Hef Wonen vordert in kort geding dat de huurder, die sinds medio 2025 in detentie zit, de sociale huurwoning ontruimt omdat hij zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. De huurder betwist de vordering en stelt dat zijn belangen bij behoud van de woning zwaarder wegen, onder meer omdat hij na zijn detentie dakloos zal worden en dit zijn re-integratie belemmert.
De kantonrechter stelt vast dat de huurder door zijn langdurige detentie tekortschiet in zijn verplichting om het gehuurde als hoofdverblijf te houden. Hef Wonen heeft een spoedeisend belang bij ontruiming vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen. Echter, de huurder heeft geen bewijs geleverd van een toezegging dat hij het gehuurde mocht behouden tijdens detentie.
Bij de belangenafweging weegt de kantonrechter mee dat de huurder na detentie dakloos zal zijn, dat hij re-integratieverlof en een baan buiten de inrichting heeft, en dat hij het gehuurde wil gebruiken voor omgang met zijn minderjarige dochters. Ook is het recidiverisico lager als basisvoorwaarden zoals onderdak op orde zijn. Gelet op deze belangen en het maatschappelijk belang bij re-integratie, is het niet verantwoord om de huurder nu al tot ontruiming te veroordelen.
De vordering wordt daarom afgewezen en Hef Wonen wordt veroordeeld in de proceskosten.