AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak in zorgmachtigingzaak
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. J. van den Bos, rechter in een zaak betreffende een zorgmachtiging. De wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam behandelde dit verzoek op 19 januari 2026.
De kern van het geschil was de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. Wraking is bedoeld om de onpartijdigheid van een rechter te waarborgen en kan alleen worden ingediend zolang de rechter nog betrokken is bij de behandeling van de zaak. In deze situatie had de rechter op 5 januari 2026 al een einduitspraak gedaan in de hoofdzaak, waarmee de behandeling van de zaak was afgesloten.
Het wrakingsverzoek werd op dezelfde dag om 21:18 uur ontvangen, dus na de einduitspraak. Hierdoor was het verzoek niet-ontvankelijk omdat het doel van wraking, het voorkomen van verdere bemoeienis van de rechter, niet meer relevant was. De wrakingskamer verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 39 lid 3 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De beslissing werd genomen door de meervoudige wrakingskamer bestaande uit de voorzitter A.J.P. van Essen en rechters C. Sikkel en W.J. de Veld. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek omdat dit na de einduitspraak is ingediend.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: 712910 HA RK 26-9
Beslissing van 19 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te Rotterdam,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. J. van den Bos,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1.De procedure
1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/10/709866 / FA RK 25/8598. In die zaak heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging voor verzoeker te verlenen. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 5 januari 2026;
de schriftelijke reactie van de rechter van 7 januari 2026.
2.De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1.
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Op grond van artikel 36 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt. Het middel is toegekend aan een partij die wil voorkomen dat een rechter (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter al een einduitspraak heeft gedaan, omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd.
2.2.
Op de zitting van maandag 5 januari 2026 om 12:45 uur heeft de rechter in de hiervoor omschreven procedure mondeling uitspraak gedaan. Die uitspraak is een eindbeslissing waarmee de behandeling van de zaak door de rechter is geëindigd.
2.3.
Het wrakingsverzoek is op 5 januari 2026 om 21:18 uur door de rechtbank ontvangen. Dat is dus nadat de rechter in de hoofdzaak een einduitspraak heeft gedaan. Hieruit volgt dat de rechter de zaak niet meer behandelde op het moment dat het verzoek tot wraking is gedaan. Verzoeker is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de rechter. Verzoeker zal op die grond, met toepassing van het bepaalde in artikel 39 lid 3 RvPro, niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.
3.De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van
mr. J. van den Bos.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. C. Sikkel en mr. W.J. de Veld, rechters,in tegenwoordigheid van mr. D. Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.