ECLI:NL:RBROT:2026:5899
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoeker heeft op 8 december 2025 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 26 februari 2026 is verzoeker gehoord en zijn aanvullende stukken overgelegd. De totale schuldenlast bedraagt circa €48.021,78, waaronder verkeersboetes en belastingschulden.
De rechtbank beoordeelt of verzoeker te goeder trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. Uit de stukken blijkt dat een aanzienlijk deel van de verkeersboetes betrekking heeft op een privévoertuig van verzoeker en binnen de driejaarstermijn valt. Deze boetes worden niet als te goeder trouw ontstaan beschouwd. Daarnaast is er een schuld aan de Belastingdienst voor motorrijtuigenbelasting, waarvoor verzoeker geen gegronde omstandigheden heeft aangevoerd om het onbetaald laten te rechtvaardigen.
Hoewel verzoeker een gemotiveerde houding toont en hulp krijgt van een budgetbeheerder, acht de rechtbank deze ontwikkelingen onvoldoende om toelating tot de regeling te rechtvaardigen. De ernst en omvang van de schulden en het ontbreken van een duurzame verbetering leiden tot afwijzing van het verzoek. De rechtbank merkt op dat een toekomstig verzoek mogelijk meer kans van slagen heeft indien de situatie verbetert.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden en onvoldoende wending ten goede.