Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6037

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/719110 / KG ZA 26-426
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedeeltelijke nakomingsvordering over toebedeling woning en ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid

De vrouw en de man zijn gescheiden en hebben in het echtscheidingsconvenant afspraken gemaakt over de toebedeling van de echtelijke woning en de afwikkeling van hun vennootschap onder firma (vof). De vrouw vordert dat de man haar de mogelijkheid geeft de woning alsnog toe te kennen en dat zij wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor zakelijke kredieten.

De man heeft de vrouw nog niet uitgeschreven als vennoot en zij is niet ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen voor de kredieten bij Hiltermann Lease en Rabobank. De voorzieningenrechter oordeelt dat de man zich moet inspannen om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid bij Rabobank te ontslaan, maar wijst de vordering tot uitschrijving als vennoot en ontslag bij Hiltermann Lease af vanwege gebrek aan spoedeisend belang.

Verder krijgt de vrouw, ondanks eerdere afstand van toebedeling, vanwege gewijzigde omstandigheden vier maanden de tijd om het recht van erfpacht van de woning toe te kennen te krijgen. De vordering tot medewerking aan verkoop aan de woningcorporatie wordt afgewezen. De kosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De vrouw krijgt de gelegenheid om de woning toe te kennen en de man moet zich inspannen om haar uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor het Rabobank-krediet te ontslaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/719110 / KG ZA 26-426
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. H.W. Haksteeg,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. S.A.E. van Poppel.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
De vrouw en de man zijn gescheiden. In het echtscheidingsconvenant hebben zij afspraken gemaakt over de toebedeling van de echtelijke woning en de afwikkeling van hun vennootschap onder firma. De vrouw vordert dat de man haar in de gelegenheid stelt de echtelijke woning toebedeeld te krijgen en dat de man haar uitschrijft als vennoot en ervoor zorgdraagt dat zij wordt ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen voor zakelijke kredieten. De voorzieningenrechter wijst een deel van de vorderingen toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 april 2026 met producties 1 tot en met 11;
- de akte overlegging producties van de man met producties 1 tot en met 5;
- de mondelinge behandeling van 4 mei 2026;
- de spreekaantekeningen van de vrouw;
- de pleitnotities van de man.

3.De feiten

3.1.
Partijen waren getrouwd. Bij beschikking van 18 december 2025 is de echtscheiding uitgesproken. In het echtscheidingsconvenant dat is getekend op 16 december 2025 (hierna: het convenant) staat over de echtelijke woning:
“Toedeling van het recht van erfpacht op de in artikel 3.1 genoemde woning aan de man geschiedt onder de opschortende voorwaarden dat de in artikel 3.3. genoemde hypotheeknemer de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de in artikel 3.3 genoemde hypotheekschuld, dat Stichting QuaWonen de vrouw ontslaat uit al haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de tussen haar en Stichting QuaWonen gemaakte afspraken (…)
Voor het geval de bank en/of Stichting QuaWonen niet bereid zouden zijn om de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan binnen vier maanden na ondertekening van dit convenant (…) heeft de vrouw de optie het recht van erfpacht toebedeeld te krijgen (…). Mocht het voor de vrouw niet haalbaar blijken om het recht van erfpacht toebedeeld te krijgen cq mocht zij dit niet wensen (…) zullen partijen de woning (…) aan de Woningcorporatie te koop aanbieden (…).”
3.2.
De vrouw was op 16 april 2026 niet ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschuld voor de woning.
3.3.
In het convenant staat over de vennootschap onder firma van de man en de vrouw (hierna: de vof):

De vrouw zal uit de vennootschap onder firma treden. De man zet de onderneming voort. De vrouw draagt haar aandeel in de vennootschap per datum ondertekening convenant over aan de man. Per deze datum eindigt de vennootschap onder firma tussen partijen.
De uittreding zal door de man uiterlijk binnen twee weken na ondertekening van dit convenant worden inschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. (…)
Voor de VOF cq dienst vennoten is een zakelijk krediet aangegaan bij Hiltermann Lease B.V. Partijen komen overeen dat deze schuld voor rekening komt van de man, zulks onder vrijwaring van de vrouw. De man dient ervoor zorg te dragen dat de vrouw binnen twee maanden na ondertekening van dit convenant wordt ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot deze schuld.”
3.4.
De vrouw is door de man per 31 december 2025 uitgeschreven als UBO (‘
Ultimate Beneficial Owner’) van de vof in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
3.5.
In januari 2026 heeft de man een zakelijk krediet aangevraagd bij de Rabobank op naam van de vof en daartoe een kredietovereenkomst getekend. De vrouw heeft deze overeenkomst ook getekend. Er is daarom sprake van een zakelijk krediet bij de Rabobank van € 200.000,- dat op naam van zowel de man als de vrouw staat.
3.6.
De vrouw is niet ontslagen uit de hoofdelijke verplichtingen van het zakelijk krediet bij Hiltermann Lease.

4.Het geschil

4.1.
De vrouw vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
1. de man veroordeelt om binnen twee dagen na wijzen van vonnis alle medewerking te verlenen aan de uitschrijving van de vrouw uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel op straffe van verbeurte van een dwangsom;
2. de man veroordeelt om binnen 2 werkdagen te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot het zakelijk krediet van Hiltermann Lease B.V. op straffe van verbeurte van een dwangsom;
3. de man veroordeelt om binnen 2 werkdagen, te bewerkstelligen dat het krediet bij de Rabobank ongedaan wordt gemaakt, althans te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot het zakelijk krediet bij de Rabobank, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
4. de man gebiedt om de vrouw een termijn te geven van vier maanden vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, om het recht van erfpacht van de echtelijke woning toebedeeld te krijgen onder de in het convenant genoemde voorwaarden;
5. in het geval de vrouw het recht van erfpacht niet kan overnemen, de man veroordeelt mee te werken aan verkoop en levering aan de woningcorporatie of een derde, waarbij de verdeling van de opbrengsten plaatsvindt zoals bepaald in het convenant, op straffe van verbeurte van een dwangsom
6. de man veroordeelt in de kosten van deze procedure.
4.2.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Toetsingskader kort geding
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De vrouw heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen
5.2.
Het spoedeisend belang van de vrouw volgt uit de aard van de vorderingen.
De man hoeft de vrouw niet uit te schrijven als vennoot
5.3.
De vrouw voert aan dat zij in strijd met het convenant nog steeds ingeschreven staat als vennoot van de vof. De man moet daarom worden veroordeeld om haar alsnog uit schrijven.
5.4.
De vordering wordt afgewezen. De man heeft ter zitting uitgelegd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de vrouw al was uitgeschreven als vennoot. Nadat de man was gebleken dat de vrouw enkel was uitgeschreven als UBO en niet als vennoot, heeft hij op 1 mei 2026 een verzoek tot uitschrijving ingediend, dat partijen enkel nog (digitaal) dienen goed te keuren. De man heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet opzettelijk de vrouw niet heeft uitgeschreven. Gelet daarop en gelet op de omstandigheid dat de vrouw spoedig uitgeschreven zal worden als vennoot, is er geen aanleiding om de man op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot het verlenen aan medewerking tot de uitschrijving.
De man hoeft niet het zakelijk krediet voor de bedrijfsauto te beëindigen
5.5.
De vrouw voert aan dat de man in strijd met het convenant er niet voor heeft gezorgd dat zij is ontslagen uit de hoofdelijke verplichtingen voor het zakelijk krediet bij Hiltermann Lease B.V. voor een bedrijfsauto en dat de man daarom daartoe veroordeeld dient te worden.
5.6.
De vordering wordt afgewezen. De einddatum van het krediet is 1 juni 2026 en niet in geschil is dat alle termijnen steeds tijdig zijn voldaan. Wanneer de laatste termijn medio mei 2026 wordt voldaan resteren geen verplichtingen meer uit hoofde van dit zakelijk krediet. De vrouw heeft daarom geen belang meer bij deze vordering, ook als aangenomen zou worden dat de man zich onvoldoende heeft ingespannen om de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijke verplichtingen.
De vrouw moet worden ontslagen uit hoofdelijke verplichtingen bij Rabobank
5.7.
De vrouw voert aan dat de man zonder haar instemming een zakelijk krediet bij Rabobank voor de vof heeft aangevraagd. Zij heeft de overeenkomst voor dit krediet wel getekend, maar alleen omdat de man aangaf dat dit nodig was voor beëindiging van de vof. Het zakelijk krediet staat nu mede op haar naam. De man moet er zorg voor dragen dat zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke verplichtingen voor dit krediet.
5.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn beide partijen er debet aan dat het krediet ten onrechte is verleend aan de vof en daarmee op naam van de (gewezen) vennoten is komen te staan. Toen partijen het krediet met Rabobank aangingen bestond de vof immers niet meer. De man weerspreekt echter niet dat het zijn verantwoordelijkheid is om zich ervoor in te spannen dat de vrouw zo spoedig mogelijk wordt ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen. De man heeft een door de Rabobank opgesteld stappenplan overgelegd, waarin is uiteengezet welke stappen dienen te worden doorlopen om dit mogelijk te maken. Het mag van de man worden verwacht dat hij dat stappenplan doorloopt. De man zal ertoe worden veroordeeld om zich in te spannen en binnen zijn mogelijkheden het nodige ervoor te doen opdat de vrouw zo spoedig mogelijk wordt ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen voor het krediet bij de Rabobank. De gevorderde dwangsom wordt beperkt zoals vermeld in de beslissing.
De vrouw krijgt de gelegenheid om de echtelijke woning te krijgen toebedeeld
5.9.
De vrouw voert aan dat de man na ondertekening van het convenant vier maanden had om het recht van erfpacht voor de echtelijke woning toebedeeld te krijgen. Dit is nog niet gebeurd. Zij wil daarom nu, zoals vastgelegd in het convenant, de gelegenheid krijgen om de echtelijke woning toebedeeld te krijgen. Hoewel de vrouw eerder had aangegeven de echtelijke woning niet toebedeeld te willen krijgen is haar situatie veranderd, omdat zij op korte termijn moet verhuizen met haar kinderen en nieuwe partner. Zij had een andere woning gevonden, maar die kan zij niet kopen doordat de man zijn verplichtingen voor het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke verplichtingen niet is nagekomen. De man heeft hiertegen ingebracht dat hij alsnog de echtelijke woning toebedeeld wil krijgen en dat hij uitstel wil, omdat de vertraging is gelegen aan problemen bij het opmaken van de jaarstukken van zijn onderneming over 2025.
5.10.
Deze vordering van de vrouw wordt toegewezen. Partijen zijn in het convenant overeengekomen dat de man vier maanden zou krijgen om de voorwaarden te doen vervullen waaronder hij aanspraak kon maken op toebedeling van het recht van erfpacht van de echtelijke woning. Als de man daar niet in zou slagen, zou de vrouw vier maanden krijgen om hetzelfde te proberen. Deze situatie doet zich nu voor. De man heeft gevraagd om verlenging van de eerder overeengekomen termijn, maar gelet op de door de man geschetste oorzaak zou de aan hem gegunde termijn daarmee vrijwel verdubbelen. Voor een dergelijk uitstel bestaat geen rechtsgrond. Partijen zijn de termijn van vier maanden overeengekomen met bijstand van eigen advocaten. De problemen die de man heeft ondervonden bij het (laten) opstellen van de jaarstukken van zijn onderneming komen voor zijn rekening en risico en zijn geen reden om van de gemaakte afspraak af te wijken.
5.11.
Hoewel de vrouw eerder kenbaar heeft gemaakt de echtelijke woning niet toebedeeld te willen krijgen, is sprake van een dusdanige wijziging van omstandigheden dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat dit haar niet kan worden tegengeworpen. Gelet op het feit dat zij op korte termijn haar huidige woning moet verlaten en de vrouw kenbaar heeft gemaakt over voldoende financiering te beschikken voor toebedeling van de echtelijke woning, heeft zij er op dit moment voldoende belang bij om alsnog de echtelijke woning toebedeeld te krijgen op de wijze zoals partijen in het convenant zijn overeengekomen. Gelet op de gewijzigde situatie krijgt de vrouw daarvoor vier maanden vanaf de datum van dit vonnis, zodat haar een even lange termijn wordt gegund als de man heeft gekregen. De gevorderde dwangsom wordt beperkt zoals vermeld in de beslissing.
Geen voorlopige voorzieningen voor geval vrouw echtelijke woning niet krijgt toebedeeld
5.12.
De vrouw vordert dat man wordt veroordeeld om medewerking te verlenen aan een verkoop aan de woningcorporatie of een derde in het geval zij de echtelijke woning niet krijgt toebedeeld, met bepaling dat de verdeling van de opbrengsten van de verkoop plaatsvindt zoals overeengekomen in het convenant.
5.13.
Deze vordering wordt afgewezen. De vrouw heeft aangegeven dat het recht van erfpacht van de echtelijke woning kan en wil overnemen. Mocht dat op enig moment toch anders blijken te zijn, dan is sprake van een nieuwe situatie. Er is geen grond om in het kader van dit kort geding daarop al vooruit te lopen.
Proceskosten
5.14.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. De geschillen waarop deze procedure betrekking heeft hangen samen met de afwikkeling van hun relatie. De proceskosten zullen, zoals gebruikelijk in een dergelijk geval, tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt de man om zich ervoor in te spannen en binnen zijn mogelijkheden het nodige ervoor te doen dat de vrouw zo spoedig mogelijk door de Rabobank zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de financiering van de vennootschap onder firma,
6.2.
gebiedt de man om de vrouw een termijn te geven van vier maanden vanaf de datum van dit vonnis, teneinde het recht van erfpacht van de echtelijke woning toebedeeld te krijgen onder de in het convenant genoemde voorwaarden,
6.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan ieder van de hoofdveroordelingen onder 6.1 of 6.2 voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
4049 / 1729