ECLI:NL:RBROT:2026:6033

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717287 / JE RK 26-609
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling minderjarige wegens onvoldoende ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een tweejarige minderjarige vanwege zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder, waaronder een vervuilde woning met veel dieren en de belastbaarheid van de moeder. De vader, die geen gezag heeft maar intensief betrokken is, is belanghebbende maar was niet aanwezig bij de zitting.

De moeder voert verweer en benadrukt dat de situatie in huis is verbeterd, dat hulpverlening van Middin wekelijks aanwezig is en dat de zorgen over de woning niet meer actueel zijn. De minderjarige is opgenomen geweest in het ziekenhuis voor benauwdheidsklachten en wordt onderzocht op astma.

De kinderrechter oordeelt dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium voor ondertoezichtstelling, omdat de ouders adequaat met de zorgen omgaan, hulpverlening betrokken is en er zicht is op de ontwikkeling van de minderjarige. De situatie bij de moeder is verbeterd en de gezinsleden werken samen. De GI blijft betrokken bij het gezin vanwege de halfbroers.

Daarom wijst de kinderrechter het verzoek af en spreekt de hoop uit dat de ouders de positieve ontwikkeling voortzetten. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende ontwikkelingsbedreiging en voldoende acceptatie van zorg door de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717287 / JE RK 26-609
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Smits, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 30 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, [persoon B] .
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter merkt de vader als belanghebbende aan. De vader heeft [voornaam minderjarige] niet erkend en is niet belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . Naar het oordeel van de kinderrechter is sprake van ‘family-life’ in de zin van art. 8 EVRM Pro. De vader is immers intensief betrokken bij de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . Hij heeft een relatie met de moeder, verblijft doordeweeks bij de moeder en [voornaam minderjarige] . Daarnaast verblijft [voornaam minderjarige] soms ook in de weekenden bij de vader. De ouders nemen ook gezamenlijk beslissingen over [voornaam minderjarige] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De Raad maakt zich zorgen over de vervuilde woning met veel dieren en de beschikbaarheid van de moeder. De moeder heeft veel meegemaakt en de situatie vraagt veel van haar. Daarnaast is er sprake van een continue strijd tussen de moeder en de vader van de halfbroers van [voornaam minderjarige] , waar de moeder door in beslag genomen wordt. Het is positief dat de moeder laat zien mee te willen werken. Toch ziet de Raad ook een patroon waarbij, ondanks de betrokken hulpverlening, bemoeienissen telkens nodig blijken te zijn. Door een ondertoezichtstelling komt er echt zicht op de thuissituatie bij de moeder, waar ook de vader doordeweeks verblijft. Er moet ook zicht komen op de thuissituatie bij de vader, waar [voornaam minderjarige] soms in het weekend verblijft.

4.De standpunten

4.1.
De GI brengt ter zitting het volgende naar voren. Op basis van de stukken ziet de GI dat de situatie bij de moeder thuis de afgelopen tijd is verbeterd. Toch acht de GI de kans op achteruitgang aanwezig gelet op wat de Raad ter zitting aangeeft. De GI kan aanvullende hulpverlening inschakelen. Verder geeft de GI aan dat de GI in algemene zin door beperkte capaciteit niet langer kan voldoen aan de reguliere normen, waaronder het toewijzen van vaste jeugdbeschermers aan alle nieuwe zaken. Voor nieuwe zaken wordt een triage toegepast in overleg met de gedragswetenschapper van de GI. Deze zaak is nog niet besproken met de gedragswetenschapper, maar de jeugdbeschermer schat in dat deze zaak in de middelste categorie van urgentie uit zal komen en er dus niet direct een vaste jeugdbeschermer kan worden ingezet. De zaak zal dan op een monitorlijst terechtkomen.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder acht een ondertoezichtstelling voor [voornaam minderjarige] niet noodzakelijk. De moeder heeft zelf als eerste zorgen geuit over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . De ouders zijn zelf aan de slag gegaan met hulp voor [voornaam minderjarige] en hulpverlening van Middin komt wekelijks over de vloer bij de moeder voor opvoedondersteuning ten aanzien van de halfbroer van [voornaam minderjarige] en ondersteuning bij het opruimen en schoonmaken van het huis. Deze hulp kan ook nog worden uitgebreid. De zorgen over de woning die in het raadsrapport worden omschreven zijn volgens de moeder niet meer actueel. De moeder heeft een pand geregeld waar de meeste dieren nu verblijven. [voornaam minderjarige] is recent opgenomen in het ziekenhuis voor zijn benauwdheidsklachten en wordt onderzocht op astma.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van de jeugdbescherming als de minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders de zorg, die nodig is om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen, niet of onvoldoende accepteren (artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter is, gelet op de stukken en de mondelinge behandeling, van oordeel dat niet wordt voldaan aan dit criterium. De kinderrechter legt hierna uit waarom niet.
5.2.
[voornaam minderjarige] is in beeld gekomen bij de Raad naar aanleiding van onderzoek naar de situatie van zijn halfbroers. Er bestaan zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Er is sprake van een achterstand in de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] op het gebied van taal, spraak en groei. Verder heeft [voornaam minderjarige] benauwdheidsklachten, die volgens de Raad mogelijk voortkomen uit de opvoedsituatie bij de moeder, vanwege dieren die in het huis verblijven. Er zijn ook zorgen over de belastbaarheid van de moeder; zij heeft moeite met het gedrag van de halfbroer van [voornaam minderjarige] die ook bij haar woont en zit in een strijd met de vader van de halfbroers van [voornaam minderjarige] .
5.3.
Uit het raadsrapport komt aan de andere kant naar voren dat de ouders adequaat met de zorgen over de ontwikkeling en gezondheid van [voornaam minderjarige] aan de slag zijn gegaan. De ouders verdelen de verzorgings- en opvoedtaken en er is veel hulpverlening betrokken. [voornaam minderjarige] heeft regelmatig een afspraak bij de logopediste en Middin monitort de groei van [voornaam minderjarige] . Middin is er ook voor ondersteuning in de thuissituatie. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat de hulpverlening van Middin kan worden uitgebreid. [voornaam minderjarige] gaat ook naar de peuterspeelzaal, waardoor er vanuit alle kanten zicht is op [voornaam minderjarige] . De informanten die in het raadsrapport worden aangehaald, benoemen weinig actuele zorgen over [voornaam minderjarige] . De kinderrechter ziet ouders die samenwerken en op dit moment voldoende de weg naar de hulpverlening weten te vinden en ook zelf om hulp vragen. Verder lijkt er verbetering met betrekking tot de situatie in de woning van de moeder. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat aan het criterium dat de ouders de hulp niet of onvoldoende accepteren niet is voldaan. De kinderrechter overweegt verder dat de GI in het kader van de halfbroers van [voornaam minderjarige] betrokken zal zijn bij het gezin, waardoor er op die manier zicht blijft op de situatie in de woning en de belastbaarheid van de moeder mogelijk ook wordt vergroot. [voornaam minderjarige] is twee jaar oud en daardoor volledig afhankelijk van zijn ouders. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de ouders de positieve ontwikkeling voortzetten en in het belang van [voornaam minderjarige] de nodige stappen zetten.
5.4.
Gelet op het voorgaande, wijst de kinderrechter het verzoek van de Raad af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 13 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.