Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6048

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
12186685 VV EXPL 26-213
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WoningwetArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontruiming sociale huurwoning wegens detentie huurder

Hef Wonen vordert in kort geding dat de huurder, die sinds medio 2025 in detentie zit, de sociale huurwoning ontruimt omdat hij zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. De huurder betwist de vordering en stelt dat zijn belangen bij behoud van de woning zwaarder wegen, onder meer omdat hij na zijn detentie dakloos zal worden en dit zijn re-integratie belemmert.

De kantonrechter stelt vast dat de huurder door zijn langdurige detentie tekortschiet in zijn verplichting om het gehuurde als hoofdverblijf te houden. Hef Wonen heeft een spoedeisend belang bij ontruiming vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen. Echter, de huurder heeft geen bewijs geleverd van een toezegging dat hij het gehuurde mocht behouden tijdens detentie.

Bij de belangenafweging weegt de kantonrechter mee dat de huurder na detentie dakloos zal zijn, dat hij re-integratieverlof en een baan buiten de inrichting heeft, en dat hij het gehuurde wil gebruiken voor omgang met zijn minderjarige dochters. Ook is het recidiverisico lager als basisvoorwaarden zoals onderdak op orde zijn. Gelet op deze belangen en het maatschappelijk belang bij re-integratie, is het niet verantwoord om de huurder nu al tot ontruiming te veroordelen.

De vordering wordt daarom afgewezen en Hef Wonen wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat de belangen van de huurder zwaarder wegen dan het belang van Hef Wonen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12186685 VV EXPL 26-213
datum uitspraak: 3 juni 2026
vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
STICHTING HEF WONEN,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. I. Jansen.
Partijen worden hierna ‘Hef Wonen’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de exploten van dagvaarding van 30 april 2026 en 2 mei 2026, met bijlagen;
  • de e-mailberichten van 19 mei 2026 van de gemachtigde van [gedaagde] , met bijlagen;
  • de pleitnotitie van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
Op 20 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens Hef Wonen de heer [naam] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde mr. E.J. Lichtenveldt. Verder was [gedaagde] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde mr. I. Jansen.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
Hef Wonen verhuurt vanaf 27 november 2019 aan [gedaagde] de woning aan het [adres] in [woonplaats] . Zij eist dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt omdat hij al vanaf medio 2025 in detentie zit en hij dus zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft.
2.2.
[gedaagde] wil dat de vordering wordt afgewezen. De tekortkoming is volgens hem niet ernstig genoeg om in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Bovendien wegen zijn belangen bij behoud van het gehuurde hier zwaarder dan het belang van Hef Wonen. Als [gedaagde] het gehuurde verliest, zal hij na het einde van zijn detentie, op 20 november 2026, namelijk dakloos worden. Dat zal zijn re-integratie in de samenleving bemoeilijken. Verder is van belang dat hij, naar hij stelt, Hef Wonen heeft geïnformeerd over zijn detentie en dat hij er, zoals met toen haar besproken, voor gezorgd heeft dat er geen huurachterstand zou ontstaan en dat er toezicht op het gehuurde werd gehouden.
3. De beoordeling
3.1.
De vordering van Hef Wonen wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot deze beslissing is gekomen.
Beoordelingskader kort geding
3.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Hef Wonen heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
3.3.
Voldoende is gebleken dat Hef Wonen een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.. Zij is verhuurder van sociale huurwoningen, waarvoor lange wachtlijsten bestaan. Haar vordering is erop gericht dat zij weer kan beschikken over het gehuurde, dat [gedaagde] nu langdurig niet bewoont, zodat zij dit kan verhuren aan iemand uit de doelgroep die daar wel hoofdverblijf zal houden.
Tekortkoming
3.4.
Niet in geschil is dat [gedaagde] volgens de huurovereenkomst verplicht is zijn hoofdverblijf in het gehuurde te houden en ook niet dat hij, door zijn detentie, langdurig daar zijn hoofdverblijf niet heeft (gehad). Duidelijk is ook dat hij pas op 20 november 2026, als zijn detentieperiode is geëindigd, weer volledig – daaraan voorafgaand, uitgaande van verloven, mogelijk enkele malen tijdelijk – zijn hoofdverblijf in het gehuurde kan houden.
3.5.
[gedaagde] heeft in dit verband gesteld dat hij Hef Wonen kort na aanvang van zijn detentie heeft gebeld en toen met haar heeft afgesproken dat hij ondanks zijn detentie het gehuurde mocht behouden zolang hij er maar voor zorgde dat de huur werd betaald en dat het gehuurde werd onderhouden. Hef Wonen heeft echter uitdrukkelijk betwist dat zij een dergelijke toezegging aan [gedaagde] heeft gedaan en gesteld dat zij niet door [gedaagde] maar door een medewerker van de gemeente Rotterdam op de hoogte kwam van zijn detentie.
3.6.
Door deze betwisting staat niet vast dat Hef Wonen [gedaagde] de door hem gestelde toezegging heeft gedaan. Nu [gedaagde] ook geen begin van bewijs heeft aangedragen voor de juistheid van zijn standpunt, dat de kantonrechter weinig aannemelijk voorkomt omdat het om een sociale huurwoning gaat, kan daarmee in deze kort geding procedure geen rekening worden gehouden.
3.7.
Uitgangspunt bij de verdere beoordeling is dan ook dat [gedaagde] door langdurig zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde te houden tekortgeschoten is, en nog steeds tekortschiet, in zijn verplichtingen als huurder. Duidelijk is ook dat Hef Wonen, als toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Woningwet, recht en belang heeft om daartegen op te treden om te bewerkstelligen dat het gehuurde, een schaarse sociale huurwoning, daadwerkelijk wordt bewoond door iemand uit de doelgroep. Aangenomen kan dan ook worden dat er in een eventuele bodemprocedure grond is voor ontbinding van de huurovereenkomst.
3.8.
Dat [gedaagde] ervoor gezorgd heeft dat de huur wordt betaald en dat er regelmatig toezicht op het gehuurde wordt gehouden (en hij in dat opzicht dus niet is tekortgeschoten in zijn huurdersverplichtingen), maakt het voorgaande niet anders.
Belangenafweging
3.9.
Hiervoor is al opgemerkt dat Hef Wonen, als verhuurder van sociale huurwoningen waarvoor wachtlijsten bestaan, er groot belang bij heeft dat haar woningen daadwerkelijk worden bewoond door iemand uit de doelgroep.
3.10.
Haar belang moet echter afgewogen worden tegen dat van [gedaagde] bij behoud van het gehuurde. Uit zijn toelichting en de door hem in het geding gebrachte stukken begrijpt de kantonrechter dat:
  • hij het gehuurde heeft verkregen na een periode van dakloosheid,
  • hij geen alternatieve woonruimte heeft en daarom na zijn detentie dus direct (weer) dakloos zal worden,
  • hij door achterstanden al langere tijd wacht op toestemming voor kortdurend verlof, wat mogelijk maakt dat hij dan kortdurend in het gehuurde verblijft,
  • hij per 1 september 2026 re-integratieverlof heeft voor extramurale arbeid (BBA), waardoor hij eenmaal per maand een verlof van twaalf uur en een verlof van 76 uur (drie nachten) zal hebben en dan in het gehuurde kan en zal overnachten,
  • hij per 1 september 2026 een betaalde baan buiten de penitentiarie inrichting heeft,
  • het recidiverisico bij uitstromende gedetineerden waarbij de basisvoorwaarden, zoals onderdak en inkomen, op orde zijn, veel lager is dan bij uitstromende gedetineerden waarbij de basisvoorwaarden niet op orde zijn,
  • hij het gehuurde ook wil gebruiken voor omgang met zijn twee minderjarige dochters van vier en twee jaar oud, en
  • tijdens de huurperiode geen sprake is geweest van andere tekortkomingen (met een lening heeft hij ervoor gezorgd dat de huur wordt betaald en zijn zus bezoekt drie keer per week het gehuurde, opent zijn post en maakt het gehuurde schoon).
3.11.
Hef Wonen heeft in dit verband nog gesteld dat [gedaagde] haar niet of onjuist heeft geïnformeerd over zijn detentie en verlofmogelijkheden en dat dit ook bij de beslissing zou moeten meewegen. [gedaagde] heeft dat gemotiveerd weersproken en heeft betwist dat hij Hef Wonen bewust onjuist heeft geïnformeerd. Bij deze stand van zaken kan in deze kort geding procedure, die naar zijn aard niet geschikt is voor bewijslevering, niet vastgesteld worden wie op dit punt gelijk heeft, daargelaten de vraag of hieraan dan doorslaggevende betekenis zou moeten toekomen.
3.12.
Dat alles in aanmerking genomen komt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat het, gelet op de belangen van Hef Wonen en [gedaagde] en ook op het maatschappelijk belang bij een succesvolle re-integratie van [gedaagde] in de samenleving, niet zodanig aannemelijk is dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken dat het verantwoord is vooruitlopend daarop [gedaagde] nu alvast tot ontruiming te veroordelen. Daarom worden de eisen van Hef Wonen afgewezen.
Proceskosten
3.13.
De proceskosten komen voor rekening van Hef Wonen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die zij aan [gedaagde] moet betalen op € 577,- aan salaris voor zijn gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 721,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de eisen van Hef Wonen af;
4.2.
veroordeelt Hef Wonen in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 721,-.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.
654