AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing verzoek tot voeging hoofdhuurder aan zijde medehuurder in procedure medehuurderschap
In deze zaak vordert de hoofdhuurder van een woning aan een adres in Rotterdam zich te mogen voegen aan de zijde van de medehuurder in een lopende procedure over het medehuurderschap van de woning. De hoofdhuurder stelt dat hij een rechtstreeks en voldoende belang heeft bij de uitkomst van de hoofdzaak, omdat een negatieve beslissing voor de medehuurder ook zijn rechtspositie tegenover de verhuurder, Stichting Havensteder, raakt.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 217 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering eenieder die een belang heeft bij een procedure zich mag voegen aan de zijde van een partij. Het belang van de hoofdhuurder wordt als voldoende aangemerkt, mede omdat Havensteder geen bezwaar maakt tegen de voeging.
De vordering tot voeging wordt daarom toegewezen. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt verwezen naar de reeds geplande mondelinge behandeling op 16 juli 2026, waarbij partijen de gelegenheid krijgen om processtukken in te dienen. Verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Verzoek tot voeging van de hoofdhuurder aan de zijde van de medehuurder in de hoofdzaak wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11788447 CV EXPL 25-15263
datum uitspraak: 29 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[medehuurder],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gedaagde in de hoofdzaak in verzet,
gemachtigde: mr. D. Molenkamp,
tegen
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
eiseres in de hoofdzaak in verzet,
verweerster in het incident,
gemachtigde: mr. I.M.M. Versloot,
en in welke zaak zich wil voegen
[eiser in incident],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser in het incident,
gemachtigde: mr. D. Molenkamp.
Partijen worden hierna ‘ [medehuurder] ’, ‘Havensteder’ en ‘ [eiser in incident] ’ genoemd.
1.De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 22 april 2025, met bijlagen;
het verstekvonnis van deze rechtbank van 28 mei 2025 met zaaknummer 11674438 / CV EXPL 25-10307;
de verzetdagvaarding van 24 juni 2025, met bijlagen;
de incidentele conclusie tot voeging van [eiser in incident] van 4 maart 2026, met bijlage;
het antwoord in incident tot voeging van Havensteder van 23 april 2026.
2.De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser in incident] vordert dat het hem wordt toegestaan zich te voegen aan de zijde van [medehuurder] in de hoofdzaak. [eiser in incident] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij de hoofdhuurder van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) is en er een rechtstreeks en voldoende belang bij heeft dat de vordering van [medehuurder] (tot het verkrijgen van het medehuurderschap) wordt toegewezen. Een voor [medehuurder] negatieve uitkomst raakt [eiser in incident] rechtstreeks in zijn belangen en ook in zijn rechtspositie tegenover Havensteder. Havensteder refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en verzet zich niet tegen de gevorderde voeging.
[eiser in incident] mag zich in de hoofdzaak voegen
2.2.
Op grond van artikel 217 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan eenieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen aan de zijde van één van de partijen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde hij zich voegt.
2.3.
Omdat [eiser in incident] als hoofdhuurder van de woning duidelijk een belang bij voeging in de hoofdzaak heeft en Havensteder heeft laten weten dat zij hier geen bezwaar tegen heeft, staat de kantonrechter [eiser in incident] toe om zich in de hoofdzaak aan de zijde van [medehuurder] te voegen. De vordering in het incident tot voeging wordt dus toegewezen.
Proceskosten
2.4.
De proceskosten in het incident worden gecompenseerd omdat geen van partijen in het incident als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten in het incident moet betalen.
Hoofdzaak
2.5.
Omdat in de hoofdzaak reeds een mondelinge behandeling is bepaald op 16 juli 2026, zal de kantonrechter de zaak naar die verhandeling verwijzen. [medehuurder] wordt in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan deze zitting een conclusie van antwoord in verzet in te dienen. [eiser in incident] wordt in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan deze zitting een akte uitlating in te dienen. Daarbij geldt dat deze stukken uiterlijk tien dagen vóór de zittingsdatum moeten zijn ingediend.
2.6.
Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak wordt aangehouden.
3.De beslissing
De kantonrechter:
in het incident
3.1.
staat [eiser in incident] toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [medehuurder] ;
3.2.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
in de hoofdzaak
3.3.
verwijst de zaak naar de reeds geplande mondelinge behandeling op 16 juli 2026 om 13:30 uurin Rotterdam ;
3.4.
bepaalt dat [medehuurder] en [eiser in incident] hun processtukken (conclusie van antwoord in verzet en akte uitlating) uiterlijk tien dagen vóór de zitting bij de rechtbank en in afschrift aan de wederpartij moeten indienen;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.