ECLI:NL:RBROT:2026:627

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
10-255954-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot zware mishandeling binnen een huiselijke context met veroordeling tot gevangenisstraf

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot zware mishandeling van zijn ex-partner. De zaak vond plaats in Dordrecht, waar de verdachte op 29 september 2025 een wurggreep heeft aangelegd bij zijn partner, waardoor zij geen lucht meer kreeg. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze poging tot zware mishandeling, ondanks dat hij zich niets meer kon herinneren van het voorval. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 150 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar. De rechtbank oordeelde dat het geweld plaatsvond in de woning waar zij samenwoonden met hun kinderen, wat de ernst van de zaak vergrootte. De verdachte had eerder al te maken gehad met huiselijk geweld en had een strafblad. Deskundigen concludeerden dat de verdachte ten tijde van het delict leed aan een depressieve stoornis met psychotische kenmerken, wat zijn gedrag beïnvloedde. De rechtbank achtte het noodzakelijk om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf, maar met de mogelijkheid van ambulante behandeling en toezicht door de reclassering.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-255954-25
Datum uitspraak: 21 januari 2026
Datum zitting: 7 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres: [adres] [postcode] [plaatsnaam],
preventief gedetineerd in de [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. G.R. Stolk,
officier van justitie: mr. S.E. Poutsma.
Kern van het vonnis
De verdachte heeft bij zijn partner [slachtoffer] een wurggreep aangelegd en vervolgens haar keel dichtgeknepen/dichtgedrukt, waardoor zij geen lucht meer kreeg. De verdachte stelt zich niks meer te herinneren. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 150 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, bijzondere voorwaarden en dadelijke uitvoerbaarheid.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – opzettelijk bij [slachtoffer] een wurggreep heeft aangelegd en haar keel heeft dichtgeknepen/gedrukt. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 29 september 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten zijn ex-partner [slachtoffer]
van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] heeft vast gepakt en/of een wurggreep heeft aangelegd,
- op de buik althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezeten,
- ( vervolgens) de nek/hals van die [slachtoffer] vast heeft gepakt en de keel van die [slachtoffer] heeft dicht geknepen/gedrukt waardoor die [slachtoffer] geen lucht kreeg,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 29 september 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten zijn expartner [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer] heeft vast gepakt en/of een wurggreep heeft aangelegd,
- op de buik althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezeten,
- ( vervolgens) de nek/hals van die [slachtoffer] vast heeft gepakt en de keel van die [slachtoffer] heeft dicht geknepen/gedrukt waardoor die [slachtoffer] geen lucht kreeg,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdachte heeft geen herinnering aan hetgeen hem wordt verweten. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door bij [slachtoffer] een wurggreep aan te leggen en vervolgens haar keel dicht te knijpen/drukken. Hierbij wordt uitgegaan van voorwaardelijk opzet. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring van het subsidiaire feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Deskundigenverslag [2]
Tussen het bovenste ooglid van het rechter oog en de rechter wenkbrauw in is een zwelling van de huid zichtbaar. Dit betreft waarschijnlijk een bloeduitstorting. (…) Aan de linker voorzijde van de hals, ongeveer midden op de hals, is sprake van een min of meer ovale scherp begrensde rood-paarse huidverkleuring. Dit betreft een bloeduitstorting. (…) Een bloeduitstorting ontstaat door inwerking van uitwendig stomp, samendrukkend, omsnoerend of botsend geweld (…).
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Ik, [verbalisant 1], hoorde [verdachte] zeggen “Ik heb haar beetgepakt, ik zal straks wel mee moeten.” (…).
Ik, [verbalisant 2], hoorde [slachtoffer] zeggen dat haar man doordraaide, haar hoofd eerst vastpakte met een nekklem en haar met beide handen probeerde te wurgen. Ik hoorde haar zeggen dat zij even niet meer kon ademen en zich geprobeerd heeft te verdedigen. (…).
Ik, [verbalisant 2], zag dat er zichtbaar letsel was in de nek van [slachtoffer] en hoorde dat haar stem schor klonk.
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
Ik, [verbalisant 3], zag dat [slachtoffer] rode striemen in haar nek had. Ik zag dat ook rode plekken op haar rechter wang en ooglid zaten.
4.
Verklaring van aangeefster [5]
Ik doe aangifte van poging doodslag en zware mishandeling. Ik heb niemand toestemming gegeven om mij te wurgen. Op 29 september 2025 kwam ik thuis aan de [adres] te Rotterdam. Ik stapte naast mijn man, [verdachte], in bed. Ik voelde dat [verdachte] mij vast pakte en zijn rechter arm om mijn nek vouwde. Ik voelde dat ik met mijn hoofd tussen de binnenkant van [verdachte] elleboog geklemd werd. Ik voelde dat [verdachte] hierbij veel kracht zette op zijn elleboog. Ik voelde dat ik hierdoor geen adem kon halen. Ik voelde pijn aan de linkerkant van mijn nek. Ik probeerde tegen [verdachte] te zeggen dat hij moest stoppen, maar ik kon niks zeggen. Ik kon mij vervolgens omdraaien waardoor ik op mijn rug op bed lag. Ik zag en voelde dat [verdachte] boven op mijn buik ging zitten. Ik zag en voelde dat [verdachte] mijn nek vast pakte met beide handen. Ik zag en voelde dat [verdachte] hard in mijn nek kneep. Ik kreeg geen lucht. Ik had echt het gevoel dat [verdachte] mij wilde doodmaken. Ik probeerde weer tegen [verdachte] te zeggen dat hij moest stoppen, maar dit lukte niet. Ik probeerde [verdachte] van mij af te duwen en schoppen en hierbij te gillen. Ik zag vervolgens dat [verdachte] van het bed viel. (…) Ik was in shock en wist niet goed wat ik moest doen. Ik heb vervolgens de politie gebeld. Ik voelde nog steeds pijn aan mijn nek. Ik voel nu nog steeds pijn als ik moet slikken.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Uit de aangifte blijkt dat de verdachte op 29 september 2025 eerst een wurggreep heeft aangelegd en daarna met zijn handen aangeefsters keel heeft dichtgeknepen/-gedrukt. De aangifte vindt steun in de FARR-verklaring. Voorts is aangeefster consistent in haar verklaring: aan de verbalisanten die ter plaatse waren gekomen, heeft zij hetzelfde verklaard als tijdens haar latere aangifte. De als betrouwbaar aan te merken verklaring van aangeefster wordt daarnaast ondersteund door het feit dat de verbalisanten in haar nek letsel waarnamen en door het relaas van [verbalisant 2], die had gehoord dat de stem van aangeefster schor klonk.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 september 2025 een wurggreep heeft aangelegd bij aangeefster en vervolgens haar keel heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt.
Met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Dit ligt anders ter zake van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals onder meer vitale bloedvaten en de luchtpijp bevinden. De hals is daarmee een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Het is dan ook een feit van algemene bekendheid dat het dichtknijpen van de keel zuurstofgebrek en hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel door het dichtknijpen van de keel, welke kans door de verdachte is aanvaard.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op
of omstreeks29 september 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan
een ander, te wetenzijn
expartner [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer] heeft vast gepakt en
/ofeen wurggreep heeft aangelegd,
- op de buik
althans het lichaamvan die [slachtoffer] heeft gezeten,
-
(vervolgens
)de
nek/hals van die [slachtoffer] vast heeft gepakt en de keel van die [slachtoffer] heeft dicht geknepen/gedrukt waardoor die [slachtoffer] geen lucht kreeg,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het subsidiair bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging tot zware mishandeling,
begaan tegen zijn levensgezel
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het subsidiaire feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 49 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling en beheersing van middelengebruik, met een proeftijd van twee jaren en dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat kan worden volstaan met een ambulante behandeling in combinatie met de andere door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Een klinische opname is om die reden niet nodig. Daarnaast stelt de verdediging dat de dadelijke uitvoerbaarheid niet goed is onderbouwd, en om die reden achterwege moet blijven.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn partner. Hij heeft in hun slaapkamer, terwijl zijn partner in bed lag, eerst een wurggreep aangelegd om haar hals en vervolgens haar keel dichtgeknepen/dichtgedrukt. Het slachtoffer kreeg daardoor geen lucht meer en kon niet meteen om hulp roepen; zij heeft de verdachte van zich af moeten schoppen. Enkel door haar ingrijpen is de verdachte gestopt. De verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en pijn bij haar veroorzaakt. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat het geweld heeft plaatsgevonden in de woning waar zij samenwoonden met hun (minderjarige) kinderen. Een woning is bij uitstek een plek waar een ieder zich veilig en beschermd moet kunnen voelen. De ervaring leert dat kinderen die huiselijk geweld meemaken, daarvan nog lange tijd, zowel lichamelijke als geestelijke, klachten kunnen ondervinden.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. In 2023 heeft de verdachte nog een voorwaardelijk sepot opgelegd gekregen voor huiselijk geweld.
Rapport van deskundige en de reclassering
In het rapport van de psycholoog [naam 1] van 23 december 2025 staat het volgende.
Bij de verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Bij de verdachte was sprake van een doorwerking van de geconstateerde psychische problematiek op zijn gedrag ten tijde van het tenlastegelegde. De verdachte kan als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil geheel in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde de verdachte in sterk verminderde mate toe te rekenen. De klinische inschatting met betrekking tot de kans op herhaling valt uit op matig verhoogd niveau. Vanuit forensisch oogpunt wordt behandeling aangewezen geacht om het eventuele recidivegevaar te beperken.
De problematiek is hardnekkig en langdurig bestaand en mede gezien de risico’s op de korte termijn, waaronder de twijfel aan de relatie door zijn partner, wordt een behandeling in een klinische setting geadviseerd. Een verhoogd beveiligingsniveau acht onderzoeker niet nodig. Vanuit de klinische setting kan de verdachte een resocialisatietraject aangeboden worden en kan behandeling in een ambulante setting voortgezet worden.
In het advies van Reclassering Nederland van 5 januari 2026 staat het volgende:
De reclassering sluit zich aan bij het rapport van de psycholoog en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere maatregelen:
  • Meldplicht bij reclassering
  • Opneming in een zorginstelling
  • Ambulante behandeling
  • Beheersing middelengebruik
Daarnaast adviseert de reclassering dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In het geval van de verdachte geldt dat het feit in sterk verminderde mate aan hem kan worden toegerekend. Daar houdt de rechtbank in straf verlichtende zin rekening mee. Anderzijds is rekening gehouden met de omstandigheid dat het niet de eerste keer is dat de verdachte betrokken is bij huiselijk geweld. Daarom wordt een gevangenisstraf van 150 dagen opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd omdat de rechtbank, met de deskundigen en de officier van justitie, van oordeel is dat middels bijzondere voorwaarden de verdachte voor zijn problematiek de nodige begeleiding en behandeling kan krijgen en gevaar op herhaling wordt beperkt. Van deze gevangenisstraf worden 48 dagen voorwaardelijk opgelegd, met de hierna te noemen voorwaarden:
  • Meldplicht bij reclassering
  • Ambulante behandeling
  • Beheersing middelengebruik
Gelet op de relatief beperkte resterende duur van de voorwaardelijke straf acht de rechtbank, anders dan de deskundigen en de officier van justitie, het opleggen van een klinische behandeling als bijzondere voorwaarde niet zinvol, nu niet te verwachten is dat deze voorwaarde tot een daadwerkelijke behandeling zal leiden. Er moet namelijk rekening worden gehouden met lange wachttijden voor opname in een geschikte zorginstelling. Daarnaast bleek ter zitting dat de verdachte geen enkele intrinsieke motivatie heeft om klinisch behandeld te worden. De verdachte is echter wel gemotiveerd om ambulante behandeling te volgen.
Gelet op het strafblad en het reclasseringsrapport moet, in tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft bepleit, er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop om die reden dadelijk uitvoerbaar.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

6.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 150 (honderdvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
48 (achtenveertig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door het FACT team van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de emotieregulatieproblematiek, de verstoord ontwikkelde coping, verstoorde rouwverwerking, persoonlijkheidsproblematiek, de depressie met psychotische kenmerken en cognitieve vaardigheden;
de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1, 2 en 3 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de onder nummers 1, 2 en 3 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mr. dr. M.I. Blagrove en mr. J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het procesdossier met nummer [proces-verbaalnummer 1].
2.FARR-verklaring van 3 oktober 2025 opgemaakt door forensisch arts [naam 2] (pagina’s 1 en 2 van de FARR-verklaring).
3.Proces-verbaal van bevindingen [proces-verbaalnummer 2], inhoudende het relaas van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (pagina 8).
4.Proces-verbaal van bevindingen [proces-verbaalnummer 3], inhoudende het relaas van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (pagina 10 e.v.).
5.Proces-verbaal aangifte [proces-verbaalnummer 4] (pagina 5 e.v.).