Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6302

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/9367
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:74 AwbWet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep na intrekking en vervroeging IOAW-uitkering

Eiser maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarbij zijn IOAW-uitkering werd opgeschort en ingetrokken, en de ten onrechte ontvangen bijstand werd teruggevorderd. Het college verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

Tijdens de procedure heeft het college een nieuw besluit genomen waarbij de IOAW-uitkering met terugwerkende kracht per 25 juli 2025 is toegekend, waardoor de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten volledig ongedaan zijn gemaakt. Hierdoor stelt het college dat eiser geen procesbelang meer heeft.

Eiser stelt dat hij schade heeft geleden door het niet ontvangen van de uitkering, waaronder financiële en psychische schade, maar heeft deze schade niet concreet onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat de gestelde schade onvoldoende aannemelijk is gemaakt en dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, bepaalt dat het college het betaalde griffierecht aan eiser vergoedt en veroordeelt het college in de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter A.C. Rop op 3 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het college de bestreden besluiten heeft ingetrokken en de uitkering met terugwerkende kracht is toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9367

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. J.M. Tang).

Procesverloop

1. Met een besluit van 25 juli 2025 (primair besluit 1) heeft het college eisers uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) vanaf 25 juli 2025 opgeschort.
1.1.
Met een besluit van 7 augustus 2025 (primair besluit 2) heeft het college eisers IOAW-uitkering vanaf 25 juli 2025 ingetrokken en de ten onrechte ontvangen bijstand over de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 juli 2025 ten bedrage van € 362,38 (bruto) van eiser teruggevorderd.
1.2.
Met een besluit van 18 augustus 2025 (primair besluit 3) heeft het college eisers IOAW-uitkering vanaf 25 juli 2025 ingetrokken en de ten onrechte ontvangen bijstand over de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 juli 2025 ten bedrage van € 291,11 (netto) van eiser teruggevorderd.
1.3.
Met een besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
Met een brief van 26 februari 2026 heeft het college de rechtbank meegedeeld dat eiser een nieuwe aanvraag voor een IOAW-uitkering heeft ingediend, die is toegekend per 31 oktober 2025 en dat de ingangsdatum, middels een besluit van 11 februari 2026 is vervroegd naar 25 juli 2025. Hiermee heeft eiser een doorlopende IOAW-uitkering ontvangen.
1.6.
Eiser heeft daarop bij e-mail van 18 maart 2026 en bij brief van 1 mei 2026 gereageerd. Het college heeft op 23 april 2026 en op 12 mei 2026 een brief aan de rechtbank gestuurd.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

2. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft en dat de gestelde schade niet is onderbouwd.
3. Met een e-mailbericht van 18 maart 2026 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij nog steeds een procesbelang heeft. Eiser stelt naar aanleiding van de handelwijze van het college schade te hebben geleden. Hij moest in de tussenliggende periode geld lenen om zijn kosten voor levensonderhoud te betalen. Eiser heeft daarnaast psychische schade geleden die hij vergoed wenst te zien. Met een e-mailbericht van 1 mei 2026 heeft eiser bericht dat hij een poos geen bijstand heeft gehad wat hem de nodige fysieke, emotionele en psychische schade heeft opgeleverd.
4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 31 maart 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:394) is van voldoende procesbelang slechts sprake indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van het bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Geleden schade kan procesbelang opleveren als aannemelijk is dat die is geleden; aan die aannemelijkheid worden geen hoge eisen gesteld.
5. De rechtbank stelt vast dat met het besluit van 11 februari 2026, waarbij de
ingangsdatum van de IOAW-uitkering van eiser is bepaald op 25 juli 2025, de rechtsgevolgen van de door hem bestreden besluiten volledig ongedaan zijn gemaakt.
Eiser zou schade geleden kunnen hebben doordat hij door de in beroep bestreden besluiten een tijd geen uitkering heeft gehad. De rechtbank is echter van oordeel dat hij de gestelde schade zelfs niet in beperkte mate aannemelijk heeft gemaakt. Naar aanleiding van de brieven van het college van 23 april 2026 en 12 mei 2026, waarin het college erop wijst dat de gestelde schade niet is onderbouwd, heeft eiser alleen zijn stelling herhaald maar geen enkele onderbouwing van de schade gegeven. Op de zitting hebben eiser en zijn gemachtigde de gelegenheid gekregen alsnog een onderbouwing te geven. Eiser heeft daar verteld over de discriminerende wijze waarop hij de afgelopen jaren behandeld zou zijn door medewerkers van het college, waarbij door die medewerkers onder meer onjuiste informatie over hem zou zijn verstrekt aan zijn familieleden. Eiser heeft echter niet, ook niet nadat hij daarnaar werd gevraagd, duidelijk gemaakt in welk verband die gestelde discriminerende behandeling staat tot de in beroep bestreden besluiten. Ook verder heeft hij geen toelichting gegeven op de schade die hij stelt te hebben geleden. De gestelde schade levert daarom geen belang op bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Omdat er ook verder niet is gebleken van een dergelijk belang, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
7. De rechtbank ziet in het feit dat het college met het besluit van 11 februari 2026 eiser alsnog met ingang van 25 juli 2025 een IOAW-uitkering heeft toegekend, aanleiding op de voet van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- dient te vergoeden.
8. Er is, gelet op het besluit van 11 februari 2026, ook aanleiding het college te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.