ECLI:NL:RBROT:2026:5882

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/10/718729 / JE RK 26-780
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van minderjarige kinderen wegens onveilige opvoedsituatie en geweld door vader

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om een ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2010 en 2014, die bij hun moeder wonen. De vader oefent verbaal en fysiek geweld uit, wat leidt tot een onveilige en onrustige opvoedsituatie. De moeder werkt mee met hulpverlening, maar de vader weigert dit en ontkent de scheidingswens van de moeder.

De kinderen ervaren stressklachten en de oudste gaat niet meer naar school, wat de ontwikkeling ernstig bedreigt. De situatie is bekend bij politie en Veilig Thuis. De kinderrechter heeft vastgesteld dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft gehad en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen.

De beschikking stelt de kinderen onder toezicht van een gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad. De vader moet hulpverlening accepteren om zijn gedrag te verbeteren, terwijl de kinderen traumabehandeling kunnen ontvangen zodra de situatie rustiger is.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige kinderen onder toezicht wegens een onveilige opvoedsituatie en geweld door de vader, voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718729 / JE RK 26-780
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 23 april 2026, ontvangen op 23 april 2026;
  • het bericht van de vader, ontvangen op 9 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De vader is met bericht van verhindering niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 20 februari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 20 februari 2026 tot 20 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een onrustige en onveilige opvoedsituatie vanwege verbaal en fysiek geweld door de vader en angst in het gezin. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder hebben veel last van de situatie. Recent is de vader enkele malen thuis geweest en heeft hij dreigende uitlatingen gedaan. De moeder en de kinderen zijn door de politie uit voorzorg uit de woning gehaald en bij familie ondergebracht, toen de vader aankondigde naar huis te zullen komen. De vader neemt de scheidingswens van de moeder niet serieus. Met [minderjarige 1] gaat het niet goed. Hij gaat niet meer naar school.
De moeder werkt mee met de hulpverlening die nodig is. De vader werkt echter niet mee en wil geen hulpverlening. Daarom is een ondertoezichtstelling noodzakelijk zodat de GI ervoor kan zorgen dat ook de vader aan de hulpverlening gaat meewerken. Er is ook hulp voor de kinderen nodig. Yulius heeft aangegeven dat traumabehandeling pas kan starten als de situatie rustig is.
4.2.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld.
Onlangs heeft de politie in verband met de dreiging dat de vader naar huis zou komen, besloten om het gezin preventief op een andere plek onder te brengen. Vervolgens is de vader het daarop volgende weekend thuis geweest. Dit is relatief rustig verlopen. De vader heeft aangeven dat hij nergens aan wil meewerken, dat hulpverlening niet nodig is en dat hij met de moeder wil spreken. Volgens de vader is een scheiding niet nodig. Hij heeft ook een aantal keren aangegeven dat een uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beter zou zijn. Er zijn echter geen zorgen over hun situatie bij de moeder.
[minderjarige 1] gaat al enige tijd niet naar school. Daarover zijn afspraken gemaakt. [minderjarige 1] houdt zich echter niet aan de afspraken, is veel thuis en werken lukt hem niet. Dit schooljaar zal [minderjarige 1] niet meer naar school gaan. Hij kan zijn eindexamens daardoor niet doen. [minderjarige 1] wil geen gesprekken voeren met het wijkteam en Agathos. Vanuit Agathos heeft de moeder hulp gekregen. De vader heeft geen hulpverlening.
Met [minderjarige 2] gaat het naar omstandigheden goed. Zij lijkt minder mee te hebben gekregen van de situatie. Mogelijk is de situatie wel van invloed op [minderjarige 2] .
4.3.
De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij achter het verzoek van de Raad staat en heeft het volgende aangegeven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn getuige en slachtoffer van geweld door hun vader. De moeder maakt zich zorgen over [minderjarige 1] . De laatste tijd rookt en drinkt [minderjarige 1] , gaat hij niet meer naar school, is hij vaak tot ’s avonds laat met vrienden en komt hij pas ’s nachts naar huis. De laatste tijd heeft [minderjarige 2] soms moeite met de situatie en voelt zij zich snel buitengesloten door haar oudere broers en zussen. De moeder is met een advocaat bezig met een scheiding. Sindsdien ziet de vader het nut van hulpverlening niet meer in. De moeder kan de situatie niet alleen aan en heeft hulp nodig.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. Al een geruime periode groeien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op in een onrustige en onveilige opvoedsituatie. Het gezin is bekend bij politie en Veilig Thuis. Er is sprake van fysiek en psychisch geweld door de vader. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn getuige van het geweld van de vader naar de moeder toe en slachtoffer van psychisch geweld door de vader. De moeder ervaart veel angst. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben last van de situatie. Zij zijn door de situatie angstig geworden en ervaren stressklachten, zoals buikpijn. Op school maakt [minderjarige 1] een sombere indruk en heeft hij concentratieproblemen. In het afgelopen schooljaar is [minderjarige 1] veelvuldig afwezig geweest. De resultaten van [minderjarige 1] op school gaan achteruit. [minderjarige 1] lijkt boosheid te ervaren. Inmiddels gaat hij niet meer naar school.
5.3.
De moeder accepteert hulpverlening en ervaart deze als prettig en ondersteunend. Volgens de betrokken hulpverlenende instanties heeft de vader geen inzicht in zijn gedrag en het effect daarvan op zijn gezin. De vader blijft de schuld buiten zichzelf leggen en staat niet open voor adviezen. De samenwerking met de vader verloopt wisselend, waarbij de vader bepaalde periodes bereid lijkt om in gesprek te gaan en regelmatig vervolgens sprake is van terugtrekkend gedrag. De vader ziet onvoldoende in dat er hulp voor de kinderen, voor zichzelf en voor de ouders onderling nodig is. Daardoor komt hulpverlening onvoldoende van de grond en zijn de ouders niet in staat om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelfstandig af te wenden.
5.4.
Gelet op al het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht voor de duur van een jaar. De komende periode heeft de vader hulpverlening nodig om te leren omgaan met zijn boosheid en hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulp nodig om de traumatische gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt te verwerken.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam , met ingang van 15 mei 2026 tot 15 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026 door
mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 21 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.