ECLI:NL:RBROT:2026:6043

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717284 / JE RK 26-608
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen en machtigingen tot uithuisplaatsing bij respectievelijk de vader en de moeder. De kinderen wonen momenteel gescheiden en hebben geen contact met de andere ouder of met elkaar buiten school. De Raad acht het noodzakelijk om intensief in te zetten op contactherstel en een gezamenlijke opvoedingssituatie.

Tijdens de zitting, waarbij beide ouders en hun advocaten aanwezig waren, werd het verzoek van de Raad ondersteund door de gecertificeerde instelling. De vader en moeder stemden in met het verzoek, hoewel zij verschillende voorkeuren hebben over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De kinderrechter constateert ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen door de conflicten tussen de ouders en het ontbreken van contact tussen de kinderen.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is om de verzorging en opvoeding te waarborgen. De beschikking legt een ondertoezichtstelling op voor de duur van een jaar en machtigingen tot uithuisplaatsing voor vier maanden, met het doel het contact te herstellen en het perspectief voor de kinderen te bepalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht en verleent machtigingen tot uithuisplaatsing bij respectievelijk vader en moeder voor vier maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717284 / JE RK 26-608
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Smits, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.F. Cheung, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 30 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • de stukken van de advocaat van moeder, ontvangen op 4 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, [persoon B] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] woont bij de vader en [voornaam minderjarige 2] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] bij de vader met gezag en een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de moeder met gezag te verlenen voor de duur van vier maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Op dit moment wonen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet samen. Ook hebben zij geen contact meer met de andere ouder en [voornaam minderjarige 1] heeft geen contact met zijn halfbroertje dat bij de moeder woont. De Raad acht het noodzakelijk dat er intensief wordt ingezet op contactherstel. Daarbij vindt de Raad het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt, zodat de kinderen gegarandeerd zijn van contact met elkaar en met de andere ouder. Het is in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] dat zij samen kunnen opgroeien.

4.De standpunten

4.1.
De GI ondersteunt ter zitting het verzoek van de Raad. Het is belangrijk dat er snel contactherstel plaatsvindt tussen de kinderen en de ouders. Ook contactherstel tussen [voornaam minderjarige 1] en zijn halfbroertje is belangrijk. De GI acht een periode van vier maanden voor de machtiging tot uithuisplaatsing kort om het perspectief te bepalen voor de kinderen. Daarnaast staat er volgende week een familierechtelijke procedure gepland. Hier zal de GI rekening mee moeten houden.
4.2.
Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De vader wil het liefst dat [voornaam minderjarige 2] ook bij hem komt wonen. De vader staat open voor alle hulp voor hem en voor de kinderen.
4.3.
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek van de Raad. De moeder wil het liefst dat beide kinderen bij haar thuis komen wonen en dat er met behulp van een omgangsregeling wordt opgebouwd naar co-ouderschap. De moeder heeft er alles aan gedaan om het contact tussen de kinderen te herstellen, maar de vader ging nergens mee akkoord.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. Er bestaan forse zorgen over de opvoedsituaties van de kinderen en de effecten daarvan op hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Er is sprake van strijd tussen de ouders en het lukt de ouders niet om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] buiten deze strijd te houden. Beide ouders belasten de kinderen met volwassenproblematiek en betrekken [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in hun strijd. Dit heeft ertoe geleid dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] sinds september 2025 niet meer bij elkaar wonen en geen contact meer hebben met de andere ouder. Door deze situatie heeft [voornaam minderjarige 1] ook zijn halfbroertje al een lange tijd niet gezien. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zitten bij elkaar in de klas, maar zien elkaar buiten school niet. Daarnaast bestaan er zorgen over de opvoedvaardigheden van beide ouders.
5.3.
De kinderrechter ziet twee ouders die deels bereid, maar onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Positief is dat de ouders beiden niet willen dat de situatie zo voortduurt. Het lukt de ouders echter niet om op een neutrale en constructieve wijze samen te werken in het belang van hun kinderen.
5.4.
De komende periode is het van belang dat de ouders de samenwerking met de GI aangaan om afspraken te maken over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Ook moet er zicht komen op de opvoedsituaties van beide ouders. Verder is het noodzakelijk dat de ouders niet negatief spreken over de andere ouder in het bijzijn van de kinderen, openstaan voor de hulpverlening en inzicht geven in de thuissituaties. Ook moet er worden gekeken of individuele hulpverlening voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] nodig is, omdat zij al veel hebben meegemaakt. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat het de ouders lukt om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] buiten de onderlinge strijd te houden en het belang van hun kinderen voorop te stellen.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. Ter zitting is ook geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling. De kinderrechter stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van de GI voor de duur van een jaar, te weten tot 7 mei 2027.
5.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Tussen de ouders is geen overeenstemming over de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en er zij hebben ook geen afspraken over de hoofdverblijfplaats of de zorg- en opvoedtaken vastgelegd. De kinderrechter benadrukt ter zitting dat de huidige situatie, waarbij de kinderen gescheiden wonen, zeer onwenselijk is. Tegelijkertijd bestaat er nog veel onduidelijkheid over het perspectief van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De kinderrechter zal de situatie zoals die nu is kort bestendigen, zodat de GI kan onderzoeken wat de beste plek is voor de kinderen om samen te zullen opgroeien. Het is in het belang van de kinderen dat zij snel weer samen worden geplaatst en dat er een passende omgangsregeling wordt vastgesteld met de ouder waar zij niet bij wonen. Ook moet onderzocht worden of (op den duur) een co-ouderschap al dan niet passend is. Daarnaast is het nodig dat de GI voortvarend aan de slag gaat met het herstellen van het contact tussen [voornaam minderjarige 1] en de moeder en zijn halfbroertje en tussen [voornaam minderjarige 2] en de vader.
5.7.
Gelet op het voorgaande verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] bij de vader met gezag voor de duur van vier maanden. Ook verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de moeder met gezag voor de duur van vier maanden.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 7 mei 2026 tot 7 mei 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] bij de vader met gezag met ingang van 7 mei 2026 tot 7 september 2026;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de moeder met gezag met ingang van 7 mei 2026 tot 7 september 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 13 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.