Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5872

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716621 / JE RK 26-512
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige en machtiging tot uithuisplaatsing vanwege aanhoudende problemen zoals schoolverzuim, terugtrekgedrag en kwetsbaarheid in sociale contacten.

De moeder erkent de problematiek en staat open voor hulpverlening, maar vindt de gevraagde uithuisplaatsing van een jaar te lang. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord en concludeert dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden voor een jaar en dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is voor haar verzorging en opvoeding.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt echter beperkt tot zes maanden, waarna een nieuwe beoordeling volgt. De beslissing is direct uitvoerbaar en er wordt een rapportageverplichting opgelegd aan de gecertificeerde instelling voor de voortgang.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716621 / JE RK 26-512
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. H.E.M.J. van Poppel, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 10 maart 2026, door de rechtbank ontvangen op 17 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 6 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft op de zitting het verzoek. Het gaat niet goed met [minderjarige] . Zij gaat al langere tijd niet naar school en trekt zich terug. Ook blijft zij kwetsbaar in contact met jongens. Ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden hebben veel impact op haar. [minderjarige] heeft momenteel behoefte aan rust en behandeling op een andere plek dan thuis. Daar kan zij professionele begeleiding krijgen die aansluit bij haar problematiek. Daarna kan worden toegewerkt naar een stabiele terugplaatsing naar huis. Er moet snel duidelijkheid komen over een passende plek voor [minderjarige] .
4.2.
Door en namens de moeder wordt op de zitting naar voren gebracht dat de moeder zich zorgen maakt over [minderjarige] . Het gaat steeds slechter met haar. Zij zit veel thuis, gaat niet naar school en lijkt depressief. Daarnaast zijn er thuis veel spanningen tussen [minderjarige] en de moeder. Het lukt de moeder al langere tijd niet om [minderjarige] voldoende te helpen. De thuissituatie vraagt momenteel meer dan de moeder kan bieden, mede gelet op haar verstandelijke beperking. De moeder staat open voor hulpverlening, zowel voor [minderjarige] als voor zichzelf. Zij begrijpt dat een verblijf op een andere plek nodig is om [minderjarige] rust te geven. Wel vindt de moeder een uithuisplaatsing voor de duur van een jaar te lang. Door eerdere negatieve ervaringen met hulpverlening ervaart de moeder wantrouwen. Zij vreest dat [minderjarige] uiteindelijk niet meer thuis zal komen wonen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ondertoezichtstelling
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat de zorgen over [minderjarige] nog steeds groot zijn. Zij gaat al langere tijd niet naar school en zit veel thuis. Ook zijn er zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling, seksuele ontwikkeling en de schadelijke situaties waarin zij mogelijk terechtkomt. Het is belangrijk dat verder onderzocht wordt waar de problematiek van [minderjarige] vandaan komt en welke hulp zij nodig heeft. De betrokkenheid van de GI blijft daarvoor in de komende periode nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom, zoals verzocht en onweersproken, verlengen voor de duur van een jaar.
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment nodig is. De thuissituatie zorgt al langere tijd voor veel spanningen en het lukt de moeder onvoldoende de rust en structuur te bieden die [minderjarige] nodig heeft. Daarbij weegt mee dat [minderjarige] zelf heeft aangegeven tijdelijk ergens anders te willen wonen om tot rust te komen en behandeling te krijgen. Ook de moeder en de GI vinden dit nodig. De uithuisplaatsing kan bovendien rust creëren voor de moeder zodat ook zij aan haar persoonlijke problematiek kan werken. De kinderrechter acht het van belang dat op korte termijn een passende plek voor [minderjarige] wordt gevonden waar zij behandeling kan krijgen die aansluit bij haar problematiek. Daarnaast moet gewerkt worden aan haar schoolgang en haar toekomstperspectief.
5.4.
Omdat op dit moment nog niet duidelijk is waar [minderjarige] geplaatst zal worden en hoe dat zal verlopen, acht de kinderrechter een machtiging voor de verzochte duur van een jaar op dit moment te lang. Daarom zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van zes maanden. Het overige deel van het verzoek wordt aangehouden tot 1 oktober 2026 pro forma. Daarna zal er opnieuw een zitting plaatsvinden en zal de kinderrechter beslissen over de rest van het verzoek.
5.5.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk
twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datumeen briefrapportage (met afschrift aan de moeder en haar advocaat) te overleggen. In deze rapportage moet de GI informeren over de stand van zaken, de plek waar [minderjarige] verblijft, de ingezette hulpverlening en het perspectief van [minderjarige] .
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 mei 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 mei 2026 tot 11 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de beslissing ten aanzien van het verzoek van de GI voor het overig verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden
tot 1 oktober 2026 pro forma;
6.5.
bepaalt dat de GI, de moeder en haar advocaat op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.6.
verzoekt de GI
uiterlijk twee weken vóór de genoemde pro forma datumde kinderrechter (met afschrift aan de GI, de moeder en haar advocaat) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.