Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2022, oefenden gezamenlijk gezag uit. De moeder verzocht het gezag eenhoofdig aan haar toe te kennen vanwege langdurige communicatieproblemen en het ontbreken van contact tussen vader en kind. De vader verscheen niet op de mondelinge behandeling en voerde geen verweer.
De rechtbank stelde vast dat de zorgregeling sinds juli 2025 niet werd nageleefd, ondanks een dwangsom. Er is sprake van gewijzigde omstandigheden die het gezamenlijk gezag onuitvoerbaar maken, met een onaanvaardbaar risico dat het kind klem raakt tussen de ouders. Daarom werd het gezamenlijk gezag beëindigd en aan de moeder toegekend.
De omgangsregeling werd beëindigd omdat de vader niet betrouwbaar was in het nakomen van afspraken, wat niet in het belang van het kind is. De moeder krijgt de ruimte om in overleg met de vader een nieuwe omgangsregeling te bepalen. De rechtbank benadrukte het belang van structurele naleving van afspraken voor het welzijn van het kind.
Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening.