ECLI:NL:RBROT:2026:582

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710291 / KG ZA 25-1148
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige concurrentie door overstap werknemers verzekeringsmakelaar naar concurrent met geheimhoudings- en relatiebeding

In deze zaak heeft Aon Groep Nederland B.V. een kort geding aangespannen tegen vier gedaagden, waaronder drie ex-werknemers die zijn overgestapt naar concurrent [gedaagde 4]. Aon stelt dat deze overstap en het benaderen van klanten door de ex-werknemers onrechtmatige concurrentie oplevert, ondanks dat de geheimhoudings- en relatiebedingen in hun arbeidsovereenkomsten inmiddels zijn verlopen. Aon vordert een verbod op het benaderen van klanten en een voorschot van € 2.159.888 op schadevergoeding. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Aon afgewezen, omdat er geen spoedeisend belang is aangetoond voor de gevorderde betaling en de ex-werknemers in beginsel vrij zijn om Aon te beconcurreren na het verstrijken van de bedingen. De rechter oordeelt dat Aon niet voldoende heeft aangetoond dat de gedaagden onrechtmatig handelen en dat de belangen van de gedaagden zwaarder wegen dan die van Aon. Aon wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagden, die in totaal € 11.473 bedragen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710291 / KG ZA 25-1148
Vonnis in kort geding van 23 januari 2026
in de zaak van
AON GROEP NEDERLAND B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
eiseres,
advocaat: mr. E.H. de Joode,
tegen

1.[gedaagde 1],

wonende in Oldehove,
2.
[gedaagde 2],
wonende in Zwolle,
3.
[gedaagde 3],
wonende in Zwolle,
4.
[gedaagde 4].,
gevestigd in Capelle aan den IJssel,
gedaagden,
advocaat mrs. V. van den Bos en E. Husta.
Eiseres wordt hierna Aon genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk ‘gedaagden’ en afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd.
De zaak in het kort
In deze zaak zijn drie werknemers van Aon overgestapt naar concurrent [gedaagde 4]. Een aantal klanten van Aon die tot de portefeuilles van deze drie ex-werknemers behoorden, zijn vervolgens ook overgestapt naar [gedaagde 4]. Inmiddels is het in de arbeidsovereenkomsten met Aon opgenomen geheimhoudings- en/of relatiebeding van de ex-werknemers afgelopen. Aon meent dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en vordert een verbod tot het benaderen van klanten van Aon en een voorschot van ruim € 2 miljoen op een schadevergoeding. De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen af.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 december 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de mondelinge behandeling op 9 januari 2026,
- de spreekaantekeningen van mr. De Joode,
- de spreekaantekeningen van mrs. Van den Bos en Husta.
2. De feiten
2.1.
Aon is een financiële dienstverlener die zich onder meer bezighoudt met het als verzekeringsmakelaar aanbieden van verzekeringsmogelijkheden.
2.2.
[gedaagde 1] is op 1 januari 1996 in dienst getreden bij Aon, laatstelijk in de functie van Accountmanager in de regio Noord-Oost. In de arbeidsovereenkomst met Aon is (onder meer) het volgende concurrentie- en geheimhoudingsbeding opgenomen:
Concurrentiebeding
Het is niet toegestaan gedurende het dienstverband als zelfstandig tussenpersoon in assurantiën op te treden.
U zult zowel gedurende het dienstverband met Rollins Hudig Hall Groep BV
(de rechtsvoorgangster van Aon, opm. vzr)als na afloop daarvan strikte geheimhouding betrachten omtrent alles, daaronder begrepen alle gegevens en informatie die voor de concurrentie van enig belang kunnen zijn, wat bij de uitoefening van Uw werk te Uwer kennis komt in verband met cliënten, zaken en belangen van Rollins Hudig Hall Groep BV en/of haar werkmaatschappijen.
Indien U in strijd met het hierboven bepaalde handelt, verbeurt U aan Rollins Hudig Hall Groep BV een onmiddellijke opeisbare boete van
f10.000,-- (tienduizend gulden) per overtreding onverminderd het recht van Rollins Hudig Hall Groep BV en/of haar werkmaatschappijen vergoeding te vorderen van de werkelijk geleden schade. Onder werkmaatschappijen dienen in dit verband te worden verstaan de ondernemingen met wie Rollins Hudig Hall Groep BV in één concernverband is opgenomen.
2.3.
[gedaagde 3] is op 1 april 2020 in dienst getreden bij Aon, laatstelijk in de functie van Senior Accountmanager in de regio Noord-Oost. In de arbeidsovereenkomst met Aon is het volgende relatiebeding opgenomen:
Gedurende een periode van 1 jaar na het einde van het dienstverband zal medewerker, behoudens schriftelijke toestemming van werkgever, geen activiteiten uitoefenen die gelijk aan of anderszins concurrerend zijn met de activiteiten van werkgever en/of haar werkmaatschappijen, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op cliënten uit de ten tijde van het dienstverband bestaande klantenkring van werkgever en/of haar werkmaatschappijen. De verboden activiteiten dienen in ruime zin te worden opgevat, dat wil zeggen ongeacht de wijze en/of vorm ervan en ongeacht of er sprake is van handelen op eigen naam dan wel door middel van en/of in samenwerking met, dan wel in dienstverband van andere natuurlijke personen of rechtspersonen.
Indien medewerker in strijd met het hierboven bepaalde handelt, is hij schuldig aan werkgever een onmiddellijk opeisbare boete van EUR 5.000,- (vijfduizend euro) per dag per overtreding (een gedeelte van een dag als dag gerekend) voor elke dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van werkgever en/of haar werkmaatschappijen vergoeding te vorderen van de werkelijk geleden schade.
2.4.
[gedaagde 2] is op 1 juni 2020 in dienst getreden bij Aon, laatstelijk in de functie van Industry Senior/Senior Accountmanager in de regio Noord-Oost. In de arbeidsovereenkomst tussen Aon en [gedaagde 2] is een relatiebeding opgenomen dat exact gelijk is aan die van [gedaagde 3], zij het dat in het voor [gedaagde 2] geldende beding een boete is opgenomen van € 13.000,- per dag.
2.5.
[gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, elk hun arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 september 2024 en zij zijn alle drie per die datum in dienst getreden bij [gedaagde 4].

3.Het geschil

3.1.
Aon vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden te verbieden om op enigerlei wijze zakelijk contact te hebben of te onderhouden met de entiteiten die worden genoemd in productie 5A, al dan niet gedurende een door de voorzieningenrechter vast te stellen periode, zulks met uitzondering van de entiteiten die op de dag van de uitspraak reeds [gedaagde 4] als assurantiemakelaar hebben aangesteld, een en ander op straffe van een dwangsom,
II. gedaagden te verbieden om op enigerlei wijze zakelijk contact te hebben of te onderhouden met andere cliënten van Aon, al dan niet gedurende een door de voorzieningenrechter vast te stellen periode, voor zover deze cliënten door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] als accountmanager zijn bediend tijdens de periode dat zij op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam waren bij Aon,
III. gedaagden ieder hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Aon van een bedrag van € 2.159.888,00 althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag, als voorschot op een vergoeding van door Aon geleden en/of nog te lijden schade,
IV. althans zodanige voorzieningen te treffen als de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren,
V. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Gedaagden voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Aon in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.De beoordeling

4.1.
Aon verwijt gedaagden dat zij zich jegens Aon schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatige concurrentie [1] , omdat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tijdens en na hun dienstverband stelselmatig klanten van Aon hebben benaderd om een overstap te maken naar [gedaagde 4]. Ten minste 33 klanten zijn benaderd, waarvan 18 klanten ook daadwerkelijk de overstap naar [gedaagde 4] hebben gemaakt. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en ook [gedaagde 4] (zij heeft het stelselmatig benaderen van klanten van Aon toegestaan en gefaciliteerd) hebben daarmee onrechtmatig jegens Aon gehandeld en zij zijn op de voet van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de door Aon geleden schade. De schade wordt door Aon begroot op € 2.159.888 aan misgelopen en nog mis te lopen provisies.
Het gevorderde voorschot wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang
4.2.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.3.
Zelfs wanneer ervan wordt uitgegaan dat het [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ook ná het verlopen van het geheimhoudings- en/of relatiebeding niet is toegestaan om klanten van Aon te benaderen (zoals door Aon wordt gesteld en door gedaagden wordt betwist), dan valt niet in te zien welk spoedeisend belang Aon heeft bij de door haar gevorderde betaling van een voorschot van € 2.159.888,-. Gelet op de toelichting bij en de hoogte van dit bedrag is aannemelijk dat dit (vrijwel) gelijk is aan de totale schade die Aon stelt reeds te hebben geleden en nog te zullen lijden. Voor de incasso van de door Aon gestelde (en door gedaagden gemotiveerd betwiste) vordering tot betaling van een schadevergoeding is het voeren van een bodemprocedure de geëigende weg. Aon heeft niet onderbouwd waarom een bodemprocedure niet kan worden afgewacht en waarom er nu met onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist zou zijn in de vorm van betaling van een fors voorschot van € 2.159.888,-. Gelet hierop wordt de door Aon gevorderde betaling van het voorschot reeds bij gebrek aan een spoedeisend belang afgewezen.
Ook de gevorderde verboden worden afgewezen
4.4.
Vast staat dat de duur van de tussen Aon enerzijds en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds overeengekomen geheimhoudings- en/of relatiebedingen inmiddels is verstreken. Het staat hen daarom in beginsel vrij om Aon te beconcurreren, ook wanneer Aon daarvan nadeel ondervindt.
Bijkomende omstandigheden kunnen er wel toe leiden dat bepaalde concurrerende activiteiten toch onrechtmatig zijn. Volgens vaste rechtspraak geldt voor ex-werknemers dat sprake is van onrechtmatige concurrentie wanneer voldaan is aan drie vereisten, namelijk 1) het stelselmatig en substantieel afbreken van 2) het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever 3) met gebruikmaking van kennis en gegevens die bij de voormalige werkgever vertrouwelijk zijn verkregen. De vraag of het benaderen van relaties van de voormalig werkgever onrechtmatig is in voornoemde zin, hangt onder meer af van de wijze waarop en de mate waarin dat plaatsvindt.
4.5.
Aon heeft als productie 5A een lange lijst overgelegd van klanten die tot de portefeuilles van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] behoorden ten tijde van hun dienstverband bij Aon. Aon vordert dat het gedaagden wordt verboden om zakelijk contact te houden met de in deze lijst opgenomen klanten (vordering 3.1 onder I) en met andere klanten van Aon die tot de portefeuilles behoorden van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (vordering 3.1 onder II).
4.6.
Het door Aon gevorderde verbod ziet nadrukkelijk niet op de 18 klanten waarvan tussen partijen vast staat dat deze al daadwerkelijk naar [gedaagde 4] zijn overgestapt.
4.7.
Ten aanzien van de 15 klanten waarvan Aon stelt dat zij door een of meer gedaagden zijn benaderd voor een overstap naar [gedaagde 4], maar die die overstap niet gemaakt hebben is er op dit moment geen reden om het door Aon gevorderde verbod toe te wijzen. Aon lijdt ten aanzien van deze ‘trouwe’ klanten op dit moment immers geen schade (in de vorm van misgelopen provisies) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden. Van concrete aanwijzingen dat deze trouwe klanten alsnog zullen overstappen is geen sprake. Dat sluit niet uit dat in de toekomst deze 15 klanten alsnog benaderd kunnen worden door gedaagden en alsnog een overstap naar [gedaagde 4] maken (nog daargelaten de vraag of dat wel of niet onrechtmatig zou zijn), maar dat doet er niet aan af dat in deze procedure niet van omstandigheden is gebleken die maken dat ten aanzien van deze 15 klanten een onmiddellijke voorziening als gevorderd zou zijn vereist.
4.8.
Ten aanzien van de overige op de lijst vermelde klanten moet beoordeeld worden of er een serieuze aanleiding is om te vrezen dat (een of meer) gedaagden jegens Aon onrechtmatig zullen handelen, zodat een verbod op zijn plaats is.
4.9.
[gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betwisten overigens dat de lijst juist is omdat daarop ook namen staan die zij niet herkennen als klant. Dat verweer kan, gelet op het navolgende, als irrelevant onbesproken blijven.
4.10.
Vast staat dat de geheimhoudings- en relatiebedingen per 1 september 2024 zijn verlopen, zodat het uitgangspunt met ingang van deze datum is dat partijen elkaar weer vrij mogen beconcurreren. Die bedingen hebben geen nawerking (zie 4.4). Gelet op dit uitgangspunt ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen serieuze aanwijzingen die aannemelijk maken dat gedaagden zich schuldig zullen maken aan onrechtmatige concurrentie en daarmee jegens Aon onrechtmatig zullen handelen. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.11.
Van Aon als eiseres mag worden verwacht dat zij aannemelijk maakt dat van gedaagden, beoordeeld naar de toets gemeld in 4.4, onrechtmatig gedrag te verwachten is. Aon heeft in dat verband enerzijds verwezen naar gedragingen uit het verleden en anderzijds naar de vaststaande gegevens omtrent relaties die naar [gedaagde 4] zijn overgestapt.
4.12.
Wat die gedragingen uit het verleden betreft zijn in het procesdossier aanwijzingen te vinden dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] nog tijdens de duur van de geheimhoudings- en/of relatiebedingen contact met klanten van Aon hebben gehad over een mogelijke overstap naar [gedaagde 4], maar die aanwijzingen zijn niet dermate concreet dat daaruit een schending van de geheimhoudings- en/of relatiebedingen kan worden afgeleid, te meer ook nu uit e-mailcorrespondentie tussen Aon en [gedaagde 4] is gebleken dat gedaagden zich bewust waren van de geheimhoudings- en of relatiebedingen en dat zij deze bedingen gedurende de duur daarvan wensten te respecteren. Voorts is van belang dat de situatie inmiddels wezenlijk is veranderd.
4.13.
Wat betreft de reeds overgestapte klanten geldt dat nodig is dat
substantieelafbreuk is/wordt gedaan aan het duurzame bedrijfsdebiet. Daaruit volgt dat de overstap van enkele klanten reeds om die reden onvoldoende is. Aon is immers een grote speler in de verzekeringswereld met een groot klantenbestand, waardoor – anders dan bij een kleine(re) speler in de verzekeringsmarkt – de drempel om te kunnen spreken van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet hoog ligt. Hoewel het door Aon genoemde bedrag van een half miljoen op zichzelf aanzienlijk is, is het dat niet in vergelijking met de totale omzet van Aon. Anders dan Aon stelt, is er geen reden om de vestiging waarbij [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] werkzaam waren separaat te beschouwen; de ex-werkgever is eiseres.
4.14.
Verder moet gebruik gemaakt zijn van kennis en gegevens die bij de voormalige werkgever vertrouwelijk zijn verkregen. Dat aan dat criterium is voldaan onderbouwt Aon vooral met aannames en veronderstellingen. Dat volstaat niet. De polissen, die kennelijk ongewijzigd zijn overgenomen, zijn zonder nadere toelichting niet te beschouwen als vertrouwelijke gegevens. Onbetwist is verder dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geen dossiers, laptops of pc’s of iets dergelijks hebben meegenomen.
Daar komt nog bij dat sinds het verlopen van de geheimhoudings- en/of relatiebedingen inmiddels ruim 16 maanden zijn verstreken, waardoor de door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij Aon opgedane kennis en verkregen bedrijfsinformatie (klant- en productgegevens, contractsvoorwaarden, winstmarges en dergelijke) in relevantie en actualiteit heeft ingeboet.
4.15.
Tenslotte hebben gedaagden nog alternatieve verklaringen gegeven voor de overstap van een aantal klanten en de toename van de omzet van [gedaagde 4]. [gedaagde 4] heeft erop gewezen dat zij geïnvesteerd heeft in toename van haar markaandeel door onder meer overnames. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben erop gewezen dat sommige van de overgestapte relaties een persoonlijke (vriendschappelijke of familie-) band met één van hen hebben. Daarop heeft Aon onvoldoende concreet gereageerd.
4.16.
Gelet op dit alles is in deze procedure niet aannemelijk geworden dat er een serieus risico bestaat dat gedaagden jegens Aon onrechtmatig zullen handelen in de vorm van onrechtmatige concurrentie. De vorderingen van Aon om gedaagden te verbieden om zakelijk contact te houden met (de in productie 5A opgenomen lijst van) klanten van Aon, worden daarom afgewezen.
4.17.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Integendeel, het belang van gedaagden om hun carrière voort te zetten bij een andere werkgever respectievelijk haar marktaandeel uit te breiden en daartoe ervaren werknemers aan te trekken, weegt zwaarder dan het belang van Aon om haar relaties te behouden. Aan de omstandigheid dat haar relaties in het begin een belangrijke investering vergen omdat er veel werk wordt gedaan en expertise, ervaring en marktmacht wordt ingezet om een zo gunstig mogelijke polis te kunnen aanbieden komt maar beperkt gewicht toe. Voor een deel zijn die kosten al terugverdiend nu Aon ter terechtzitting zelf stelt dat veel van die relaties al lang klant waren en lopende polissen nauwelijks inspanningen en kosten vergen. Daarnaast geldt dat het relaties vrij staat om van makelaar te wisselen en dat het in algemene zin een normaal bedrijfsrisico is dat het vertrek van ervaren accountmanagers tot het verlies van omzet leidt.
Aon wordt in de proceskosten veroordeeld
4.18.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Aon in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van gedaagden worden begroot op:
- griffierecht € 10.188,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing
Totaal € 11.473,00.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Aon af,
5.2.
veroordeelt Aon in de proceskosten van € 11.473,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Aon niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Aon tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
2438/106

Voetnoten

1.In de zin van het arrest Boogaard/Vesta, HR 9 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:47.