Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5887

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/5664
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 7:12 AwbArt. 2 Wvw 1994Art. 15 Wvw 1994Art. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging herroeping gehandicaptenparkeerplaats wegens onvoldoende belangenafweging

Eisers hadden een gehandicaptenparkeerplaats toegewezen gekregen bij hun woning, maar het college herroept dit besluit na bezwaar van buren. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie van eisers, die ondanks een oprit op eigen terrein niet vrij en onbelemmerd gebruik kunnen maken van parkeergelegenheid vanwege medische beperkingen en obstakels zoals een aanhangwagen en scooter.

De rechtbank stelt vast dat het college de belangen van eisers niet adequaat heeft afgewogen en dat de afwijzing van de aanvraag onevenredig is in verhouding tot de doelen van het besluit. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat het college de gehandicaptenparkeerplaats opnieuw moet aanwijzen.

Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij verkeersbesluiten en bevestigt dat parkeergelegenheid op eigen terrein alleen tegengeworpen kan worden als deze vrij en onbelemmerd te gebruiken is.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college moet de gehandicaptenparkeerplaats opnieuw aanwijzen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5664

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit Hendrik-Ido-Ambacht, eisers

(gemachtigde: mr. M.R. Dill),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht

(gemachtigde: mr. R.R. Vink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herroeping van een besluit van het college om een gehandicaptenparkeerplaats aan te wijzen bij de woning van eisers. Eisers zijn het niet eens met de herroeping van het besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herroeping van de toewijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de belangen van eisers onvoldoende inzichtelijk heeft meegewogen in de besluitvorming
.Eisers krijgen dus gelijk. De rechtbank geeft zelf een beslissing een bepaalt dat het college de gevraagde gehandicaptenparkeerplaats opnieuw moet aanwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor gehandicaptenparkeerplaats op kenteken. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2024 (het primaire besluit) toegewezen. Buren van eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met een besluit van 3 juli 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van de buren heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de aanvraag afgewezen.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben aanvullende gronden ingediend op 20 maart 2026.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en mr. R.R. Vink als gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.
3.1.
Eisers wonen op het adres [adres] (de woning).
3.2.
Eisers hebben op 7 november 2024 een aanvraag gedaan voor een gehandicaptenparkeerplaats op het kenteken van de auto van mevrouw (eiseres). Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit toegewezen en heeft het verkeersbord voor de gehandicaptenparkeerplaats geplaatst.
3.3.
De buren van eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij hebben aangevoerd dat eisers een parkeergelegenheid hebben op eigen terrein en dat dit groot genoeg is om twee auto’s op te parkeren. Ook wordt de parkeerdruk groter omdat er niet alleen een parkeerplaats verdwijnt ten behoeve van de gehandicaptenparkeerplaats, maar door de lengte van de gehandicaptenparkeerplaats kan er nog een auto minder op de parkeerstrook parkeren.
3.4.
Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard en heeft het primaire besluit herroepen door de aanvraag af te wijzen. Daarbij heeft het college een nieuwe afweging gemaakt waarbij meer belang is toegekend aan de parkeergelegenheid op het eigen terrein van eisers.
Toetsingskader
4. Uit de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) [1] volgt dat voor de plaatsing van verkeerstekens en onderborden een verkeersbesluit van het college is vereist, wanneer daardoor een verbod ontstaat op een weg die in het beheer is van de gemeente. De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Als ook andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt vervolgens aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
5. Het college heeft bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [2]
5.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het college in redelijkheid de aanvraag van eisers kunnen afwijzen?
6. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen op de grondslag dat zij beschikken over parkeergelegenheid op eigen terrein. Hoewel eisers niet ontkennen dat zij een oprit hebben van elf meter, kan van hen niet worden verwacht dat zij hier beiden gebruik van maken. Op de oprit staan een aanhangwagen en een scooter gestald. Dit zorgt ervoor dat eisers onvoldoende ruimte hebben om uit hun auto te stappen. Vanwege de medische aandoeningen van beide eisers is het erg moeizaam om elke keer de auto’s van plek te doen wisselen wanneer de auto die het dichtste bij het huis staat eerder weg moet dan de auto die het dichtste bij de straat staat. De oprit van eisers wordt ook vaak geblokkeerd door buren. Eisers overleggen een beeldopname waaruit blijkt dat de weg voor hun woning gevaarlijk is onder meer vanwege een bestelbus die frequent voor de oprit of naast de oprit van eisers geparkeerd staat. Het moeten wisselen van de auto’s van de parkeerplaats op eigen terrein zorgt voor gevaarlijke situaties.
6.1.
Eisers hebben beiden beperkingen, zijn slecht ter been en beschikken allebei over een auto en een gehandicaptenparkeerkaart. Niet in geding is dat eiseres (in zoverre) voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerplaats en dat van haar en van haar man niet kan worden verlangd dat ze meer dan 100 meter moeten lopen naar hun auto. Eisers hebben een parkeergelegenheid op eigen terrein. De oprit voor de woning heeft een lengte van 11 meter. Niet in geschil is dat hierop feitelijk twee auto’s kunnen worden geparkeerd. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat ondanks de medische beperkingen van eisers mag worden verwacht dat zij beide auto’s op eigen terrein parkeren. In deze procedure gaat het om de vraag of het college in het kader van de belangenafweging in redelijkheid van eisers heeft kunnen verlangen dat zij voor beide auto’s gebruik maken van de parkeergelegenheid op eigen terrein.
6.2.
De rechtbank overweegt dat op grond van de beleidsregels van het college inzake de aanwijzing en aanleg van gehandicaptenparkeerplaatsen een aanvraag wordt afgewezen als de aanvrager een parkeergelegenheid heeft op eigen terrein. In de beleidsregels is niet gedefinieerd wat de omvang van deze parkeergelegenheid moet zijn en in welke gevallen eventueel kan worden aangenomen dat sprake is van meer een dan één parkeergelegenheid op eigen terrein. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het doel van het aanwijzen van een gehandicaptenparkeerplaats aan een aanvrager alleen parkeergelegenheid op eigen terrein kan worden tegengeworpen als van die parkeergelegenheid vrij en onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het college niet in redelijkheid tot herroeping van het primaire besluit heeft kunnen komen. Het college heeft de belangen van eisers bij het verkrijgen van een parkeerplaats onvoldoende afgewogen. Vaststaat dat sprake is van een smal garagepad waarop voertuigen niet langs elkaar kunnen passeren. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe de omstandigheid dat eisers de auto’s van plek moeten wisselen wanneer de auto die het dichtste bij het huis staat eerder weg moet dan de auto die het dichtste bij de straat staat, is meegewogen in de besluitvorming. Het enkele standpunt dat dit van eisers kan worden gevergd is daarvoor onvoldoende. Gelet op de dringende medische situatie van eisers is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid niet van hen kan worden gevergd dat ze beide auto’s op het garagepad parkeren en bij vertrek auto’s moeten omwisselen of verplaatsen, waarbij zij eventueel afhankelijk zijn van openbare parkeerplaatsen en mogelijk verder terug moeten lopen. Hiermee kan niet vrij en onbelemmerd gebruik worden gemaakt van de parkeergelegenheid op eigen terrein. De afwijzing van de aanvraag is daarmee voor eisers onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het college heeft daarom in strijd met artikel 3:46 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.
6.3.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de overige argumenten of beroepsgronden. Met het oog op het belang van een definitieve beslissing in deze zaak en omdat de rechtbank van oordeel is dat redelijkerwijs geen andere uitkomst mogelijk is, zal de rechtbank zelf een beslissing nemen en bepalen dat het college de gevraagde gehandicaptenparkeerplaats moet aanwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het voorgaande betekent dat het beroep van eisers gegrond is omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal dit besluit vernietigen en het bezwaar van de buren van eisers ongegrond verklaren. Concreet betekent dit voor eisers dat het college de gehandicaptenparkeerplaats opnieuw moet aanwijzen door plaatsing van het betreffende verkeersbord.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 juli 2025;
- verklaart het bezwaar van de buren van eisers tegen het besluit van 21 november 2024 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kunnen zij de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kunnen zij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
[…]
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 2
1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
[…]
Beleidsregels inzake aanwijzing en aanleg van gehandicaptenparkeerplaatsen
Artikel 1 Begripsbepalingen Pro
Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:
[…]
f. Parkeergelegenheid op eigen terrein:
1. een parkeerplaats op eigen terrein of in een garage waarover de aanvrager kan beschikken op grond van eigendom, huur in gebruikgeving;
[…]
Artikel 4 Beoordeling Pro aanvraag gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestuurder
1. De aanvrager heeft de beschikking over een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder.
2. De aanvrager is in het bezit van een geldig rijbewijs.
3. De aanvraag heeft betrekking op gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bij het woon- of werkadres.
4. De aanvrager heeft niet de beschikking over parkeergelegenheid op eigen terrein.
5. De mogelijkheid tot aanleg van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats is aanwezig binnen een loopafstand van 100 meter van het woon- of werkadres.
6. De aanwijzing van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats mag niet leiden tot:
a. een verkeersonveilige situatie;
b. belemmering van de doorstroming van het overige verkeer.

Voetnoten

1.Artikel 15, eerste lid, van de Wvw 1994.
2.Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ABRvS 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2128, r.o. 5.3 en ABRvS 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:166, r.o. 7.