ECLI:NL:RBROT:2026:590

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
10.284749.24 / 09.324838-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot doodslag met een mes

Op 15 januari 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot doodslag. De verdachte heeft op 1 september 2024 in Dordrecht met een mes in de linker borsthelft van het slachtoffer gestoken. De rechtbank heeft overwogen dat er sprake was van voorwaardelijk opzet, omdat het steken in de borstkas een aanmerkelijke kans op de dood met zich meebrengt. De verdediging voerde aan dat er geen opzet was en dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, maar dit werd door de rechtbank verworpen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de poging tot doodslag en legde een gevangenisstraf van 36 maanden op. Daarnaast werd de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf van 3 maanden gelast, omdat de verdachte tijdens de proeftijd een nieuw geweldsdelict had gepleegd. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar zag geen aanleiding om de straf te verlagen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10.284749.24
Parketnummer vordering TUL VV: 09.324838-22
Datum uitspraak: 15 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de
[detentieadres],
raadsman mr. P.H.W. Spoelstra, advocaat te Gouda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 december 2024 en 15 januari 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K.L. Rook heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest;
  • tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 09.324838.22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De poging tot doodslag kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. Hiervoor is opzet op de dood van het slachtoffer vereist, hetgeen niet uit het dossier blijkt. Niet is vast komen te staan dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van het slachtoffer, aldus kan ook voorwaardelijk opzet niet worden aangenomen.
De verdachte heeft het slachtoffer weliswaar in een kwetsbaar gebied gestoken, maar op basis van het dossier kan de diepte van de wond, de richting of de kracht van het steken niet worden vastgesteld. Dit is niet beschreven door een arts. Verder blijkt uit de medische stukken niet aan welke zijde het slachtoffer een klaplong had. Niet is vastgesteld dat de klaplong het gevolg was van het steken door de verdachte. Anders dan de officier van justitie stelt, blijkt aldus niet uit het dossier dat de steekwond in de borst potentieel dodelijk was. Al met al kan niet worden vastgesteld dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. De verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot doodslag. Er zou sprake kunnen zijn van mishandeling of poging tot zware mishandeling.
4.1.2.
Beoordeling
Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag moet volgens vaste jurisprudentie sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Vast staat dat de verdachte het slachtoffer in de linker borsthelft met een mes heeft gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de borstkas vitale organen zitten, dat de kans groot is dat bij het steken in de borst een vitaal orgaan wordt geraakt en dat dit tot de dood kan leiden. Hiermee levert het steken in het bovenlichaam daardoor een aanmerkelijke kans op de dood op. Ook de forensisch arts bevestigt dat in dit geval het letsel, een steekwond links in de borst, potentieel dodelijk letsel was. Door het met een mes steken in de borstkas heeft de verdachte dan ook de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bewust aanvaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op de dood van aangever.
4.1.3.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot doodslag.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op
of omstreeks1 september 2024
te Dordrecht, althansin Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een mes,
althans met een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althanseenmaal, heeft gestoken in de borst
, althans in het lichaamvan die [slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

5.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert op:
poging tot doodslag.
5.2.
Strafbaarheid
5.2.1.
Standpunt verdediging; beroep op noodweer (exces)
Door de verdediging is, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een beroep gedaan op noodweer; danwel noodweerexces. De verdediging heeft betoogd dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken. Aangevoerd is dat sprake is van een noodweersituatie, omdat sprake was van een gevecht tussen aangever en de verdachte. Op initiatief van aangever zijn zij naar een andere locatie gegaan om te praten. De aangever heeft een mes getrokken, welke de verdachte uit zijn hand heeft geslagen. Vervolgens heeft de aangever twee keer tegen het hoofd van de verdachte geslagen. De aangever was sterker en zat boven op de verdachte en hield de verdachte vast. De verdachte probeerde los te komen en heeft de aangever toen gestoken met het mes dat naast hem lag. De verdachte moest zich verweren.
5.2.2.
Beoordeling
Voor een geslaagd beroep op noodweer is noodzakelijk dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die is gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.
Uit het dossier blijkt niet dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer. De door de verdediging geschetste situatie waarbij aangever met een mes op verdachte afkwam en hem sloeg wordt door geen enkele getuigenverklaring of anderszins door het dossier ondersteund. Deze verklaring, die de verdachte ook pas ter zitting voor het eerst heeft afgelegd, is daarom niet aannemelijk geworden. Dit betekent dat een beroep op noodweer reeds hierom niet kan slagen.
Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Nu de rechtbank het beroep op noodweer niet honoreert, omdat er geen sprake is geweest van een situatie waarbij de verdachte zich tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding heeft hoeven verdedigen, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is geweest van noodweerexces.
5.2.3.
Conclusie
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig misdrijf door het slachtoffer met een mes in zijn borst te steken, waarbij hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierbij om het leven zou komen. Dat dit niet is gebeurd is een omstandigheid die geenszins aan hem is te danken. Door zijn handelen heeft verdachte pijn en letsel bij aangever veroorzaakt.
Door aangever met een mes in de borst te steken, heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke geweldsmisdrijven, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wapen zoals in dit geval een mes, worden door slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. Daarnaast versterken zulke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Ten tijde van het onderhavige feit liep de verdachte nog in een proeftijd van een ander geweldsdelict, te weten een poging tot zware mishandeling. Dit heeft hem er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de verdachte aangedragen persoonlijke omstandigheden, maar hierin geen reden gezien daar in strafverminderende zin rekening mee te houden.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

8.Vordering tenuitvoerlegging

8.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 7 april 2023 van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag onder parketnummer 09.324838.22, is de verdachte ter zake van poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan een gedeelte groot 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De proeftijd is ingegaan op 22 april 2023.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging verzoekt afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging, gelet op de bepleitte vrijspraak. Bij een bewezenverklaring verzoekt de verdediging de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling te verlengen.
8.3.
Beoordeling
Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daar komt in dit geval bij dat de voorwaardelijke straf ook was opgelegd voor een soortgelijk feit (poging tot zware mishandeling). Dat heeft de verdachte desondanks niet weerhouden om wederom een zwaar geweldsfeit te plegen. Om de verdachte nog een (derde) kans te geven door slechts de proeftijd te verlengen is inmiddels een gepasseerd station.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
gelast de
tenuitvoerleggingvan het voorwaardelijk gedeelte, groot
3 maanden, van de bij vonnis van 7 april 2023 van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag onder parketnummer 09.324838.22 aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf;
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Daum, voorzitter,
en mrs. C.M. Derijks en M.J.C. Spoormaker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 15 januari 2025.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 1 september 2024
te Dordrecht, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal, heeft gestoken in de borst, althans in het lichaam van die [slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.