Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht
het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers(COA)
Samenvatting
Procesverloop
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De omgevingsvergunning is aangevraagd voor een periode van vijf jaar en is ook voor die periode verleend. In voorschrift 1 is bepaald dat het gebruik van het pand en het gebruik van de gemeentegrond voor het stallen van fietsen uiterlijk binnen vier weken na1 januari 2031 moet zijn beëindigd. Het college heeft op de zitting uitgelegd dat het COA hiermee de gelegenheid wordt gegeven om de locatie fysiek te ontmantelen na afloop van de termijn van vijf jaar. Die termijn eindigt op 23 december 2030. Na die datum mag dus geen opvang meer worden verleend. Het college is bereid het voorschrift in het besluit op bezwaar te verduidelijken door te bepalen dat het gebruik voor de opvang van AMV’ers na vijf jaar beëindigd moet zijn.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de grondslag van de aanvraag niet is verlaten. Er is in zoverre geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Niet in geschil is dat niet op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Het college heeft erkend dat in zoverre ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 43.2 van de planregels om af te wijken van de parkeereisen uit de beheersverordening. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met de planregels over parkeren, maar de voorzieningenrechter verwacht dat het gebrek in het besluit op bezwaar kan worden hersteld. Het college heeft namelijk laten weten dat in het besluit op bezwaar alsnog een afwijking zal worden vergund op grond van artikel 43.2 van de planregels. Dat is mogelijk als op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Het college heeft daarover naar voren gebracht dat er voldoende (betaalde) parkeerruimte is in de openbare parkeergarage naast het gebouw en dat er daarnaast gratis openbare parkeerplaatsen beschikbaar zijn bij de huidige opvanglocatie aan de Seringenstraat op ongeveer 750 m van de nieuwe locatie. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat hiermee voldoende in de parkeerbehoefte kan worden voorzien en dat alsnog een afwijking kan worden vergund. Gelet hierop is er ook op dit punt geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.
In voorschrift 3 van de omgevingsvergunning is uitdrukkelijk voorgeschreven dat het dakterras uitsluitend tussen 7.00 en 22.00 uur mag worden gebruikt en dat er maximaal 24 personen tegelijk aanwezig mogen zijn. Dit is dus juridisch bindend vastgelegd. In het geluidonderzoek kon daarom van deze uitgangspunten worden uitgegaan. Als deze eisen niet worden nageleefd, is dat een kwestie van handhaving.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat kan worden getwijfeld aan de juistheid van de aanname dat maximaal 12 personen tegelijk spreken. Het college heeft niet goed genoeg onderbouwd dat dit voor de specifieke doelgroep van jongeren tussen 15 en 18 jaar een realistische aanname is. Over het muziekgeluid heeft het college gesteld dat dit niet is vergund, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt dat niet duidelijk genoeg uit de omgevingsvergunning. Als muziekgeluid niet is uitgesloten, had dat in het akoestisch onderzoek moeten worden betrokken. Het college moet op deze punten in het besluit op bezwaar een nadere onderbouwing geven en indien nodig nadere voorschriften stellen.
In de GOFL zijn maatregelen voor de sociale veiligheid vermeld. Volgens de GOFL stelt het COA in samenwerking met de hulpdiensten, de gemeente en de Veiligheidsregio een veiligheidsplan op voor de opvanglocatie. Daarin zijn de specifieke veiligheidsmaatregelen en verantwoordelijkheden vastgelegd. De GOFL vermeldt welke onderdelen in ieder geval in het veiligheidsplan worden uitgewerkt. Uit het bestreden besluit blijkt dat het beschreven maatregelenpakket volgens het college toereikend is om hinder voor de omgeving te voorkomen. Verzoekster heeft dat op zichzelf niet bestreden. Het probleem is voor verzoekster vooral dat de maatregelen voor de sociale veiligheid, in het bijzonder het veiligheidsplan, niet duidelijk in de omgevingsvergunning zijn vastgelegd.
Ter zitting hebben het college en het COA gesteld dat het veiligheidsplan in voorbereiding is en klaar zal zijn voordat de tijdelijke opvanglocatie in gebruik wordt genomen. De voorzieningenrechter vindt het voor de omwonenden belangrijk dat er op dit punt meer zekerheid is. De omgevingsvergunning biedt die zekerheid op dit moment niet. In de omgevingsvergunning is namelijk niet duidelijk voorgeschreven dat het veiligheidsplan vóór de ingebruikname van de opvanglocatie moet zijn vastgesteld. Het college kan in het besluit op bezwaar alsnog een voorschrift hierover aan de omgevingsvergunning verbinden en heeft op de zitting toegezegd dit te zullen doen. Het besluit op bezwaar is echter niet op korte termijn te verwachten en het COA wil de opvanglocatie eind januari al in gebruik nemen. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige voorziening treffen. Die houdt in dat het COA de tijdelijke opvanglocatie voor de opvang van 80 AMV’ers pas in gebruik mag nemen nadat het veiligheidsplan als bedoeld in paragraaf 4.10 van de GOFL is vastgesteld.
Het advies van Adviescommissie Omgevingskwaliteit gaat over welstandsaspecten. Verzoekster heeft over dat onderwerp geen gronden aangevoerd. Verder heeft het college in het verweerschrift toegelicht dat de geluidberekeningen van 13 november 2025 bestaan uit technische databestanden die door specialistische software moeten worden ingelezen. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat het technisch niet mogelijk is de geluidberekeningen als bijlage bij de omgevingsvergunning te voegen. De databestanden zijn volgens het college wel verwerkt in het advies van de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid.
Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter in zoverre geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- bepaalt dat de voorlopige voorziening geldt tot zes weken na het besluit op bezwaar;
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
(…)
(…)
Bijlage bij artikel 1.1 van deze wetA. BegrippenVoor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:(…)buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
(…)
omgevingsplanactiviteit:activiteit, inhoudende:
(…)