafonds blijven allemaal hetzelfde. De muren zijn beneden al grotendeels weggeslagen aan de voorzijde van het pand.
V: Waren er ontvlambare of brandbare spullen in het pand aanwezig en zo ja, wat en waar?
A: Nee, niets bijzonders, anders dan het campinggasflesje wat ontplofte. De elektra was afgesloten van nr. 15-17, er was ook geen gas en ook geen water.
V: Wat lagen er voor spullen in de buurt van de brandhaard?
A: Alleen meubels, maar ook (kinder)kleding, etc. Zowel buiten als binnen. Wij hebben dat opgeslagen voor onszelf, het zijn spullen van oude huurders. Dus sowieso stond het niet leeg, er was sprake van opslag.
[…]
V: Ik zag ook diverse lege bierflessen liggen beneden. Kan dat van krakers zijn geweest?
A: Voorheen zat op de eerste verdieping en de begane grond een feestzaal. Die flesjes zullen al oud zijn. Ik kan niet zeggen dat hier geen krakers kwamen, het zal best wel eens zijn gebeurd dat er een kraker binnen kwam. In onze optiek waren het geen krakers die weleens in het verleden binnendrongen, maar dieven c.q. ongeoorloofde binnendringers. De ruimte werd immers niet bewoond. Wij doen er alles aan om de ongeoorloofde binnendringers te vermijden. Dit doen wij door elke dag ronden te maken, geen gas water en licht, continue opruimen. We hebben alarmsystemen en camera’s gehad hierachter, maar die werden kapot geslagen. Toen dit voor de zoveelste keer kapot werd geslagen, zijn we zelf de rondes gaan doen door dag en nacht te controleren. De controles hebben wij uitbesteed aan [persoon C] . Hij heeft daar ook opslag voor zijn aannemerij Dutchflex en dat hij daar dag en nacht loopronden deed, was nu juist om binnendringers te verjagen.
[…]
V: Heeft u een idee hoe de brand kan zijn ontstaan, wie de brand heeft aangestoken? De brandweer zou namelijk wel van de politie hebben vernomen dat er twee dagen voor de brand krakers uit het pand zijn gezet.
A: Nee, het zou kunnen dat er misschien op dat moment iemand naar binnen is gegaan. Maar wij weten niets over krakers die een paar dagen voor de brand uit het pand zijn gezet.
In het verleden, ruim een jaar geleden, liep het pand helemaal vol met krakers. Toen hebben we er echt alles aan gedaan om beweging te krijgen in het pand. Wat wij gedaan hebben toen, is dagelijks mensen eruit gooien die er niet in horen. Het probleem wat we nu hebben is dat Ad Hoc er in zit, dus we weten niet precies wie er niet in horen. We proberen er actief mee bezig te zijn, dus door het kaal maken van het pand, alles opsluiten, opruimen, ruimtes leeg maken en ter huur aanbieden bij Ad Hoc. […]
E-mailcorrespondentie met brandonderzoekers van de brandweer:
Algemene indruk van de brandweer van begane grond:
Wat heeft de brandweer aangetroffen?
Erg veel rommel in de diverse ruimtes, we zijn blij dat hij uitslaande is geworden in ruimte 0.08 want anders had hij verder het gebouw in gegaan en waren de overige ruimte mee gaan doen in de brand. In ruimte [naam] hebben wij in de na verkenning geconstateerd dat dit meer op een slaapkamer leek met meerdere matrassen.
Indruk qua rommel
Duidelijk een pand met zwervers e.d. en ook al langere tijd niet meer in gebruik.
Overige verdiepingen:
Is de brandweer naar elke verdieping gelopen en wat hebben zij daar aangetroffen?
Wij hebben in de eerste fase een snelle verkenning van de toren gedaan op brand doorslag vanuit de laagbouw. Deze niet aangetroffen en ons verder bezig gehouden met de brandbestrijding in de laagbouw. In de afbouwfase van het incident is er door een TS alle verdiepingen van de hoogbouw verkent en bemeten op CO. Tijdens deze inzet zijn er, rond 11.45, nog twee Polen uit de hoogbouw gehaald die daar verbleven op de 6e etage. Een derde Pool is tijdens de brand gevlucht en niet meer gezien. […]
[…]Het pand kwam rommelig over en zoals de ploeg het omschreef typisch zwerverspand.
Gesprek op 25 oktober 2023 met politie en gemeente Rijswijk:

In januari 2020 kwam het pand als eerste in beeld omdat [naam huurder 1] er feesten zou geven. [naam huurder 1] huurde het pand op dat moment van PPT. Er werd geen alcoholvergunning verstrekt en er werd opgetreden tegen de activiteiten in het pand door de gemeente.

In 2020 woonde er een soort beheerder in het pand genaamd [persoon D] . Hij had een complete woning op de 5e verdieping dat leek op een soort penthouse. Dit was de beheerder van [naam huurder 1] zelf.

[…]

In januari 2021 bleek dat er sprake was van illegale coronaparty’s, goktoernooien en onrechtmatige bewoning door een kleine groep mensen. De kelder van het pand werd een aandachtspunt voor de toezichthoudende instanties.

Faillissement [naam huurder 1] in juli 2021. Een maand daarna zou de bestuurder […] zijn handen van het pand af hebben getrokken.

In juli 2021 werd door de politie/gemeente gezien dat het pand zo goed als leeg stond en dat er woonunits werden geprepareerd. Hier werd tegen opgetreden door de gemeente waarna het pand nog meer in verval raakte.

In het najaar van 2021 werd het een overlastgevend pand voor politie en gemeente vanwege onrechtmatige bewoning, door middel van braak/verbreking, van een criminele groepering uit Oost Europa.

In september 2021 nam de overlast toe. Er was sprake van een grote groep onrechtmatige/illegale bewoners. Zij maakten zich schuldig aan de diefstal van koper maar pleegden steeds zwaardere misdrijven waardoor het pand nog meer aandacht kreeg.

Nadat het pand volledig gestript was door (koper)dieven werden alle NUTS voorzieningen afgesloten in januari 2022.

[…]

In 2022 werden er woonunits waargenomen door de gemeente en werd er opnieuw een voornemen tot dwangsom voorgelegd […]

In juli 2023, twee maanden voor de brand, viel de politie en gemeente binnen voor een controle vanwege overlast van tientallen binnendringers/bewoners uit Polen en Bulgarije.
E-mail van [persoon B] d.d. 25 oktober 2023, met als bijlage een huurovereenkomst met de kringloopwinkel goedkoperbestaatniet B.V.
Voorts hebben we beiden gemeld dat [persoon C] daar ook opslag had voor zijn aannemerij Dutchflex en dat hij daar dag en nacht loopronden deed, nu juist om binnendringers te verjagen.
Ik dacht een huurcontract te hebben met Dutchflex voor het opslaggedeelte, maar dat is niet zo. Omdat het hier een ad-hoc situatie betreft, en het gebruik in ruil voor de bewaking niet belast wordt, is er geen contract gemaakt.
Wel is de afspraak geweest (en nog steeds) dat er bedrijvigheid moet zijn op locatie.
Gesprek op 9 november 2023 met de heren [persoon A] en [persoon B] :
V: Wat kunnen jullie vertellen over bewoning in dit pand en de woonunits die in dit pand zijn aangetroffen?
A: Dat is pertinent niet waar. er is ook geen stroom aanwezig. De laatste 1,5 jaar is dit in elk geval niet zo geweest. De kringloop had hier wel opslag en dit kan mogelijk zijn wat u bedoelt. Ik heb heel veel gesprekken gehad met de gemeente en als het woord bed viel raakten ze al in paniek.
E-mail van een inspecteur van de gemeente Rijswijk d.d. 30 november 2023 in antwoord op gerichte vragen van CED:
Vanaf wanneer was er precies sprake van leegstand?
Na 8 november 2022 is de leegstand verergerd.
[…]
Waarom was er volgens de gemeente sprake van leegstand?
Leegstand was er omdat de stichting [naam huurder 1] daar niet verder zijn activiteiten kon uitvoeren. Het pand heeft een kantoorbestemming en de initiatieven die men daar ter plaatse wilde voeren waren in strijd met het bestemmingsplan.
[…]
Overige van belang zijnde info…(indien mogelijk een soort tijdslijn)
Januari 2020 kregen wij een melding dat er op meerdere verdiepingen feesten werden gehouden. Het pand werd gebruikt door voormalige stichting genaamd [naam huurder 1] (Indische stichting die multiculturele activiteiten uitvoerde in heel het pand). Deze stichting was overigens ook de gebruiker van het gehele pand. De voorzitter van Stichting [naam huurder 1] was ons aanspreekpunt.
Op basis van deze melding hebben we de eigenaar in februari 2020 aangeschreven. Een afschrift van deze aanschrijving hebben we naar stichting [naam huurder 1] gestuurd.
Hierna was stichting [naam huurder 1] bezig om het pand in orde te maken. We wilde als gemeente kijken of we konden meewerken aan de activiteiten die ze daar wilden uitvoeren. Echter moest hier een omgevingsvergunning voor worden aangevraagd. Deze werd nooit ingediend.
Een jaar later was er de inval door de Politie waarbij er in de kelder pokertafels werden aangetroffen. Daarnaast was er ook iemand die in het pand verbleef en werden er andere constateringen gedaan (brandveiligheid/strijdig gebruik)
Wederom werd de eigenaar mei 2021 aangeschreven met de nieuwe constateringen. De stichting trok hun handen af van alle strijdige zaken en gaf aan dat ze daar niet van op de hoogte waren. Maar ze zouden ervoor zorgen dat alles in orde zou komen en dat er volledige controle zou zijn en dat er geen ongenodigde het pand meer zouden betreden.
Hierna was een lange tijd radiostilte totdat er opnieuw een feest werd gehouden eind 2022. Dit keer was de stichting ( [naam huurder 1] ) failliet. En was er dus een ander aanspreekpunt van een nieuwe stichting genaamd [naam stichting] . Toen hebben we opnieuw het gesprek gevoerd met de voorzitter van stichting [naam stichting] en de afspraken opnieuw duidelijk gemaakt die we hadden met de vorige stichting betreft het gebruik van het pand.
Dit hebben we uiteindelijk bevestigd middels een brief welke is verstuurd naar de eigenaar van het pand in maart 2023 en naar stichting [naam stichting] . Ook zijn we in gesprek gegaan met de eigenaar van het pand en hebben de brief overhandigd. Na het gesprek met de eigenaar zijn we het pand rondgelopen en constateerde we dat het pand helemaal leeggehaald was en verlaten. Ook troffen we een persoon aan die daar verbleef (ingebroken). Deze werd aangehouden door de politie en uiteindelijke vrijgelaten.
De eigenaar gaf aan het pand dicht te zetten met platen (waar het open is). Maar dat inbrekers toch inbreken en daar slapen of installaties stelen (koper). De eigenaar geeft ook aan dat het dweilen met de kraan open is.
Toen is er een brand ontstaan waar gelukkig geen slachtoffers bij zijn gevallen. Wel zijn er 2 personen aangetroffen die ingebroken hebben en daar verbleven.
Omdat het pand leegstaat is het heel erg in trek voor mensen die geen slaapplek hebben.
E-mail van [persoon B] d.d. 15 december 2023
Op welke datum is de laatste huurder vertrokken (buiten [persoon C] / Dutchflex en Kringloop opslag)?
Dat is [naam huurder 2] geweest op 01-09-2023, zie tevens aangifte diefstal van november 2022
Waren er buiten de overgenomen huurders van [naam huurder 1] nog nieuwe huurders gekomen?
Neen, ik heb 1 van de overgenomen huurders bijgevoegd, [naam huurder 3] , daarna is het gewoon door ons buiten de Kringloop huurder als opslag gebruikt.
Telefoongesprek d.d. 19 december 2023 met mevrouw [persoon E] van [naam bedrijf]
Het klopt dat ik een lopend huurcontract had voor mijn bedrijf [naam bedrijf] maar eigenlijk heb ik na de diefstal van november 2022 geen activiteiten meer uitgevoerd in het pand. Ik weer niet eens precies tot wanneer het huurcontract geldig is, er was ook veel gedoe met de gemeente en ik was meerdere keren slachtoffer van diefstal omdat alles daar werd gejat.
Er stonden van mij alleen nog een paar huishoudelijke spullen bij het keukenblok op de begane grond aan de rechterkant maar eigenlijk had ik daar geen bedrijvigheid meer.
Er was ook geen stroom meer vanaf 2022 dus ik kon er niks meer dan alleen spullen opslaan. […]
Mijn activiteiten bestonden uit het maken van muziek in opdracht van [persoon F] van [naam huurder 1] maar dit moest stoppen van de gemeente. Mijn apparatuur was allemaal gestolen en daar deed ik meerdere malen aangifte van. […] Ik weet niet of er ook sprake was van nog meer huurders omdat ik nooit boven kwam maar het pand leek leeg en alles van waarde werd gestolen door dieven. In de ruimte van [persoon C] was altijd chaos, het was eigenlijk één grote rommel op de plekken waar iets opgeslagen stond.
Er lagen nog wel hier en daar wat spullen maar er was geen bedrijvigheid in dat gedeelte.
In de tijd van [naam huurder 1] heb ik een mooie tijd gekend met leuke opdrachten maar na dienst faillissement ging het bergafwaarts en raakte het pand in verval. Verder is het huurcontract naar waarheid opgemaakt en heb ik dit ondertekend.
Resumé
Uit technisch onderzoek is gebleken dat de brand moet zijn ontstaan door brandstichting of het achterlaten van brandbaar materiaal. Een elektrotechnische oorzaak, juist vanwege het ontbreken van energieaansluiting, kon worden uitgesloten. Vanwege de mate van destructie kon een exact oorzakelijk verband niet worden gelegd.
Uit tactisch onderzoek is gebleken dat het pand in verval was geraakt en dat er sprake was van leegstand. Op wat opslag, wat beter kan worden gedefinieerd als ‘rommel’ was er geen actieve bedrijfsvoering meer zoals als bestemming opgenomen in de polis“kantoorpand met diverse huurders”
.
Volgens de gemeente waren de activiteiten in het pand in strijd met het bestemmingsplan waar vervolgens tegen werd opgetreden. Nadat [naam huurder 1] failliet ging, en bewoning door de gemeente werd tegengehouden, raakte het pand steeds meer in verval en kwam het in trek bij criminelen. Het pand werd onrechtmatig betreden en diverse groeperingen namen er hun intrek.
Uit diverse bronnen bleek dat na november 2022 de leegstand verergerde en er geen actieve bedrijfsactiviteiten meer werden ontplooid.
De bestuurder van [naam bedrijf] verklaarde dat er alleen nog wat huishoudelijke apparatuur werd opgeslagen en door de bestuurder van DutchFlex werd verklaard dat hij de ruimte, waar de brand ontstond, gebruikte als opslag. Hiervan is geen contract onderliggend. […]
Er was geen sprake van een ‘kantoorpand met diverse huurders’ maar van een vervallen pand wat door onbevoegden werd betreden en waar criminele activiteiten hun intrek namen. Volgens de gemeente werd hier onvoldoende adequaat tegen opgetreden, door deze personen te weren en werd het onvoldoende afgesloten, door de eigenaren waardoor men zich eenvoudig wederrechtelijk toegang kon verschaffen tot het pand met alle risico’s van dien die niet als zodanig in het acceptatietraject konden worden beoordeeld bij het aangaan van de verzekering. Alle bevindingen uit dit onderzoek wijzen erop dat het gebruik door de eigenaren in grote mate beëindigd was waardoor, tezamen met het wederrechtelijk binnendringen, sprake lijkt van kraken en leegstand. De bestemmingswijziging van het pand lijken een meldingsplichtig karakter te hebben maar werden niet als gemeld bij tussenpersoon SAA.
2.22.
Op 20 februari 2024 is de opstalverzekering ongewijzigd voortgezet voor het jaar 2024.
2.23.
Bij e-mail van 18 maart 2024 bericht SAA NN als volgt:
Per 18 maart 2024 is de situatie als volgt:
Bedrijfsgebouw [adres 2] : alle verdiepingen zijn leegstaand, m.u.v. begane grond die gebruikt wordt door 2 huurders in 2de hands spullen, zij gebruiken de bedrijfsruimtes voor opslag van meubelen, tafelbladen, huisraad e.d. (geen werkzaamheden etc). Op dit moment is de elektra in het pand afgesloten. Pand wordt verbouwd en de verwachting is dat het pand over ca. een halfjaar weer geschikt is om in zijn geheel te verhuren. Het pand zal dan voornamelijk als kantoorruimte worden gebruikt.
Bedrijfsgebouw [adres 1] : […]
Op de huidige polis zijn beide adressen nog genoemd als volledig in gebruik als kantoren. Met een premie van 0,35 o/oo.
Welke premie mag ik nu aanhouden voor de panden? Ik zal iig een bepaling opnemen dat de dekking voor alle leegstaande gedeeltes is teruggebracht tot brand/storm/vliegtuigdekking.
2.24.
Bij e-mail van 19 maart 2024 reageert NN als volgt:
Er van uitgaande dat de aangetroffen situatie eind 2013 [rb: vermoedelijk is 2023 bedoeld], zoals vermeld in het onderzoeksrapport, ondertussen niet meer van toepassing is en er nu dus alleen sprake is van de door jou geschetste situatie, dan kun je het volgende noteren:
[adres 1] premie 0,50 o/oo.
[adres 2] premie 3,50 o/oo met verhoogd eigen risico € 5.000,- per gebeurtenis.
Verder de bepaling opnemen van beperkte dekking bij leegstand en/of verbouwing.
De premie van 3,50 promille voor [adres 2] betrof een vertienvoudiging van de voorgaande premie. In aansluiting op dit bericht van NN is de opstalpolis op 20 maart 2024 gewijzigd per 1 januari 2024.
2.25.
Op 19 april 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen SAA en PPT. Uit het verslag daarvan volgt dat SAA het voorstel van NN heeft voorgelegd aan PPT en heeft benoemd dat zij dat voorstel ook op 3 april 2024 per e-mail kenbaar heeft gemaakt.
2.26.
Bij e-mail van 4 juni 2024 heeft PPT aan SAA laten weten niet akkoord te gaan met het voorstel van NN.
2.27.
Op 5 juli 2024 schreef SAA aan NN het volgende:
Opnieuw hebben wij geen reactie mogen ontvangen van onze relatie op de tussentijdse aanpassing van de verzekering van [adres 2] , ondanks de gestelde deadlines van 1 mei en 14 juni.
Ik wil voorstellen de brandverzekering […] per 20 maart 2024 uitsluitend voort te zetten voor [adres 1] , het risico-adres [adres 2] van de polis af te voeren en een creditnota te versturen.
Met het onbetaald blijven van de nota en het e-mailbericht van 4 juni 2024 van relatie is duidelijk dat klant niet akkoord gaat met het voorstel van 20 maart.
De polis zou dan per 1-1-2025 wat mij betreft dan geheel beëindigd kunnen worden.
2.28.
NN is op 30 juli 2024 akkoord gegaan met het voorstel van SAA, waarna het pand aan de [adres 2] per die datum van de opstalpolis is afgevoerd. SAA heeft dit bij brief van 6 augustus 2024 aan PPT bevestigd.
2.29.
In het verslag van het gesprek tussen PPT en SAA van 13 augustus 2024 staat het volgende:
Op 4 juni heb ik een e-mail ontvangen dat jullie niet akkoord gaan met dit voorstel.
Nu geven jullie aan dat naar jullie mening de verzekeraars de verzekering stilzwijgend tegen dezelfde condities hadden moeten verlengen per 1-1-2024 op grond van artikel 17.2 van de NBUG 2006 voorwaarden.
Ik heb je geïnformeerd dat de aanpassing van de condities op grond van artikel 5.4 van dezelfde voorwaarden is gebeurd en dat dit los staat van eventuele wijzigingen per contractvervaldatum.
Desalniettemin geven jullie aan niet akkoord te zijn met dit voorstel omdat het gebruik van de panden bij aanvang van de verzekering op 1-1-2021 niet wezenlijk anders zou zijn dan nu. […]
Inmiddels is het risico-adres [adres 2] van de polis afgevoerd.
In de veronderstelling dat jullie wel akkoord gingen met het voorstel voor her risico-adres [adres 1] is dit adres wel nog verzekerd. Het onbetaald blijven van de premie die nu nog voor dit pand in rekening wordt gebracht doet anders vermoeden.
Nu geven jullie aan dat de brandverzekering voor dit adres inderdaad gehandhaafd kan worden en dat de nota betaald zal worden.
2.30.
Bij brief van 22 oktober 2024 heeft NN namens Verzekeraars dekking voor de brandschade jegens PPT afgewezen. Daarbij heeft NN een beroep gedaan op artikel 5.4 NBUG 2002 en in dat kader verwezen naar alle in die bepaling genoemde situaties die leiden tot een meldingsplicht in verband met risicowijziging.
2.31.
In december 2024 heeft EMN de brandschade getaxeerd op € 151.619,63.
2.32.
PPT is jegens haar hypotheekverstrekker verplicht om de panden te verzekeren. Twee partijen hebben zich als borg verbonden voor al hetgeen PPT verschuldigd is of zal zijn aan de hypotheekverstrekker. Die borgstellers hebben een kort geding aangespannen tegen PPT en daarin betoogd dat zij er in hun positie van borg belang bij hebben dat de panden zijn verzekerd. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 17 december 2024 PPT veroordeeld om uiterlijk op 23 december 2024 bewijsstukken van een opstalverzekering en premiebetaling over te leggen, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 2.000 met een maximum van € 50.000.
2.33.
PPT heeft aan die veroordeling niet voldaan; het pand aan de [adres 2] was op dat moment niet verzekerd. PPT heeft uiteindelijk met de borgstellers een regeling getroffen uit hoofde waarvan zij € 26.500 ter finale kwijting aan de borgstellers heeft betaald.
2.34.
Per 1 januari 2025 heeft PPT, buiten SAA om, een nieuwe opstalverzekering voor beide panden afgesloten bij Centraal Beheer.
2.35.
Bij e-mail van 22 januari 2025 heeft SAA PPT als volgt bericht:
Helaas moet ik je berichten dat wij definitief geen mogelijkheden hebben om voor het bedrijfsgebouw [adres 2] te Rijswijk een brandverzekering te regelen.
De verschillende verzekeraars die wij benaderd hebben geven om uitlopende redenen aan het risico niet te willen verzekeren.
2.36.
In februari 2025 hebben Verzekeraars 10% van de brandschade (€ 15.161,96) uitgekeerd aan PPT.

3.Het geschil

3.1.
PPT vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
ten aanzien van de schade als gevolg van het beëindigen van de dekking:
veroordeling van SAA tot betaling van € 26.500;
ten aanzien van de brandschade:
primair:veroordeling van Verzekeraars tot betaling van € 136.457 voor het percentage op de polis dat hen aangaat, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten van € 16.500;
subsidiair:veroordeling van SAA tot betaling van € 136.457, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten van € 16.500;
met veroordeling van gedaagde(n) die het aangaat/aangaan in de proceskosten.
3.2.
Verzekeraars en SAA voeren verweer. Verzekeraars concluderen dat zij niet gehouden zijn om (meer) brandschade en/of de reële advocaatkosten aan PPT te vergoeden en verzoeken PPT niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans die vorderingen af te wijzen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van PPT in de proceskosten. SAA concludeert tot afwijzing van de vorderingen van PPT, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van PPT in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.De beoordeling

Brandschade
4.1.
De vorderingen van PPT ten aanzien van de brandschade richten zich primair tegen Verzekeraars en subsidiair, voor zover Verzekeraars niet worden veroordeeld tot betaling, tegen SAA. De rechtbank beoordeelt eerst de primaire vordering, gericht tegen Verzekeraars.
Verzekeraars: het beroep op risicowijziging slaagt
-
standpunten van partijen
4.2.
PPT stelt zich op het standpunt dat Verzekeraars zijn gehouden om de volledige brandschade (€ 151.619,63) uit te keren omdat die schade is gedekt onder de opstalverzekering. Omdat Verzekeraars reeds 10% daarvan hebben uitgekeerd, vordert PPT het resterende bedrag van de schade van (afgerond) € 136.457.
4.3.
Verzekeraars betwisten niet dat de brandschade in beginsel is gedekt onder de opstalverzekering, maar zij doen een beroep op artikel 5.4 van de NBUG 2006-voorwaarden. Zij voeren daartoe aan dat zich omstandigheden als bedoeld in dat artikel hebben voorgedaan en dat PPT daarvan geen melding heeft gedaan, zoals zij wel op grond van die bepaling verplicht was. Als gevolg daarvan hebben Verzekeraars de brandschade vergoed naar rato van de hogere premie die zij zouden hebben gerekend bij kennis van de ware stand van zaken, neerkomend op 10% van de totale schade. PPT betwist dat sprake is geweest van risicowijziging.
-
uitleg van de polis
4.4.
Bij de verdere beoordeling is uitgangspunt dat de NBUG 2006-voorwaarden op de polis van toepassing zijn en dat als bestemming voor beide panden bij het aangaan van de verzekering is vermeld: “kantoor - kantoorgebouw met diverse huurders”. Verder is uitgangspunt dat de kennis en expertise van SAA als assurantietussenpersoon aan PPT moet worden toegerekend.
4.5.
Voor de uitleg van begrippen uit de polisvoorwaarden is verder het volgende van belang. Het gaat hier om een beurspolis. Over de polisvoorwaarden is niet onderhandeld. Voor de uitleg is daarom het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793 (Chubb/Dagenstaed) richtinggevend. Dat betekent dat die uitleg met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polis als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting, de gebruiken in de branche en de branchevoorwaarden op dit punt, alsook het beoogde doel en de functie van de verzekering, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (de zogenoemde geobjectiveerde Haviltex-norm). Bij dit alles verdient aantekening dat het een verzekeraar vrijstaat in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen zij bereid is dekking te verlenen en dat dit ook de vrijheid meebrengt om daarbij – op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voornoemde objectieve factoren voldoende kenbaar is – binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten en omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel om onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen.
4.6.
PPT heeft aangevoerd dat de feitelijke situatie bij het begin van de verzekeringsovereenkomst ten opzichte van de situatie ten tijde van de brand niet is veranderd. Alleen daarom al zou volgens PPT geen sprake kunnen zijn van risicowijziging. Dit standpunt berust op een onjuiste uitleg van artikel 5.4 van de polisvoorwaarden. De rechtbank licht dit toe als volgt.
4.7.
Op grond van de bewoordingen van artikel 5.4 is voor een geslaagd beroep van Verzekeraars op risicowijziging nodig dat zich een of meer van de in die bepaling genoemde gebeurtenissen voordoet. Een van die gebeurtenissen is leegstand. Uit de tekst van artikel 5.4 kan niet worden afgeleid dat van belang is of al dan niet reeds op het moment van tot stand komen van de verzekering sprake was van leegstand. In het artikel wordt immers aangeknoopt bij het op het polisblad vermelde gebouw, niet bij de feitelijke situatie. Wel brengt een redelijke uitleg van deze bepaling mee, gelet op de polis als geheel, dat Verzekeraars zich niet op leegstand als grond voor risicowijziging kunnen beroepen als
blijkens de poliseen leegstaand gebouw is verzekerd. Die situatie doet zich niet voor. De polis vermeldt immers als verzekerd object een “kantoor – kantoorgebouw diverse huurders,” (gedeeltelijke) leegstand wordt niet genoemd. Een andere gebeurtenis die grond geeft voor een beroep op risicowijziging is wijziging van de bestemming van het verzekerde gebouw. Uit de bewoordingen van artikel 5.4 volgt uitdrukkelijk dat het moet gaan om een wijziging van de bestemming zoals die op de polis is vermeld. Niet van belang is dus, anders dan PPT kennelijk meent, dat van risicowijziging geen sprake kan zijn omdat het gebouw bij aanvang van de verzekering feitelijk ook al gedeeltelijk leeg stond.
4.8.
Verder is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van de polisvoorwaarden naar objectieve maatstaven met zich meebrengt dat van leegstand in de zin van artikel 5.4 ook sprake kan zijn indien het verzekerde gebouw niet volledig (fysiek) leeg staat, maar sprake is van gedeeltelijke leegstand. Of sprake is van leegstand in de zin van artikel 5.4 hangt af van feitelijke omstandigheden, zoals de grootte van het gebouw en de grootte van het deel daarvan dat ontruimd is. Ook in dit opzicht komt mede betekenis toe aan de polis als geheel, zoals in dit geval de uitdrukkelijke bepaling in de polis dat verzekerd is een “kantoorgebouw met diverse huurders”. Ook is van belang dat het bij artikel 5.4 gaat om gebeurtenissen die tot een hoger risico voor Verzekeraars leiden (zoals in dit geval bewoning door krakers, brandgevaar, vernieling), welk risico zij blijkens de polisvoorwaarden slechts beperkt hebben willen dekken. Dat hogere risico kan zich, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ook voordoen bij gedeeltelijke leegstand of wanneer het gebouw nog wel (deels) gevuld is met roerende zaken, maar niet langer in gebruik is conform de op de polis vermelde bestemming. De rechtbank verwerpt dus het standpunt van PPT dat van leegstand in de zin van artikel 5.4 geen sprake kan zijn omdat het gebouw niet feitelijk volledig ontruimd was.
-
risicowijziging
4.9.
Verzekeraars hebben de stelplicht en bewijslast van feiten die kunnen leiden tot het oordeel dat in dit geval sprake is geweest van een risicowijziging als bedoeld in artikel 5.4. Zij onderbouwen dat standpunt met onder meer het CED-rapport, waarvan een groot deel is geciteerd onder 2.21. Uit de geciteerde gesprekken en berichten komt naar voren dat het pand na het faillissement van [naam huurder 1] nog amper in gebruik was, en zeker niet als “kantoorgebouw”. De conclusie van het CED-rapport laat weinig aan de verbeelding over: het pand was in verval, de (latere) huurders waren feitelijk vertrokken, de nutsvoorzieningen waren afgesloten, in veel ruimten lag rommel en er verbleven onbevoegden in het pand. Die factoren, die in meerdere gesprekken met diverse betrokkenen zijn benoemd, ook door vertegenwoordigers van publieke organisaties zoals de gemeente en de brandweer, onderbouwen concreet en daarmee overtuigend dat het pand voor het overgrote deel leeg stond, dat het feitelijk ook niet meer gebruikt
konworden als kantoorgebouw en dat, voor zover zich nog inboedel in het pand bevond, het ging om achtergelaten rommel of hooguit enige opslag van spullen. Van gebruik als ‘kantoorgebouw’ was bij lange na geen sprake, zelfs niet als met PPT wordt aangenomen dat een hedendaags kantoorgebouw niet (meer) alleen bestaat uit werk- en overlegruimtes, maar ook kan beschikken over gebeds-, kolf- en meditatieruimtes, loungehoeken en tafeltennistafels. Dit alles bijeen genomen rechtvaardigt de conclusie dat sprake was van een risicowijziging ten opzichte van het verzekerde ‘kantoorgebouw met diverse huurders’ zoals bedoeld in artikel 5.4.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft PPT dit betoog van Verzekeraars onvoldoende gemotiveerd betwist. De feitelijke juistheid van de bevindingen van CED heeft PPT niet betwist. Haar betwisting ziet met name op de conclusies die aan die bevindingen al dan niet gehecht mogen worden. Zo heeft PPT erop gewezen dat een aan haar gelieerde onderneming een deel van het pand gebruikt als opslagruimte en dat daarom geen sprake is van leegstand. Dat standpunt is onjuist, zoals volgt uit 4.8, maar hoe dan ook doet dit niet af aan de feitelijke constateringen die zijn opgenomen in het CED-rapport. Ook heeft PPT aangevoerd dat zij de offerte van Denkstof nooit heeft ontvangen. Dat is misschien juist, maar doet er niet aan af dat Denkstof bij haar bezoek op 29 november 2022 aan het pand kennelijk heeft geconstateerd dat het “momenteel” leeg stond en niet kon worden gebruikt. PPT heeft daarnaast aangevoerd dat CED sturende vragen aan de gemeente heeft gesteld, zodat van een objectief onderzoek geen sprake is geweest. Als dat juist is, dan laat dat de feitelijke uitlatingen van de gemeente onverlet. Deze komen erop neer dat het pand al geruime tijd bijzondere aandacht van de gemeente vroeg vanwege overtreding van de coronaregels en ongeoorloofde bewoning. Ten slotte heeft PPT erop gewezen dat het huurcontract met [naam bedrijf] in november 2022 nog liep en dat de huurder er in december 2022 nog is geweest. Ook die stelling laat onverlet dat de desbetreffende huurder, volgens haar eigen verklaring, in feite niet meer van het door haar gehuurde (beperkte) deel van het pand gebruik heeft gemaakt omdat dat vanwege het ontbreken van nutsvoorzieningen niet meer kon.
4.11.
Al met al doet de reactie van PPT dus niet af aan de bevindingen van Verzekeraars, die een beroep op artikel 5.4 rechtvaardigen. Dat betekent dat dit beroep slaagt. Als vaststaand moet worden aangenomen dat vanaf in elk geval november 2022 sprake was van een risicowijziging als bedoeld in dat artikel. PPT heeft daarvan geen melding gemaakt binnen de daarvoor bepaalde termijn. Zij heeft daarom slechts aanspraak op een uitkering naar rato zoals uitgewerkt in de laatste alinea van artikel 5.4. Daarmee vervalt de (verdere) uitkeringsplicht aan PPT nu Verzekeraars conform die ratio reeds 10% van het totale schadebedrag en daarmee afdoende hebben uitgekeerd. De vorderingen van PPT jegens NN worden dus afgewezen.
SAA: van een zorgplichtschending is deels geen sprake, deels ontbreekt causaal verband
-
standpunten van partijen
4.12.
De vorderingen van PPT jegens SAA ten aanzien van de brandschade zijn subsidiair ingesteld, namelijk onder de voorwaarde dat Verzekeraars niet tot vergoeding van de brandschade zijn gehouden. Aan die voorwaarde is voldaan. De grondslag van de vorderingen jegens SAA is een schending van de zorgplicht doordat SAA (volgens PPT) niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon mag worden verwacht. In dit kader maakt PPT SAA met betrekking tot de brandschade twee verwijten:
SAA heeft bij de aanvang van de verzekeringsovereenkomst namens PPT Verzekeraars onvoldoende geïnformeerd over het gebruik en de bestemming van het pand aan de [adres 2] ;
SAA heeft in 2022/2023 onvoldoende vinger aan de pols gehouden, zij had een eventuele bestemmings-/risicowijziging eerder moeten signaleren en melden.
SAA betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden.
-
toetsingskader
4.13.
Een assurantietussenpersoon moet tegenover zijn opdrachtgever de zorg betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak om de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen te bewaken. Hoe ver die taak gaat en wat die taak precies inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
-
verwijt 1: onvoldoende informeren Verzekeraars
4.14.
Volgens PPT had SAA erop moeten toezien dat Verzekeraars goed geïnformeerd waren bij het afsluiten van de opstalverzekering. Als zij dat naar behoren zou hebben gedaan, dan zou bijvoorbeeld op het polisblad zijn vermeld dat een deel van het pand aan de [adres 2] leegstond, vergelijkbaar met de risico-omschrijving van het pand aan de [adres 1] op de polis van de verzekering die PPT op 24 juni 2019 heeft gesloten via haar tussenpersoon MultiCover (zie 2.5). De huidige discussie met Verzekeraars zou in dat geval althans achterwege zijn gebleven. Volgens PPT was SAA ruim voorafgaand aan de ingangsdatum van de opstalverzekering bekend met het risico en de gedeeltelijke leegstand.
4.15.
De rechtbank overweegt dat SAA voor haar informatie over de te verzekeren panden in grote mate afhankelijk is van PPT. In aanloop naar het afsluiten van de opstalverzekering beschikte SAA ten aanzien van de eventuele leegstand in het pand aan de [adres 2] allereerst over het taxatierapport van 2019, waaruit volgt dat er 0% leegstand was (zie 2.2). Verder is er de e-mailwisseling van april 2020, waarin [persoon B] namens PPT het (geruststellende) antwoord geeft dat het pand voor 90% als kantoorruimte wordt verhuurd. SAA mocht van de juistheid van dat antwoord uitgaan. Op dat moment bestond er (dus) geen aanleiding voor SAA (en voor een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot) om verder navraag te doen naar leegstand van [adres 2] , laat staan om daar iets over op te nemen in de offerteaanvragen aan Verzekeraars.
4.16.
Het laatste moment van mogelijke informatievoorziening voorafgaand aan het sluiten van de opstalverzekering per 1 januari 2021 is het bezoek dat SAA op 28 september 2020 aan de panden bracht. Ten aanzien van dat specifieke bezoek heeft PPT echter niet gesteld wat SAA dan had moeten opmerken, welke leegstand zij had behoren te inventariseren en tot welke eventuele melding aan Verzekeraars dat had moeten leiden. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon kan in de regel niet worden verwacht dat deze tijdens een bespreking op locatie alle verdiepingen van een flatgebouw af gaat om deze op eventuele bijzonderheden zoals leegstand te controleren, zeker niet waar de cliënt kort daarvoor nog heeft gemeld dat beide panden (15-17 en 11-13) tezamen voor 90% zijn verhuurd. Vast staat dat op het moment van deze bespreking in elk geval de begane grond van [adres 2] nog in gebruik was bij [naam huurder 1] .
4.17.
Op basis van de voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat PPT onvoldoende heeft onderbouwd dat SAA haar zorgplicht heeft geschonden door voorafgaand aan het sluiten van de opstalverzekering de eventuele leegstand op dat moment niet te inventariseren en Verzekeraars daarover niet te informeren. Dit verwijt vormt dus geen grondslag voor de gevorderde schadevergoeding jegens SAA.
-
verwijt 2: onvoldoende vinger aan de pols
4.18.
PPT heeft aangevoerd dat als SAA in 2022 of 2023 langs was geweest bij de panden, zij PPT erop had kunnen wijzen dat er sprake was van leegstand in de zin van artikel 5.4 van de polisvoorwaarden. Dat zij dat niet heeft gedaan, is volgens PPT een schending van haar zorgplicht als assurantietussenpersoon. Immers: als SAA bekend is met feiten die van invloed zijn op de verzekeringsdekking, dan moet zij daarop wijzen en daarover adviseren.
4.19.
SAA heeft bestreden dat zij op dit punt een fout heeft gemaakt. Ook voert SAA aan dat causaal verband ontbreekt tussen deze vermeende zorgplichtschending en de gevorderde schade.
4.20.
Dat laatste verweer van SAA slaagt. Als dit verwijt een zorgplichtschending zou opleveren, dan zou dat namelijk geen verschil maken voor de schade die PPT uiteindelijk lijdt. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.21.
Om de hoogte van de schade te begroten moet de feitelijke situatie mét de (vermeende) zorgplichtschending worden vergeleken met de hypothetische situatie waarin die zorgplichtschending niet zou hebben plaatsgevonden. De feitelijke situatie leidt tot een schade van € 136.457, zijnde het niet-verzekerde deel van de brandschade. In de hypothetische situatie zonder fout zou SAA in 2022 en/of 2023 de panden hebben bezocht en hebben gevraagd naar de toenmalige (verhuur)situatie. Dan zou zijn gebleken dat [naam huurder 1] als huurder was vertrokken, dat sprake was van aanzienlijke leegstand en dat het pand niet meer in gebruik was als kantoorgebouw. SAA zou dat vervolgens hebben gemeld aan Verzekeraars, waardoor (alsnog) artikel 5.4 van de polisvoorwaarden in werking zou zijn getreden. Verzekeraars zouden de verzekering niet tegen dezelfde voorwaarden hebben voortgezet. SAA heeft gesteld dat die gewijzigde voorwaarden na de brand tot dezelfde uitkering zou leiden als in de feitelijke situatie, namelijk 10% van de brandschade. Dat ligt op zichzelf ook voor de hand, omdat het door Verzekeraars in de feitelijke situatie uitgekeerde bedrag is gebaseerd op de uitkering die zou zijn gedaan als zij tijdig van de risicowijziging op de hoogte waren gesteld (zie de laatste alinea van artikel 5.4). PPT heeft deze stelling van SAA bovendien niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.
4.22.
De conclusie kan niet anders zijn dan dat tussen verwijt 2 en de brandschade (voor zover meer dan het uitgekeerde deel van 10%) geen causaal verband bestaat. Verwijt 2 vormt dus ook geen grondslag voor de gevorderde schadevergoeding jegens SAA. In het midden kan blijven of sprake is van een zorgplichtschending omdat, hoewel PPT door SAA als “bezoekwaardig” was aangemerkt, SAA in 2022 en 2023 niet bij PPT langs is geweest. Het voorgaande brengt mee dat de subsidiaire vordering op SAA inzake de brandschade niet toewijsbaar is.
Beëindiging dekking
SAA heeft de zorgplicht geschonden, maar causaal verband ontbreekt
4.23.
PPT verwijt SAA – kort gezegd – dat zij zonder instemming en niet in het belang van PPT heeft gehandeld bij de beëindiging van de opstalverzekering door uit eigen beweging het pand aan de [adres 2] van de opstalverzekering af te voeren. SAA heeft aangevoerd dat zij het wijzigingsvoorstel van Verzekeraars heeft voorgelegd aan PPT, dat PPT daarmee niet akkoord ging en dat PPT dus zelf de verzekering niet heeft willen voortzetten. Bovendien heeft PPT de verschuldigde premies niet voldaan, aldus SAA.
4.24.
De rechtbank overweegt wederom dat het de taak van de assurantietussenpersoon is om de belangen van de verzekeringnemer te bewaken. Het belang van een eigenaar van een gebouw zal in de regel meebrengen dat dit gebouw niet onverzekerd is. Waar door omstandigheden het risico zich aandient dat een gebouw op enig moment onverzekerd zal zijn en de assurantietussenpersoon daarvan op de hoogte is, mag van deze worden verwacht dat hij zijn opdrachtgever uitdrukkelijk op dat risico wijst, eventueel voorzien van adviezen hoe met die dreigende situatie om te gaan. SAA heeft niet in deze zin gehandeld. Uit de tussen SAA en PPT gevoerde correspondentie over de beëindiging van de opstalverzekering volgt weliswaar dat SAA aan PPT heeft laten weten onder welke gewijzigde voorwaarden Verzekeraars bereid waren de verzekering voort te zetten en ook dat zij PPT heeft gevraagd om te laten weten of zij wel of niet hiermee akkoord ging, maar nergens blijkt uit dat zij PPT heeft geïnformeerd over de risico’s van het niet-verzekerd zijn van de panden, ook niet toen inmiddels duidelijk werd dat PPT de gewijzigde voorwaarden van Verzekeraars niet wenste te accepteren. Bovendien volgt uit de overgelegde stukken dat SAA zelf aan Verzekeraars heeft laten weten dat [adres 2] per 1 januari 2024 van de polis kon worden afgevoerd. Een instructie daartoe van PPT ontbrak. Het niet reageren door PPT op een verzoek van SAA om een standpunt over de gewijzigde voorwaarden kan niet als een dergelijke instructie worden beschouwd.
4.25.
Mede gezien de risico’s verbonden aan het onverzekerd zijn van het gebouw, had het op de weg gelegen van SAA om zich tijdig in te spannen om (voor [adres 2] ) zo spoedig mogelijk althans (voor [adres 1] ) per uiterlijk 1 januari 2025 een andere opstalverzekering voor PPT af te sluiten. Zij heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat zij daartoe het nodige initiatief heeft genomen. Hiertegenover heeft PPT tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat SAA pas vanaf december 2024 enige activiteit heeft ontplooid. Dat is te laat.
4.26.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft SAA in dit opzicht niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon gehandeld bij de beëindiging van de opstalverzekering van PPT. Zij is in zoverre tekort geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en zij is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door PPT geleden schade.
4.27.
Volgens PPT komt haar schade overeen met het bedrag dat zij onder druk van de dwangsommen uiteindelijk aan de borgstellers heeft betaald (zie 2.32 en 2.33). SAA stelt zich echter op het standpunt dat het vereiste causaal verband ontbreekt. Dit standpunt slaagt.
4.28.
Hoewel gelet op het voorgaande uitgangspunt is dat SAA eerder in actie had moeten komen om PPT te begeleiden in het vinden van een nieuwe verzekering, moet ook als vaststaand worden aangenomen dat PPT zich niet kon vinden in de nieuwe voorwaarden waaronder Verzekeraars aanvankelijk bereid waren om de verzekering van [adres 2] voort te zetten. Dit standpunt handhaafde PPT in elk geval nog tijdens het overleg hierover met SAA in augustus 2024 (zie 2.29). SAA heeft onbetwist gesteld dat het niet mogelijk is gebleken om, gegeven de omstandigheden waarin het pand zich bevond, elders een verzekering te vinden tegen minder bezwarende voorwaarden. Dat wordt bevestigd door het feit dat PPT uiteindelijk begin januari 2025 bij Centraal Beheer alsnog een verzekering heeft afgesloten tegen voorwaarden die – zoals SAA gemotiveerd en onbetwist heeft gesteld – vrijwel gelijkluidend zijn als de voorwaarden waartegen Verzekeraars bereid waren de verzekering voort te zetten. Gelet hierop valt niet zonder meer in te zien dat PPT vrijwillig, dus zonder de druk van een veroordelend kortgedingvonnis, bereid was geweest om tegen die voorwaarden elders een verzekering af te sluiten, ook niet als SAA daarover op een eerder moment zou hebben geadviseerd.
4.29.
Het lag op de weg van PPT om voldoende feiten te stellen die tot een andere conclusie hadden kunnen leiden, maar dergelijke feiten heeft zij niet gesteld. Dit betekent dat PPT zonder de fout van SAA niet in een andere positie zou hebben verkeerd. Het causaal verband tussen de fout en de schade ontbreekt dus. Hierop stuit de vordering af.
Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
4.30.
Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen, worden de vorderingen van PPT tot betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten eveneens afgewezen.
Proceskosten
4.31.
PPT is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Verzekeraars gezamenlijk en SAA worden begroot op:
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten x tarief V)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 11.152,00
4.32.
De door SAA gevraagde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt PPT in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen aan zowel (één van de) Verzekeraars als SAA, binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als PPT niet tijdig daaraan voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet PPT € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt PPT in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van SAA als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
3533 / 1980