Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Procesverloop
Overwegingen
Eiser zou schade geleden kunnen hebben doordat hij door de in beroep bestreden besluiten een tijd geen uitkering heeft gehad. De rechtbank is echter van oordeel dat hij de gestelde schade zelfs niet in beperkte mate aannemelijk heeft gemaakt. Naar aanleiding van de brieven van het college van 23 april 2026 en 12 mei 2026, waarin het college erop wijst dat de gestelde schade niet is onderbouwd, heeft eiser alleen zijn stelling herhaald maar geen enkele onderbouwing van de schade gegeven. Op de zitting hebben eiser en zijn gemachtigde de gelegenheid gekregen alsnog een onderbouwing te geven. Eiser heeft daar verteld over de discriminerende wijze waarop hij de afgelopen jaren behandeld zou zijn door medewerkers van het college, waarbij door die medewerkers onder meer onjuiste informatie over hem zou zijn verstrekt aan zijn familieleden. Eiser heeft echter niet, ook niet nadat hij daarnaar werd gevraagd, duidelijk gemaakt in welk verband die gestelde discriminerende behandeling staat tot de in beroep bestreden besluiten. Ook verder heeft hij geen toelichting gegeven op de schade die hij stelt te hebben geleden. De gestelde schade levert daarom geen belang op bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Omdat er ook verder niet is gebleken van een dergelijk belang, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.