Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5990

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/10/719771 / FA RK 26-3885
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:11 WvggzArt. 8:12 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging zorgmachtiging op grond van Wvggz wegens onvoldoende ernstig nadeel

De officier van justitie verzocht de rechtbank Rotterdam om een bestaande zorgmachtiging te wijzigen door aanvullende maatregelen op te nemen, waaronder het beperken van de bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie, vanwege een dreigende noodsituatie bij betrokkene.

De aanvraag werd ondersteund door medische verklaringen en een zorgplan waaruit bleek dat betrokkene minder medicatie gebruikte dan voorgeschreven, wat leidde tot beginnend psychotisch gedrag en risico op verdere ontregeling. De behandelaar stelde opname en instelling op een ander antipsychoticum voor.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf betrokkene aan in overleg te willen afbouwen met medicatie, terwijl de behandelaar twijfelde aan de vrijwillige medewerking. De advocaat van betrokkene voerde aan dat opname alleen gerechtvaardigd is bij daadwerkelijk verslechterd toestandsbeeld en ernstig nadeel, wat volgens hem niet het geval was.

De rechtbank oordeelde dat de criteria voor verplichte zorg niet waren vervuld omdat betrokkene op dat moment stabiel was en er voldoende bereidheid tot medewerking bestond. Het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging werd daarom afgewezen.

Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende ernstig nadeel en stabiele situatie van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/719771 / FA RK 26-3885
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 18 mei 2026 betreffende een wijziging van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 8:12 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1964, [geboorteplaats],
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht.

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 13 mei 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring van 12 mei 2026;
  • het zorgplan van 16 april 2026;
  • de aanvraag van de zorgverantwoordelijke van 12 mei 2026;
  • het advies van de geneesheer-directeur van 13 mei 2026;
  • de bestaande zorgmachtiging met de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden bij betrokkene thuis op 18 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met mr. T.S. Kessel (waarnemend advocaat);
  • [naam], casemanager, verbonden aan Yulius (hierna: de behandelaar).
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2.Beoordeling

2.1.
Ten aanzien van betrokkene is op 29 september 2025 een zorgmachtiging afgegeven. Daarbij is bepaald dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles;
  • het beperken van de bewegingsvrijheid
met ingang van vandaag;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot
gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren
en nakomen van ambulante behandelafspraken;
- het opnemen in een accommodatie
voor de duur van maximaal zes maandenmet
ingang van vandaag.
2.2.
In de aanvraag van de zorgverantwoordelijke, die door de geneesheer-directeur is ingediend vergezeld van zijn advies hierover, wordt aangegeven dat de in deze zorgmachtiging genoemde vormen van verplichte zorg niet langer volstaan, waardoor er sprake is van een dreigende noodsituatie als bedoeld in artikel 8:11 Wvggz Pro. Verzocht wordt om de bij beschikking van 29 september 2025 opgenomen vormen van verplichte zorg aan te vullen met de volgende maatregelen ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’.
2.3.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de behandelaren op 16 april 2026 hebben vastgesteld dat betrokkene minder medicatie inneemt dan is voorgeschreven, omdat hij last heeft van de bijwerkingen. Hierdoor wordt het psychotische gedrag onvoldoende onderdrukt, waardoor betrokkene beginnend psychotisch gedrag laat zien. Zo vertoont hij achterdochtig en agressief gedrag. Daarnaast is er risico op verdere ontregeling. Het doel van de wijziging van de zorgmachtiging is om betrokkene op te nemen en in te stellen op een ander antipsychoticum op basis van een depot.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling vertelt betrokkene dat hij graag in overleg met de behandelaren wil afbouwen met zijn medicatie. De behandelaar vertelt dat betrokkene heeft gesmokkeld met zijn medicatie waardoor het toestandsbeeld van betrokkene was verslechterd. Op dit moment is betrokkene enigszins stabiel en het ontremde gedrag is verminderd. Toch blijft het toestandsbeeld kwetsbaar. De behandelaar heeft onvoldoende vertrouwen dat betrokkene vrijwillig zijn medicatie zal blijven slikken.
2.5.
De advocaat van betrokkene bepleit afwijzing van het verzoek. De advocaat voert aan dat slechts tot opname kan worden overgegaan als de andere vormen van verplichte zorg niet meer afdoende zijn om het ernstig nadeel af te wenden. Daarnaast dient eerst het toestandsbeeld zijn verslechterd. Daar is op dit moment geen sprake van, want betrokkene is stabiel. Bovendien houdt betrokkene zorg niet af, aldus de advocaat.
2.6.
De rechtbank volgt het verweer en oordeelt dat niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz, omdat op dit moment onvoldoende sprake is van ernstig nadeel. Hoewel de rechtbank ziet dat als betrokkene zijn medicatie niet slikt ernstig nadeel zal ontstaan, is momenteel sprake van een (enigszins) stabiele situatie waarin het beter gaat met betrokkene dan ten tijde van indiening van het verzoek en is er voldoende bereidheid tot medewerking. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3.Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 18 mei 2026 mondeling gegeven door mr. M.C. van der Kolk, rechter, in tegenwoordigheid van E.Y.H. Graafsma, griffier, en op 27 mei 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.