ECLI:NL:RBROT:2026:5860

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/6122
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 131 Wegenverkeerswet 1994Art. 132 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongeldigverklaring rijbewijs wegens niet betalen kosten educatieve maatregel alcohol onterecht

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verklaarde het rijbewijs van eiseres ongeldig wegens het niet betalen van de uitvoeringskosten van een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA). Eiseres was op 3 oktober 2024 aangehouden wegens verdenking van rijden onder invloed en weigerde mee te werken aan een ademonderzoek. Het CBR legde daarop een EMA op, die formeel onherroepelijk werd omdat eiseres geen bezwaar maakte tegen het opleggingsbesluit.

Eiseres werd later door de politierechter vrijgesproken van het weigeren mee te werken aan het ademonderzoek. Desondanks handhaafde het CBR het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, stellende dat de EMA terecht was opgelegd vanwege weigering aan een bloedonderzoek. De rechtbank oordeelt dat dit standpunt niet uit de besluitvorming blijkt en dat eiseres erop mocht vertrouwen dat de EMA was opgelegd wegens weigering aan het ademonderzoek.

De rechtbank stelt vast dat het CBR met het bestreden besluit de onschuldpresumptie heeft geschonden door vast te houden aan de EMA ondanks de vrijspraak. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor het rijbewijs van eiseres niet langer ongeldig is. Tevens veroordeelt de rechtbank het CBR tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6122

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Het CBR heeft het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR het rijbewijs van eiseres terecht ongeldig heeft verklaard. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 22 april 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft het CBR het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Bij besluit van 30 juni 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Uit het proces-verbaal rijden onder invloed van de politie blijkt dat eiseres op 3 oktober 2024 is aangehouden wegens een verdenking van rijden onder invloed. Eiseres werd toen overgebracht naar het politiebureau, waar zij volgens de politie geen gevolg gaf aan een bevel tot medewerking aan een ademonderzoek. Onderaan ‘blad 4’ van het proces-verbaal rijden onder invloed staat dat dit proces-verbaal tevens dient als mededeling zoals bedoeld in artikel 130 Wegenverkeerswet Pro 1994, waarmee aan het CBR mededeling wordt gedaan van een vermoeden dat de verdachte niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke/geestelijke geschiktheid.
3.2.
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft het CBR aan eiseres een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd. In dit besluit staat dat deze EMA wordt opgelegd, omdat eiseres op 3 oktober 2024 “heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholcontrole”. Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vast is komen te staan.
3.3.
Eiseres heeft de opleggingskosten van de EMA op tijd betaald, maar de uitvoeringskosten van de EMA niet. Daarop heeft het CBR het rijbewijs van eiseres met het primaire besluit ongeldig verklaard, welk besluit is gehandhaafd met het bestreden besluit.
Standpunt eiseres
4. Eiseres voert aan dat de besluitvorming van het CBR in strijd is met de onschuldpresumptie. Het CBR stelt zich in het bestreden besluit namelijk nog steeds op het standpunt dat eiseres heeft geweigerd om mee te werken aan een ademonderzoek, terwijl de politierechter eiseres hiervan op 25 februari 2025 heeft vrijgesproken. Eiseres heeft hiertoe een aantekening mondeling vonnis van 25 februari 2025 overgelegd waaruit blijkt dat de politierechter haar heeft vrijgesproken, een e-mail van 18 december 2025 namens de politierechter waarin de vrijspraak wordt gemotiveerd en de medische stukken die zij in de strafzaak heeft overgelegd. Eiseres voert bovendien aan dat het CBR ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. Het bestreden besluit is daardoor onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
De rechtbank beoordeelt of het CBR het rijbewijs van eiseres terecht ongeldig heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5.2.
De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het CBR een EMA kan opleggen wegens het weigeren van medewerking aan een adem- en/of bloedonderzoek en constateert dat het CBR zowel in het besluit van 17 oktober 2024 als het bestreden besluit heeft opgemerkt dat de EMA is opgelegd, omdat eiseres “heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholcontrole”.
5.4.
Tijdens de zitting heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat de EMA uitsluitend aan eiseres is opgelegd, omdat zij heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Omdat de politierechter eiseres enkel heeft vrijgesproken van het weigeren van het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek heeft het CBR met zijn besluitvorming niet de onschuldpresumptie geschonden.
5.5.
Eiseres en haar gemachtigde hebben tijdens de zitting kenbaar gemaakt te zijn overvallen door dit door het CBR ingenomen standpunt en dat zij tot op dat moment ervan uitgingen dat het CBR de EMA had opgelegd, omdat eiseres volgens het CBR had geweigerd om mee te werken aan een ademonderzoek.
5.6.
De rechtbank constateert allereerst dat op het voorblad van het relaas proces-verbaal (de eerste pagina na de inhoudsopgave) staat dat eiseres verdacht werd van het weigeren van medewerking aan een ademonderzoek (artikel 163 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994). Verder blijkt uit het volledig proces-verbaal dat zij enkel als verdachte door de politie is gehoord over dat ademonderzoek en enkel daarvoor door het Openbaar Ministerie werd vervolgd. Weliswaar volgt uit een proces-verbaal van bevindingen dat eiseres op de vraag of zij aan een bloedonderzoek wilde meewerken aangaf eerst een advocaat te willen raadplegen, waarna de politie concludeerde dat zij weigerde mee te werken, toch legt dit gegeven in dit specifieke geval naar het oordeel van de rechtbank minder tot zelfs geen gewicht in de schaal. De rechtbank constateert namelijk ook dat het tijdens de zitting ingenomen standpunt van het CBR dat de EMA uitsluitend vanwege weigering mee te werken aan een bloedonderzoek zou zijn opgelegd, op geen enkele wijze blijkt uit de besluitvorming. Eiseres heeft in bezwaar expliciet aangevoerd dat de politierechter haar heeft vrijgesproken van het weigeren van medewerking aan een ademonderzoek, waarna het CBR in het bestreden besluit niet heeft verduidelijkt dat de EMA enkel zou zijn opgelegd, omdat eiseres zou hebben geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. De rechtbank is van oordeel dat deze verduidelijking dan wel voor de hand had gelegen. Een algemene opmerking over ‘het weigeren van een alcoholcontrole’ volstaat dan niet. Het CBR heeft daaraan toegevoegd dat het een eigen beoordelingsbevoegdheid heeft en dat het zich onafhankelijk van de beoordeling door de strafrechter een oordeel vormt over de vraag of de feiten en omstandigheden het opleggen van een EMA rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering eerder suggereert dat het CBR de EMA heeft opgelegd, omdat eiseres geweigerd zou hebben om mee te werken aan een ademonderzoek. Ook heeft het CBR in het voorafgaand aan de zitting overgelegde verweerschrift dit niet nader geëxpliciteerd.
5.7.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het pas tijdens de zitting ingenomen standpunt van het CBR dat de EMA uitsluitend is opgelegd omdat eiseres zou hebben geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek, niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres ervan uit heeft mogen gaan dat het CBR haar de EMA heeft opgelegd omdat zij had geweigerd om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. De rechtbank zal hier dan ook vanuit gaan bij de verdere beoordeling van het beroep.
5.8.
Het CBR heeft zich in de besluitvorming en op de zitting op het standpunt gesteld dat het besluit van 17 oktober 2024, waarbij het CBR eiseres de EMA heeft opgelegd, inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen omdat eiseres tegen dat besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Volgens het CBR kan nu dan ook niet meer worden aangevoerd dat het opleggen van de EMA in strijd was met de onschuldpresumptie. Nu niet in geschil is dat eiseres de kosten die aan de opgelegde educatieve maatregel zijn verbonden niet of niet tijdig heeft voldaan, was het CBR verplicht om het rijbewijs van eiseres ongeldig te verklaren. Het rijbewijs is volgens het CBR dan ook terecht ongeldig verklaard.
5.9.
De rechtbank volgt dit standpunt van het CBR niet. De rechtbank verwijst in dit verband naar overweging 8.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2632. Daaruit volgt dat de bestuursrechter een besluit dat formele rechtskracht heeft gekregen onder bepaalde omstandigheden mag betrekken bij het toetsen van een daaropvolgend besluit. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval samenhang bestaat tussen de strafrechtelijke en de bestuursrechtelijke procedure, omdat het ten laste gelegde feit waarvan de politierechter eiseres heeft vrijgesproken gebaseerd is op de feiten die hebben geleid tot het besluit tot het opleggen van een EMA. Bovendien werkt het besluit tot het opleggen van de EMA door in het besluit tot het ongeldig verklaren van het rijbewijs, omdat daarmee wordt vastgehouden aan de maatregel tot het opleggen van een EMA. Onder die omstandigheden dient de rechtbank te toetsen of het CBR met het bestreden besluit, en daarmee met het vasthouden aan de opgelegde EMA, de onschuldpresumptie heeft geschonden.
5.10.
De rechtbank stelt vast dat eiseres is vrijgesproken van het weigeren van medewerking aan een ademonderzoek. Het CBR heeft door met de ongeldigverklaring van het rijbewijs vast te houden aan de opgelegde EMA, waarbij de rechtbank er dus vanuit gaat dat deze is opgelegd vanwege het weigeren van medewerking aan een ademonderzoek, de onschuldpresumptie geschonden. Het CBR geeft er daarmee immers blijk van de juistheid van de vrijspraak in twijfel te trekken. [1]
5.11.
De beroepsgrond slaagt. De overgebleven beroepsgrond kan dan ook onbesproken blijven.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie. Omdat de rechtbank zoveel mogelijk moet proberen om tot een uiteindelijke oplossing te komen voor het geschil (finale geschilbeslechting), moet aansluitend worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. [2] In dit specifieke geval ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het primaire besluit wordt herroepen, waarbij deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 juni 2025. Dat betekent concreet dat het rijbewijs van eiseres niet langer ongeldig is.
6.2.
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat het CBR aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden. Ook moet het CBR de proceskosten van eiseres betalen. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,- (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1, en daarnaast één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 30 juni 2025;
  • herroept het besluit van 22 april 2025 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 juni 2025;
  • bepaalt dat het CBR aan eiseres het griffierecht van € 194,- vergoedt;
  • veroordeelt het CBR in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van
C. Gümüş, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6
2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 8
[…]
2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.
Artikel 130
1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
[…]
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
Artikel 132
1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich:
a. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
[…]
2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van:
a. de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
[…]
Artikel 163
1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
2. De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid, of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b.
5. Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
6. De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 2
1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.
Artikel 9
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:
a. de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;
[…]
Artikel 11
1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;
(…)
2. Artikel 9 is Pro van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
1. De kosten van oplegging van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van die maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij dat besluit.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt niet verlengd.
3. De kosten van uitvoering van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden betaald binnen tien weken nadat het verzoek tot betaling van de uitvoeringskosten van die maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven in het in het eerste lid bedoelde besluit.
4. Binnen drie weken na ontvangst van het in het derde lid bedoelde verzoek kan betrokkene verzoeken om uitstel van betaling voor maximaal zes maanden.
Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (aanhef en onder B.III);
Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:
III. Drogerende stoffen
Alcohol
d. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2632, onder 8.6.
2.Zie artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht.