Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5954

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
12035683 VZ VERZ 25-7394
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:629a BWArt. 7:629 lid 3 BWArt. 7:629 lid 6 BWArt. 7:681 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens vermeende werkweigering niet rechtsgeldig verklaard

De uitzendkracht werkte sinds april 2022 bij de werkgever en kreeg te horen dat haar tijdelijke contract niet werd verlengd per november 2025. Zij meldde zich ziek in oktober 2025 en werkte daarna niet meer. De werkgever sprak haar op 30 oktober 2025 op staande voet ontslag uit wegens vermeende werkweigering van 27 tot 30 oktober 2025.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever niet had bewezen dat de werknemer daadwerkelijk arbeidsgeschikt was in die periode. De werkgever kon slechts aannemen dat zij hersteld was, maar dat was niet vastgesteld. Het ontslag op staande voet hield daarom geen stand en werd vernietigd.

De werknemer had gekozen voor vernietiging van het ontslag en kon daardoor geen billijke vergoeding vorderen. Ook werd geen loon toegekend omdat de werknemer geen UWV-verklaring over haar ziekte had overlegd. Wel werd de transitievergoeding van €3.534,05 bruto toegekend, omdat het contract van rechtswege eindigde zonder ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer.

De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding met wettelijke rente en de proceskosten van €811. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd, de transitievergoeding wordt toegekend, loon en billijke vergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 12035683 VZ VERZ 25-7394
datum uitspraak: 12 mei 2026 (bij vervroeging)
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. L.M.J. Pelswijk,
tegen
[verweerster] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.B. Kloosterman.
De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoekster] , met bijlagen;
  • het verweerschrift van [verweerster] , met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van mr. Pelswijk;
  • de spreekaantekeningen van mr. Kloosterman.
1.2.
Op 1 mei 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun gemachtigden besproken.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoekster] werkte sinds 22 april 2022 bij [verweerster] als uitzendkracht. [verweerster] heeft [verzoekster] op 2 oktober 2025 laten weten dat haar arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd na afloop van haar tijdelijke contract op 2 november 2025. Op 20 oktober 2025 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld. Zij heeft daarna niet meer gewerkt voor [verweerster] . Na een aantal “no-show” waarschuwingen is [verzoekster] op 30 oktober 2025 op staande voet ontslagen vanwege werkweigering. [verzoekster] legt zich niet bij het ontslag neer en vraagt om loondoorbetaling, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. [verweerster] vindt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verzoekster] krijgt voor het grootste deel gelijk. Het ontslag op staande voet houdt geen stand. [verweerster] moet de transitievergoeding betalen, maar geen loon en ook geen billijke vergoeding. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
Het ontslag op staande voet is niet geldig
2.2.
[verweerster] heeft [verzoekster] op 30 oktober 2025 op staande voet ontslagen, omdat zij van 27 tot en met 30 oktober 2025 heeft geweigerd om te werken. Als dit komt vast te staan, vindt de kantonrechter dit een dringende reden en mocht [verweerster] [verzoekster] op staande voet ontslaan (artikel 7:677 BW Pro). [verzoekster] voert echter aan dat zij nog ziek was. [verweerster] moet daarom aantonen dat [verzoekster] arbeidsgeschikt was en dus kon werken. Dat heeft [verweerster] niet gedaan. Het gaat er daarbij niet om of [verweerster] heeft mogen aannemen dat [verzoekster] in staat was om te werken, maar of [verzoekster] dat daadwerkelijk kon. [1]
2.3.
Volgens [verweerster] heeft [verzoekster] zich op 24 oktober 2025 hersteld gemeld in overleg met de arbodienst. Dat zou blijken uit de e-mail van de arbodienst van 22 oktober 2025 aan [verzoekster] waarin staat dat zij vermoedelijk op 27 oktober 2025 weer kan komen werken en dat zij zich anders moet afmelden voor het werk en zich moet melden voor een verzuimgesprek op 27 oktober 2025 om 11.00 uur. Uit het eigen gespreksverslag van [verweerster] blijkt dat zij op 24 oktober 2025 contact heeft gehad met [verzoekster] en dat [verzoekster] aangaf niet terug te komen op 27 oktober 2025. [2] Daaruit blijkt dus niet dat [verzoekster] weer arbeidsgeschikt was, zeker niet omdat de arbodienst zelf ook had geschreven dat [verzoekster] vermoedelijk weer hersteld zou zijn op 27 oktober 2025. Dat stond kennelijk nog niet vast. Wel had [verzoekster] moeten verschijnen op het verzuimgesprek op 27 oktober 2025. Dat zij dit niet heeft gedaan, is weliswaar verwijtbaar, maar heeft [verweerster] niet als dringende reden aan het ontslag ten grondslag gelegd. Bovendien had [verweerster] er in dat geval voor moeten kiezen een loonsanctie toe te passen (artikel 7:629 lid 3 en Pro 6 BW). Verder wijst [verweerster] erop dat [verzoekster] op 29 oktober 2025 nogmaals heeft gezegd dat zij niet terug komt tot het einde van haar contract, maar ook daaruit blijkt niet dat [verzoekster] weer arbeidsgeschikt was.
[verweerster] hoeft geen billijke vergoeding te betalen
2.4.
Bij een ontslag op staande voet biedt de wet een keuze aan de werknemer: vernietiging van het ontslag op staande voet of een billijke vergoeding (artikel 7:681 BW Pro). Omdat uit het verzoekschrift niet duidelijk blijkt welke keuze [verzoekster] maakt, heeft de kantonrechter tijdens de zitting gevraagd wat [verzoekster] wil. [verzoekster] heeft toen gekozen voor de vernietiging van het ontslag op staande voet. Daarom kan zij geen aanspraak meer maken op een billijke vergoeding. Maar ook als zij had gekozen voor een billijke vergoeding, had de kantonrechter die niet toegekend. [verzoekster] heeft namelijk zelf ook verwijtbaar gehandeld door niet op het aangekondigde verzuimgesprek van 27 oktober 2025 te verschijnen. Daarbij komt dat zij door het onterechte ontslag geen financieel nadeel heeft gehad, omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hoe dan ook op 2 november 2025 van rechtswege zou eindigen (artikel 7:667 lid 1 BW Pro).
[verweerster] hoeft geen loon te betalen
2.5.
[verzoekster] wil dat [verweerster] haar loon betaalt vanaf 21 oktober tot en met 2 november 2025. Volgens [verzoekster] was zij in die periode ziek. [verweerster] betwist dat [verzoekster] ziek was. Daarom had [verzoekster] een verklaring van het UWV moeten opsturen waaruit blijkt dat zij inderdaad niet kon werken of re-integreren vanwege ziekte (artikel 7:629a BW). Die verklaring ontbreekt. Daarom wijst de kantonechter de loonvordering af.
[verweerster] moet wel een transitievergoeding betalen
2.6.
[verzoekster] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] (artikel 7:673 lid 1 en Pro lid 7 BW). De arbeidsovereenkomst is namelijk op 2 november 2025 van rechtswege geëindigd, omdat [verweerster] de tijdelijke arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet heeft verlengd. Volgens [verzoekster] is de transitievergoeding op basis van haar loon en duur van de arbeidsovereenkomst € 3.534,05 bruto. [verweerster] betwist dit bedrag en de uitganspunten die [verzoekster] voor haar berekening heeft gebruikt niet. Daarom moet [verweerster] € 3.534,05 bruto aan [verzoekster] betalen.
2.7.
De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW).
[verweerster] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoekster] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 811,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.
Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [verzoekster] dat heeft gevraagd en [verweerster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
vernietigt de opzegging;
3.2.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] de transitievergoeding van € 3.534,05 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 3 december 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoekster] tot vandaag worden vastgesteld op € 811,-;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
49039

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 januari 1984, NJ 1984, 371.
2.Bijlage 7 bij verweerschrift.