Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6190

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
ROT 24/5010
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 6:38 BWArt. 8:57 AwbArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering compensatie afgeloste schuld in kader hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht compensatie voor een afgeloste schuld van €2.000,- aan een schuldeiser. Sociale Banken Nederland (SBN) en de minister van Financiën weigerden compensatie omdat niet kon worden vastgesteld wanneer de schuld was ontstaan en opeisbaar werd, mede doordat geen notariële akte of rechterlijke uitspraak was overgelegd.

Eiseres stelde dat de schuld direct opeisbaar was op grond van artikel 6:38 BW Pro en dat de minister geen aanvullende stukken had gevraagd. Tevens deed zij een beroep op de hardheidsclausule uit artikel 9.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het standpunt innam dat onvoldoende bewijs was geleverd dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was en dat SBN wel degelijk om aanvullende informatie had verzocht.

De rechtbank overwoog dat de hardheidsclausule niet van toepassing was omdat eiseres geen onderbouwing gaf dat de afwijzing tot een onbillijke situatie zou leiden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiseres geen compensatie ontvangt en ook geen proceskostenvergoeding krijgt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van compensatie voor de afgeloste schuld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5010

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.A. Alderlieste),
en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: [naam 2] ).

Procesverloop

1. Met het besluit van 16 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN), namens de Belastingdienst/Toeslagen, geweigerd om eiseres te compenseren voor een afgeloste schuld.
1.1.
Met het besluit van 6 mei 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Partijen hebben de rechtbank bericht niet op de zitting te zullen verschijnen. Op 7 mei 2026 heeft de rechtbank bepaald dat een zitting achterwege blijft [1] en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Een onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen of de ouder daarvoor kan compenseren. De regeling hiervoor is opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2.1.
Eiseres heeft aan SBN een schuldenlijst verstrekt. Bij het primaire besluit heeft SBN geweigerd om eiseres voor de schuld aan [naam 3] van € 2.000,- te compenseren. De schuld aan [naam 3] wordt niet terugbetaald op grond van code 13. Deze code houdt in:
‘Dit bedrag betalen wij niet terug omdat wij de schuld niet goed kunnen beoordelen. Wij hebben u om extra bewijs gevraagd maar dat hebt u niet (op tijd of compleet) aangeleverd. U kunt de schuld met voldoende bewijs opnieuw indienen.’
2.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd, omdat onvoldoende informatie beschikbaar is om de schuld te beoordelen. De minister kan niet vaststellen wanneer de schuld is ontstaan en opeisbaar is geworden. Daarnaast heeft eiseres geen notariële akte of rechterlijke uitspraak aangeleverd waaruit de schuld blijkt.
Standpunt eiseres
3. In beroep voert eiseres aan dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Tussen eiseres en de schuldeiser is namelijk geen concrete betaaltermijn afgesproken, zodat de lening op grond van artikel 6:38 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) direct opeisbaar was. Daarnaast heeft de minister eiseres niet gevraagd om aanvullende stukken toe te sturen. Eiseres doet verder een beroep op de hardheidsclausule uit artikel 9.1 van de Wht.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft de minister terecht geweigerd eiseres voor de schuld aan [naam 3] te compenseren?
5. De minister verleent aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel, compensatie voor een afgeloste geldschuld, als die geldschuld op grond van artikel 4.1 van de Wht voor overneming in aanmerking zou komen, als deze niet voldaan was. [2] Een schuld komt op grond van artikel 4.1 van de Wht voor overneming in aanmerking als de schuld na 31 december 2005 is ontstaan, voor 1 juni 2021 opeisbaar was en niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [3]
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht het standpunt ingenomen dat de schuld van eiseres aan [naam 3] niet voor vergoeding in aanmerking komt op de grond dat niet kan worden vastgesteld wanneer de schuld is ontstaan en opeisbaar is geworden. Eiseres heeft slechts een betaalbewijs overgelegd waaruit volgt dat zij op
16 april 2022 een bedrag van € 2.000,- heeft overgemaakt naar [naam 3] . Uit het betaalbewijs volgt niet wanneer de schuld aan [naam 3] is ontstaan. Evenmin volgt uit het betaalbewijs dat de schuld al voor 1 juni 2021 opeisbaar was; de datum waarop eiseres het bedrag naar [naam 3] heeft overgemaakt (16 april 2022) wijst eerder op het tegendeel. De stelling van eiseres dat geen betaaltermijn is afgesproken tussen haar en [naam 3] , leidt niet tot een ander oordeel. Die stelling is pas relevant als aannemelijk is geworden dat de schuld voor 1 juni 2021 is ontstaan, maar zelfs dat heeft de minister niet kunnen vaststellen. Dat SBN niet heeft verzocht om aanvullende stukken aan te leveren, zoals eiseres betoogt, is onjuist. Uit het dossier volgt dat SBN eiseres meerdere malen heeft verzocht aanvullende informatie aan te leveren, waaronder met de brief van 18 januari 2024 waarmee SBN reageerde op het bezwaarschrift van eiseres. Bovendien betreft de schuld aan [naam 3] een zogenoemde informele schuld. Voor informele schulden geldt als aanvullende voorwaarde dat deze moeten zijn vastgelegd in een notariële akte dan wel moeten blijken uit een rechterlijke uitspraak. [4] Vast staat dat de schuld van eiseres niet is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Weliswaar kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs van een informele schuld zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. [5] Zulke documenten heeft eiseres echter niet verstrekt. Ook daarom komt de schuld niet voor vergoeding in aanmerking.
Hardheidsclausule
7. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. Op grond van de hardheidsclausule kan de minister afwijken van artikel 4.3 van de Wht voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dit geval ontbreekt een onderbouwing waaruit blijkt dat de afwijzing van het verzoek tot compensatie van de schuld leidt tot een schrijnende situatie. De minister heeft toepassing van de hardheidsclausule dan ook in redelijkheid achterwege kunnen laten.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) neemt verweerder een schuld over als deze:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden; en
c. niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Op grond van artikel 4.1, derde lid, van de Wht worden geldschulden en kosten overgenomen, die zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten;
e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
In artikel 4.3. van de Wht is bepaald:
1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
2, In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag worden ingediend door degene, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b of c, indien hij geen partner meer is op het tijdstip waarop die aanvraag wordt ingediend.
3. De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend:
a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid; of
b. tussen het moment van de dagtekening van de beschikking van de Dienst Toeslagen waarin staat dat de Dienst Toeslagen vooralsnog geen reden ziet voor uitbetaling van een forfaitair bedrag en het moment van de dagtekening van de beschikking waarin toch recht op een forfaitair bedrag als bedoeld in de artikelen 2.7, eerste lid, of artikel 2.14h, eerste lid, is vastgesteld.
4. De compensatie wordt niet verleend indien artikel 4.6 of 4.7 wordt toegepast.
5. De hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld en kosten is gelijk aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie in de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b, heeft afgelost aan opeisbare geldschulden en kosten, met een maximum van het bedrag dat hij ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel. Artikel 3.13, derde lid, is van toepassing.
In artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht met de titel ‘hardheidsclausules’ is bepaald:
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.
3.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
4.Artikel 4.1, derde lid, onder b, van de Wht.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040.