5.10.De kinderrechter komt op basis van het dossier en het verhandelde op zitting tot de volgende vaststellingen en conclusies.
a. De ouders zijn uit elkaar gegaan in 2016. [voornaam minderjarige] was toen 1,5 à 2 jaar oud. Het is niet gebleken dat [voornaam minderjarige] nadien nog bij de vader heeft gewoond, zoals de vader stelt en de moeder betwist. De GI heeft hierover geen informatie verstrekt. In de beslissing van 27 februari 2026 is al geoordeeld dat het enkele feit dat [voornaam minderjarige] bij zijn vader ingeschreven was, onvoldoende is om aan te nemen dat hij daar heeft gewoond. De kinderrechter gaat er daarom vanuit dat [voornaam minderjarige] na de scheiding in 2016 niet meer bij de vader heeft gewoond, maar bij de moeder. Er is geen concrete informatie beschikbaar gekomen over contacten tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader sinds de scheiding. Duidelijk is dat er in ieder geval sinds oktober 2020 geen contact meer is geweest, behoudens een ontmoeting op straat / bij een speeltuin in 2023.
Sinds 2020 is een groot aantal jeugdbeschermers bij [voornaam minderjarige] betrokken geweest. Er zijn voor [voornaam minderjarige] en zijn ouders meerdere trajecten geweest. In januari 2020 heeft het wijkteam systeemondersteuning gegeven (kennelijk met name gesprekken met de vader). [voornaam minderjarige] heeft ‘Piep zei de muis’ doorlopen in het voorjaar van 2021 en speltherapie gehad in de eerste helft van 2022. Na de speltherapie is [voornaam minderjarige] aangemeld bij Youz voor traumatherapie vanwege herhalingsklachten. Hij heeft uiteindelijk 2,5 jaar moeten wachten op EMDR-therapie bij Youz. Traumabehandeling van [voornaam minderjarige] bij Fier in januari 2023 en bij Sensa-Zorg in augustus 2023 is blijkens de afsluitrapportage niet van de grond gekomen (bij Fier niet vanwege de afstand naar de locatie). Beide ouders zijn aangemeld bij De Waag. Naar de vader onbetwist stelt, heeft hij zijn behandeling bij De Waag doorlopen en zag De Waag bij hem geen (agressie)probleem; volgens hem vond De Waag dat de ouders samen in gesprek moesten. De moeder heeft – zo maakt de kinderrechter op uit de afsluitrapportage van de GI – geen gesprekken bij De Waag gehad.
In de eindevaluatie van Youz van 7 juli 2025 staat kort gezegd het volgende:
- [voornaam minderjarige] heeft in 2025 EMDR-behandelingen gehad gericht op het wegnemen van nare herinneringen aan zijn vader en [voornaam minderjarige] wil zijn vader niet zien omdat hij hem nauwelijks kent,
- [voornaam minderjarige] komt over als een vrolijke en slimme jongen die adequaat contact maakt, stevig in zijn schoenen staat en thuis en op school goed functioneert, vriendjes heeft, een sport beoefent; hij heeft zelfvertrouwen en is goed in staat zijn emoties en gedachten te verwoorden;
- er zijn geen restklachten en gezien het hoge niveau van functioneren van [voornaam minderjarige] is er geen verdere behandeling geïndiceerd;
- over gedwongen contactherstel staat in het rapport:
“Wanneer tegen de wens van [voornaam minderjarige] [om geen contact met vader te hebben] in wordt gegaan en hij wordt gedwongen het contact met zijn biologische vader aan te gaan, bestaat het risico dat de behandelde herinneringen opnieuw tot klachten gaan leiden. De behandelde herinneringen hingen samen met het idee dat zijn biologische vader niet naar zijn wensen luistert. Dat idee zou (opnieuw) bevestigd kunnen worden door gedwongen pogingen het contact met zijn biologische vader te herstellen. De kans is groot dat de afkeer van zijn biologische vader (en het rechtssysteem) daardoor toeneemt.”
In november 2025 was het de bedoeling van de GI om te starten met video-omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader en om hem alvast aan te melden bij het Rotterdamse omgangshuis. Dit is niet gebeurd. [voornaam minderjarige] is na de indiening van het verzoekschrift ingedeeld bij een nieuw team binnen de GI. Dit nieuwe team vond en vindt het onverantwoord en onethisch om nog langer contactherstel na te streven, dit vanwege de bevindingen van Youz. Aanmelding bij het omgangshuis is daarnaast volgens de GI ook niet mogelijk. Aanmelding daar vereist dat [voornaam minderjarige] in enige mate gemotiveerd is voor contact met zijn vader.
De EMDR-behandelaar van [voornaam minderjarige] heeft na 27 februari 2026 nader uitgelegd welk beeld [voornaam minderjarige] heeft van zijn vader (vergelijk r.o. 6.2 van de beslissing van 27 februari 2026). De behandelaar zegt dat [voornaam minderjarige] geen gedemoniseerd vaderbeeld heeft. Hij heeft een afwezig of nauwelijks ontwikkeld vaderbeeld. De negatieve associaties die hij heeft, zijn volgens de behandelaar niet het gevolg van beïnvloeding van moeder, maar komen voort uit concrete, door hem ervaren gebeurtenissen, waarbij vader zich meerdere keren aan hem heeft opgedrongen. Deze ervaringen hebben geleid tot spanning en klachten. Op basis hiervan is zijn beeld van vader gevormd. De behandelaar waarschuwde ook na 27 februari 20266 ervoor dat gedwongen contact, of zelfs het gevoel opnieuw geen keuze te hebben ten aanzien van het contact, kunnen werken als triggers, waardoor het trauma opnieuw wordt geopend. Daarbij bestaat volgens de behandelaar het risico dat de klachten hierdoor verergerd zouden worden. [voornaam minderjarige] heeft ervaren dat zijn grenzen niet werden gerespecteerd door de vader en de GI. Als hij nu opnieuw wordt gedwongen tot contact terwijl hij daar geen motivatie voor heeft, herhaalt zich precies datgene waar hij eerder last van heeft gehad: het niet gehoord worden en het overschrijden van zijn grenzen. De behandelaar vindt de moeder realistisch, coöperatief en ondersteunend.
Er is geen concrete informatie beschikbaar gekomen over de vraag of huiselijk geweld een contra-indicatie was voor (on)begeleid contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader.
De kinderrechter is (nog steeds) van oordeel dat de ondertoezichtstelling niet goed is verlopen. Er zijn te veel wisselingen van jeugdbeschermers geweest en de behandeling van [voornaam minderjarige] is te laat van de grond gekomen.