Feiten
2. Op de waardepeildatum was eiser eigenaar van de woning [adres 1] in Rotterdam. Het betreft een onzelfstandige woning (stapelbouw) met een gebruiksoppervlakte van 131 m² en een tuin van 26 m², gelegen in de wijk Hillesluis. Het bouwjaar van de woning is 1928.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het door de gemachtigde van eiser opgestelde beroepschrift, de ‘pinpointbrief’ en de andere brieven staan vol met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de woningen betrekking hebbende stellingen. In elke zaak van deze gemachtigde worden min of meer dezelfde brieven gestuurd. De rechtbank acht het niet mogelijk om die stukken bij de beoordeling van de zaak te betrekken, mede gezien het ogenschijnlijk ontbreken van concrete samenhang met de voorliggende zaak.
4. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting wel standpunten ingenomen die specifieker op de zaak betrekking hebben en waarvan hij zelf heeft aangegeven dat het daar echt om gaat. Voor zover de rechtbank de genoemde standpunten niet in strijd acht met de goede procesorde, zal de rechtbank deze beoordelen. De beoordeling van standpunten blijft achterwege als de rechtbank of de heffingsambtenaar zich daarop, door het late moment waarop ze zijn ingenomen, onvoldoende heeft kunnen voorbereiden.
WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelastingen
5. Eiser voert aan dat de WOZ-waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Volgens hem bedraagt de waarde € 245.000,-. Eiser stelt dat zijn onzelfstandige woning niet kan worden vergeleken met zelfstandige woningen. Daarbij wijst eiser ook op de verschillen in vierkantemeterprijs, energielabel en KOUDV-factoren tussen zijn woning en de gehanteerde vergelijkingsobjecten. Daarnaast stelt eiser dat de grondstaffel niet is overgelegd, dat de koopsommen niet geïndexeerd zijn naar de waardepeildatum en dat de indexering niet inzichtelijk is gemaakt.
6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "
de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
7. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Om te beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, moet de rechtbank beoordelen of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiser en, zo ja, of de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning van eiser en de vergelijkingsobjecten.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatierapport en een matrix overgelegd waaruit blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van de vergelijkingsmethode met drie vergelijkingsobjecten, namelijk [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] in Rotterdam. De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken zoals bouwjaar, type, ligging, onderhoud, kwaliteit en het gegeven dat de vergelijkingsobjecten net zoals de woning van eiser over een tuin beschikken voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiser.
9. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan eiser stelt heeft de heffingsambtenaar de grondstaffel wel verstrekt. Ook heeft de heffingsambtenaar het indexeringspercentage inzichtelijk gemaakt. Achter het verweerschrift is namelijk een lijst met verkooptransacties van woningen uit dezelfde buurt als de woning van eiser bijgevoegd waaruit het indexeringspercentage is ontstaan. Uit de matrix volgt dat de koopsommen van de vergelijkingsobjecten zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. De stellingen van eiser dat de grondstaffel niet is verstrekt, het indexeringspercentage niet inzichtelijk is gemaakt en de koopsommen niet geïndexeerd zijn, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Ondanks dat op de WOZ-beschikking staat dat de woning van eiser een onzelfstandige woning betreft, heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat de woning over eigen voorzieningen beschikt en daarmee dus een zelfstandige woning betreft. Eiser heeft hier niets tegenin gebracht wat de rechtbank heeft doen twijfelen aan de gegeven toelichting door de heffingsambtenaar. De rechtbank acht de woning van eiser dan ook vergelijkbaar met de gehanteerde vergelijkingsobjecten. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning van eiser door deze inzichtelijk in een matrix weer te geven. Zo heeft de heffingsambtenaar de voorzieningen van onderhavige woning op een ‘2’ (slecht) en de voorzieningen van de vergelijkingsobjecten op een ‘3’ (voldoende) gewaardeerd. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de vierkantemeterprijs van onderhavige woning (€ 1.841,- per m²) lager is dan de gemiddelde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten (€ 2.236,- per m²). Deze marge resulteert in een bandbreedte van circa € 51.788,-. Voor zover er al overige verschillen zouden bestaan tussen de woning en de gehanteerde vergelijkingsobjecten, kunnen deze binnen de genoemde bandbreedte worden geacht te zijn verdisconteerd.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen niet te hoog zijn vastgesteld.
Aanslagen riool- en afvalstoffenheffing
11. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat zijn beroep ook ziet op de aanslagen riool- en afvalstoffenheffing die tegelijk met de aanslag onroerendezaakbelastingen 2024 zijn opgelegd. De gemachtigde van eiser stelt dat hij, voordat hij beroep heeft ingesteld, bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen riool- en afvalstoffenheffing. Hiervoor verwijst hij naar de volmacht en het bezwaarschrift in het dossier.
12. Voor zover de gemachtigde van eiser beroep heeft ingesteld tegen de aanslagen riool- en afvalstoffenheffing, is het beroep niet-ontvankelijk. Voordat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, dient namelijk eerst bezwaar te worden gemaakt.De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser in het bezwaarschrift heeft vermeld dat zijn bezwaarschrift gericht is tegen de “
aanslag WOZ/OZB 2024 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook”. Het bezwaarschrift bevat echter alleen standaard geformuleerde WOZ-gerelateerde bezwaargronden. Over de riool- en afvalstoffenheffing is in het bezwaarschrift niets gezegd. Daardoor is van een bezwaar gericht tegen deze heffingen geen sprake. De tekst van de volmacht maakt dat niet anders. Immers, de reikwijdte van de volmacht bepaalt niet waartegen daadwerkelijk bezwaar is gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar dan ook terecht alleen een besluit genomen over (het bezwaar tegen) de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendzaakbelastingen. Gelet op het voorgaande dient het beroep, voor zover dat is gericht tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing, niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank zal de ter zitting aangevoerde gronden tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing daarom niet inhoudelijk behandelen.
Overschrijding redelijke termijn
13. Voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat geen aanleiding. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ontvangen op 10 april 2024. De redelijke termijn is op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan dus niet verstreken.