Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6249

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
12103901 VV EXPL 26-100
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 7:225 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning en betaling huurachterstand na beëindigingsovereenkomst

In deze kort geding procedure vordert de verhuurder ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand. De huurder is niet verschenen, waarna verstek is verleend. Er is een huurachterstand van ruim zeven maanden en partijen hebben een beëindigingsovereenkomst gesloten waarbij de huurovereenkomst per 1 februari 2026 is geëindigd.

De kantonrechter oordeelt dat de spoedeisendheid aanwezig is en dat de vordering tot ontruiming en betaling van de huurachterstand niet onrechtmatig of ongegrond is. De ontruiming wordt toegewezen omdat in een bodemprocedure ook waarschijnlijk aan de verhuurder toegewezen zal worden. De huurder moet de woning binnen een maand na betekening ontruimen, met inachtneming van een redelijke termijn vanwege een minderjarig kind.

Daarnaast moet de huurder een gebruiksvergoeding betalen tot de dag van ontruiming. Incassokosten en rente worden afgewezen vanwege een oneerlijke boetebepaling in de huurovereenkomst. De proceskosten worden aan de huurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat het direct kan worden uitgevoerd.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen een maand, betaling van huurachterstand en gebruiksvergoeding, en proceskosten; incassokosten en rente worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12103901 VV EXPL 26-100
datum uitspraak: 23 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser], die handelt onder de naam
[bedrijf A],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. D.W.E. Urbanus,
tegen

1..[gedaagde 1] , en

2. [gedaagde 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde 1] c.s.’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 26 februari 2026, met bijlagen 1 tot en met 5.
1.2.
Op 9 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting met [eiser] en mr. Urbanus besproken. [gedaagde 1] c.s. zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis voor wat betreft de ontruiming en de betalingsachterstand worden toegewezen, omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijken (artikel 139 Rv Pro).
2.2.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de geëiste ontruiming zal worden toegewezen. Er is namelijk, nog los bezien van de betalingsachterstand van zeven maanden, door de partijen een beëindigingsovereenkomst gesloten op grond waarvan de huurovereenkomst ten einde is gekomen op 1 februari 2026. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op een gewone procedure en [gedaagde 1] c.s. te veroordelen het gehuurde te ontruimen en de achterstand te betalen.
[gedaagde 1] c.s. moeten een huurachterstand van € 9.800,- betalen
2.3.
[gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld om € 9.800,- aan [eiser] te betalen. Dit is de achterstand tot en met de maand maart 2026.
[gedaagde 1] c.s. moeten de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.4.
[gedaagde 1] c.s. moeten de woning met al hun spullen verlaten. Dat moet binnen een maand nadat dit vonnis is betekend. Deze termijn vindt de kantonrechter passend, omdat er een minderjarig kind in de woning woont. Zo hebben [gedaagde 1] c.s. meer tijd om ergens anders onderdak te zoeken. [1]
2.5.
Tot en met de dag van de ontruiming moeten [gedaagde 1] c.s. een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro).
[gedaagde 1] c.s. hoeven geen incassokosten en rente te betalen
2.6.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de huurovereenkomst staat hierover een oneerlijke bepaling, namelijk artikel 11.2. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag [eiser] daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. [2] De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde 1] c.s. een boete moeten betalen als zij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoen. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zouden [gedaagde 1] c.s. als zij te laat betalen alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. [eiser] wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
[gedaagde 1] c.s. moeten de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] c.s., omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] c.s. aan [eiser] moeten betalen op € 154,09 aan dagvaardingskosten, € 265,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.140,09. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiser] te betalen € 9.800,-;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om binnen een maand na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] te Rotterdam ( [postcode] ) te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] c.s. bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om vanaf 1 april 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 1.400,- per maand aan [eiser] te betalen;
3.4.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.140,09;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
62574

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810
2.Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)