ECLI:NL:RBROT:2026:5883

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/10/714422 / JE RK 26-226
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die afwisselend bij zijn ouders verblijft. De minderjarige vertoont problematisch gedrag, waaronder het niet naleven van schorsingsvoorwaarden, hoog schoolverzuim en betrokkenheid bij strafbare feiten. Ook is hij recent met een alcoholintoxicatie opgenomen in het ziekenhuis.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West ondersteunt het verzoek en meldt een ernstige ontwikkelingsbedreiging, waarbij de minderjarige zich onveilig voelt, onder druk staat van groepen en online bedreigd wordt. Ondanks inzet van hulpverlening, waaronder een jongerencoach en jeugdreclasseringstoezicht, is er onvoldoende verbetering.

De ouders hebben meegewerkt aan hulpverlening, maar hun draagkracht is beperkt door persoonlijke problematiek en de situatie escaleert. De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is en verlengt de ondertoezichtstelling voor negen maanden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en gericht op verbetering van schoolgang, dagstructuur en het onderzoeken van noodzakelijke hulpverlening.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 24 februari 2027 wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende effect van hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714422 / JE RK 26-226
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 10 maart 2026, ontvangen op 11 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. De zaak is gelijktijdig behandeld met de leerplichtzaak van [minderjarige] met parketnummer 10-021871-26 en de leerplichtzaken van de ouders met parketnummers 10-021900-26 en
10-021908-26. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader;
  • de officier van justitie;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger 1] en
[vertegenwoordiger 2] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft afwisselend bij de moeder en de vader.
2.3.
Bij beschikking van 24 februari 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 24 februari 2026 tot 24 mei 2026 en is de beslissing voor het overige verzochte pro forma aangehouden tot 1 april 2026.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad verzoekt een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nog worden beslist over de resterende periode van negen maanden, te weten tot 24 februari 2027.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
De zorgen over het gedrag van [minderjarige] zijn toegenomen. [minderjarige] heeft zich niet gehouden aan de aan hem opgelegde schorsingsvoorwaarden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit. Zo heeft [minderjarige] zich niet gehouden aan de avondklok en is er bij hem sprake van schoolverzuim. Daar komt bij dat [minderjarige] in de nacht van 26 op 27 april 2026 met een alcoholintoxicatie in het ziekenhuis is opgenomen. [minderjarige] heeft onvoldoende basisvaardigheden, geen motivatie en staat onder druk. Ook zijn er zorgen over de bijbaan van [minderjarige] . De ouders raken de grip op [minderjarige] kwijt. In het kader van de ondertoezichtstelling dient te worden bekeken welke hulpverlening nog kan worden ingezet en moet de GI mogelijk een uithuisplaatsing overwegen.
4.2.
De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende aanvullend meegedeeld.
In de afgelopen periode zijn de zorgen over [minderjarige] toegenomen. Er is bij [minderjarige] sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. In het verleden is [minderjarige] gepest. Hij heeft een muur om zich heen gebouwd, vertrouwt niemand en is bezig met rouwverwerking vanwege het overlijden van zijn opa. Er is bij [minderjarige] sprake van ontregeling op meerdere gebieden.
[minderjarige] staat vanwege een schuld onder druk van twee groepen en zou online opnieuw zijn bedreigd. Recent zijn er sieraden van [minderjarige] afgenomen. Hij voelt zich onveilig, maar spreekt dit vanwege zijn positie niet uit. In [woonplaats 1] voelt [minderjarige] zich het meest onveilig. Daarom is hij de meeste tijd in [woonplaats 2] . [minderjarige] zit niet goed in zijn vel, maakt een sombere indruk en heeft het gevoel dat iedereen negatief is. De GI heeft hem een kans gegeven door een aantal weken de avondklok uit te breiden. Vervolgens is [minderjarige] nachtenlang weggebleven. [minderjarige] heeft zich niet gehouden aan het opgelegde toezicht van de jeugdreclassering en het toezicht van zijn ouders. Het schoolverzuim van [minderjarige] is hoog. Op 8 mei 2026 heeft de GI besloten om [minderjarige] negatief retour te melden. Op 18 mei 2026 moet hij zich melden op het politiebureau. Er is geprobeerd om [minderjarige] bij School2care aan te melden. Vanwege onvoldoende basisvaardigheden en het ontbreken van intrinsieke motivatie is School2care niet van de grond gekomen. [minderjarige] heeft een jongerencoach van E25. Zij hebben een goede verbinding met elkaar. Ondanks de inzet van de jongerencoach worden er geen stappen gemaakt. De ouders zijn niet in staat om [minderjarige] de structuur en veiligheid te bieden die hij nodig heeft. De situatie bij de vader thuis escaleert door het gedrag van [minderjarige] . Ondanks de ingezette hulpverlening is de situatie onvoldoende verbeterd. Momenteel is er sprake van een patstelling. Vanwege de zorgen gaat de GI een machtiging tot uithuisplaatsing verzoeken.
4.3.
De moeder heeft ter zitting het volgende verklaard. De ondertoezichtstelling moet worden verlengd. Dit voelt voor haar echter als falen. De moeder werkt fulltime. Daarom is het lastig voor de moeder om ervoor te zorgen dat [minderjarige] naar school gaat. Hij gaat zijn eigen gang en blijft in zijn bed liggen, omdat hij moe is. De ouders werken met elkaar samen en hebben alles geprobeerd. De moeder betreurt het dat de ingezette hulpverlening tot nu toe nog niet heeft geholpen.
4.4.
De vader heeft zich ter zitting aangesloten bij het standpunt van de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. [minderjarige] groeit op in een zorgelijke opvoedsituatie en verblijft na de scheiding van zijn ouders afwisselend bij de moeder en de vader. Door de persoonlijke problematiek van de ouders is er te weinig toezicht op [minderjarige] geweest. De vader heeft als gevolg van een spierziekte fysieke klachten en de moeder heeft financiële zorgen, een fulltime baan en volgt therapie.
[minderjarige] laat zelfbepalend gedrag en veelvuldig schoolverzuim zien. Door zijn beïnvloedbaarheid is [minderjarige] mogelijk in opdracht van anderen betrokken bij het plegen van strafbare feiten. Daar komt bij dat [minderjarige] door een jongen, die hij eerder als zijn beste vriend zag, wordt afgeperst.
5.3.
Vanwege de verdenking van een poging tot brandstichting is [minderjarige] door de rechter-commissaris onder bijzondere voorwaarden geschorst. Zo is aan [minderjarige] toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en een avondklok opgelegd. [minderjarige] heeft moeite om zich aan de opgelegde voorwaarden te houden, zoals door de Raad en de GI ter zitting is toegelicht. Ook komt [minderjarige] vrijwel dagelijks te laat op school. Er is dan ook nog steeds sprake van hoog schoolverzuim. Ondanks de gemaakte afspraken in de afgelopen periode, het jeugdreclasseringstoezicht en de hulpverlening van een jongerencoach van E25 in het kader van de opgelegde schorsingsvoorwaarden is de situatie onvoldoende verbeterd. Daar komt bij dat [minderjarige] bij zijn bijbaan een laatste waarschuwing heeft gekregen, omdat hij meerdere keren niet kwam opdagen of te laat was. Daarom heeft de jeugdreclassering het toezicht van [minderjarige] inmiddels negatief retour gezonden aan de officier van justitie.
5.4.
In de afgelopen periode hebben de ouders een MST-traject afgerond en hebben zij meegewerkt aan hulpverlening. Het is echter nog onduidelijk in hoeverre zij structureel met elkaar kunnen samenwerken zonder dat dit tot overvraging leidt. Door de voortdurende zorgen om [minderjarige] staat de draagkracht van de moeder onder druk. De band tussen [minderjarige] en de vader is beschadigd. Daardoor laat [minderjarige] ondersteuning van zijn vader beperkt toe.
5.5.
Gelet op al het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader en in het kader van de ondertoezichtstelling heeft tot nu toe onvoldoende effect gehad. Daarnaast zijn de zorgen in de afgelopen periode toegenomen. De ouders zijn ondanks de ingezette hulpverlening nog niet in staat om zelfstandig de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] af te wenden. Daarom is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende periode van negen maanden, te weten tot 24 februari 2027.
5.6.
De komende periode is het van belang dat in het kader van de ondertoezichtstelling en het door de kinderrechter in haar hoedanigheid van kantonrechter opgelegde jeugdreclasseringstoezicht vanwege het schoolverzuim van [minderjarige] de komende periode de schoolgang en dagstructuur van [minderjarige] zullen verbeteren en dat zonodig door middel van een persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige] duidelijk zal worden welke hulpverlening noodzakelijk is voor [minderjarige] en de ouders om zijn ontwikkeling veilig te stellen.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 24 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026 door
mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 21 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.