Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[vrouw] ,
[naam bedrijf] B.V.,
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026;
- de pleitaantekeningen van [man] ;
- de spreekaantekeningen van [gedaagden]
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding tussen voormalige vennoten van een vennootschap onder firma (vof) die was ontbonden na beëindiging van hun affectieve relatie. Gedaagde had de bedrijfsactiviteiten voortgezet via een nieuw opgerichte BV, terwijl eiser vorderde dat de oude situatie zoveel mogelijk werd hersteld en hij weer toegang kreeg tot de bedrijfsvoering.
De voorzieningenrechter oordeelde dat gedaagde de voortzetting van de onderneming mocht voortzetten, omdat partijen niet de bedoeling hadden de onderneming te liquideren maar toe te bedelen aan gedaagde. Eiser had onvoldoende belang bij het behoud van de oude situatie en zijn vorderingen daartoe werden afgewezen. Wel werd geoordeeld dat eiser zich moet onthouden van verdere bemoeienis met de bedrijfsvoering, gezien de verslechterde verstandhouding.
In reconventie werden vorderingen van gedaagde tot overdracht van digitale toegang, het verbod op het verrichten van digitale handelingen door eiser en het regelen van toegang tot het camerasysteem en bedrijfslocatie deels toegewezen. Andere vorderingen, zoals een contactverbod met personeel en afgifte van een auto, werden afgewezen. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en kent gedaagde deels gelijk in haar vorderingen tot overdracht van digitale toegang en ontzegging van eiser.