ECLI:NL:RBROT:2026:5784

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717849 / KG ZA 26-335
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • P. de [naam 3]
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing geldvordering en herstel toegang accounts na onrechtmatige onttrekking door voormalig voorzitter

De Stichting De Vrienden van de LETS Ruilwinkel vordert in kort geding terugbetaling van onrechtmatig overgemaakte gelden en herstel van toegang tot e-mail- en Google-accounts. De voormalig voorzitter, [gedaagde], wordt verweten zonder bevoegdheid gelden te hebben overgemaakt en de toegang tot belangrijke accounts te hebben geblokkeerd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de Stichting een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen en dat de vorderingen voldoende aannemelijk zijn. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt verworpen. De rechtbank wijst toe dat [gedaagde] binnen twee dagen alle wachtwoorden en gebruikersnamen moet verstrekken en zich niet meer mag toegang verschaffen tot de accounts.

Ook wordt [gedaagde] veroordeeld tot terugbetaling van € 6.090,00 vermeerderd met rente en tot vergoeding van buitengerechtelijke en proceskosten. De vordering tot machtiging voor dwangmiddelen wordt afgewezen omdat de Stichting reeds bevoegd is executoriale maatregelen te treffen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe en veroordeelt de voormalig voorzitter tot terugbetaling van gelden, verstrekking van toegang tot accounts en betaling van kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717849 / KG ZA 26-335
Vonnis in kort geding van 15 mei 2026
in de zaak van
STICHTING DE VRIENDEN VAN DE LETS RUILWINKEL,
gevestigd te Dordrecht,
eisende partij,
advocaat: mr. J.M.G. Hulsman,
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna de Stichting en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
De Stichting exploiteert een ruilwinkel en ontmoetingsplek in Dordrecht. Het bestuur van de Stichting werd tot enkele maanden geleden mede gevormd door [gedaagde] , als voorzitter. Volgens de Stichting heeft [gedaagde] onrechtmatig gelden van de Stichting ontvreemd en heeft [gedaagde] de toegang tot verschillende programma’s gewijzigd, waardoor de overige bestuursleden niet meer bij de systemen van de Stichting kunnen komen. De Stichting vordert – kort gezegd – terugbetaling van de gelden en toegang tot de verschillende (boekhoud)programma’s. De vorderingen van de Stichting worden grotendeels toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 april 2026 met bijlagen 1 tot en met 6;
- het verweerschrift van [gedaagde] met bijlagen 1 tot en met 29;
- de mondelinge behandeling van 1 mei 2026.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] medegedeeld dat de in haar verweerschrift opgenomen tegenvorderingen buiten beschouwing worden gelaten. [gedaagde] procedeert in dit kort geding namelijk zonder de bijstand van een advocaat en kan om die reden geen tegenvordering instellen.
3. Enkele feiten
3.1.
De Stichting exploiteert een ruilwinkel en een ontmoetingsplaats voor bewoners in de buurt Krispijn in Dordrecht.
3.2.
[gedaagde] is op 1 juli 2024 voorzitter van de Stichting geworden. Twee andere personen, mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] , zijn per 1 september 2024 toegetreden tot het bestuur van de Stichting.
3.3.
In de statuten van de Stichting staat – voor zover relevant – het volgende in opgenomen:
Bestuur: samenstelling, wijze van benoemen
Artikel 3
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het bestuur vast te stellen aantal van ten minste drie bestuurders.
(…)
Vertegenwoordiging
Artikel 8
1. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting.
2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan twee gezamenlijk handelende bestuurders.
3. Tegen een handelen in strijd met artikel 4 (leden 2 en 3) kan tegen derden beroep worden gedaan.
(…).”
3.4.
Op 8 oktober 2025 heeft binnen de Stichting een vrijwilligersvergadering plaatsgevonden. Tijdens die vergadering is een motie van wantrouwen tegen [gedaagde] aangenomen. Direct aansluitend op de vrijwilligersvergadering heeft een bestuursvergadering van het bestuur van de Stichting plaatsgevonden, tijdens welke vergadering de overige twee bestuursleden [gedaagde] te kennen hebben gegeven dat [gedaagde] vanwege disfunctioneren op staande voet is ontslagen.
3.5.
Na afloop van de bestuursvergadering heeft [gedaagde] , nog op dezelfde dag, gelden overgemaakt van de rekening van de Stichting.
3.6.
De Stichting heeft sinds oktober 2025 geen toegang meer tot het e-mail- en Google-account van de Stichting.
3.7.
[gedaagde] heeft naar aanleiding van de gebeurtenissen op 8 oktober 2025 en de daarop volgende registratie (in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel) van haar uittreden als voorzitter per 13 oktober 2025 bezwaar gemaakt bij de Kamer van Koophandel. Bij brief van 12 januari 2026 heeft de Kamer van Koophandel op het bezwaar meegedeeld dat er geen grondslag was voor de geregistreerde uittreding als voorzitter per 13 oktober 2025 en het bezwaar gegrond verklaard.
3.8.
Op 12 januari 2026 stuurde [gedaagde] haar medebestuurders een uitnodiging voor een bestuursvergadering op 26 januari 2026. Tijdens die vergadering hebben de medebestuurders meegedeeld over het ontslag van [gedaagde] te willen spreken. Zij hebben vervolgens, beide, voor dat ontslag gestemd welk ontslag (uittreden) in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is gepubliceerd. [gedaagde] heeft nadien, en ook tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding, laten weten geen voorzitter meer te willen zijn.

4.De vordering

4.1.
De Stichting vordert – na wijziging van haar vorderingen – dat de voorzieningenrechter bij vonnis:
I. [gedaagde] gelast om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee dagen na kennisname van het vonnis, alle wachtwoorden en gebruikersnamen waarmee het e-mail- en Google-account van de Stichting beheerd kunnen worden, middels aangetekende brief en e-mail, aan de Stichting te verstrekken, met de uitdrukkelijke aantekening dat [gedaagde] in de periode van verstrekking en daarna op geen enkele wijze zichzelf nog mag trachten toegang te verschaffen tot alle accounts die ten behoeve van de Stichting rechtsgeldig door de Stichting zijn aangemaakt;
II. [gedaagde] gelast om binnen een week na heden de gelden die zij zonder toestemming heeft overgemaakt naar haar voormalige organisatie [bedrijf] en mevrouw [naam 1] ten bedrage van € 6.090,00, te vermeerderen met de rente tot 21 april 2026 ter hoogte van € 330,24, over te maken naar het rekeningnummer van de Stichting met het rekeningnummer [rekeningnummer] onder vermelding van ‘terugstorting onrechtmatig overgemaakte gelden’;
III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, waarbij inbegrepen de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de juridische bijstand op dit moment PM;
IV. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart;
V. indien [gedaagde] weigert mee te werken aan de uitvoering van het vonnis wanneer de hiervoor aangegeven eisen door uw rechtbank worden toegewezen, dat aan de Stichting door de rechtbank wordt toegestaan alle daartoe gerechtigde dwangmiddelen te mogen gebruiken die daartoe zijn toegestaan, zoals het leggen van bankbeslag, ten aanzien van alle rekeningen waar [gedaagde] de beschikking over heeft, waaronder privé rekeningen en eventuele nieuwe ingeschreven eenmansbedrijven in de KvK, het leggen van beslag op de inboedel van de woning van [gedaagde] en alle zaken die kunnen dienen tot waarborg voor het terugvorderen van de door [gedaagde] vervreemde gelden. Het leggen van beslag op computers, laptops en andere gegevensdragers en het forceren van toegang daartoe om de benodigde toegang tot de accounts van de Stichting te verkrijgen en desnoods daarbij gebruik te mogen maken van de hulp van de sterke arm, politie dan wel deurwaarder.
4.2.
De Stichting legt aan haar vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Volgens de Stichting heeft [gedaagde] jegens de Stichting een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW Pro gepleegd door zonder daartoe bevoegd te zijn gelden van de Stichting over te maken en door de toegang tot verschillende accounts van de Stichting te blokkeren voor de overige bestuursleden. Daardoor heeft de Stichting geen toegang meer tot alle voor haar belangrijke accounts om haar werkzaamheden naar behoren te kunnen uitvoeren en daar verantwoording over af te leggen.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Stichting, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de Stichting, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Stichting in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Het toetsingskader in een kort geding5.1. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de Stichting ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken. Voor wat betreft de geldvordering geldt in aanvulling op het voorgaande dat bij toewijzing van een geldvordering in kort geding terughoudendheid geboden is en dat rekening moet worden gehouden met het risico dat de Stichting het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval zij in een bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
Het spoedeisend belang
5.2.
De Stichting heeft gesteld en onderbouwd dat haar werkzaamheden worden gehinderd doordat zij nog steeds geen toegang heeft tot haar e-mail- en Google-account en dat de door [gedaagde] overgemaakte gelden dringend nodig zijn om de werkzaamheden van de Stichting mee te bekostigen. Gelet hierop kan, anders dan [gedaagde] meent, van de Stichting niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. De Stichting heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen.
Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen
5.3.
[gedaagde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. Waar die conclusie op gebaseerd is, heeft zij echter niet toegelicht. De voorzieningenrechter verwerpt dat verweer dan ook.
Vordering I. wordt toegewezen
5.4.
De voorzieningenrechter wijst vordering I. toe. Hoewel [gedaagde] betoogt dat zij de wachtwoorden niet heeft veranderd of de toegang van de andere bestuursleden heeft geblokkeerd, geeft [gedaagde] aan wel een melding te hebben ontvangen van Google dat vanuit een vreemd IP-adres is ingelogd op het Google-account en dat [gedaagde] daar niks mee heeft gedaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van [gedaagde] lag om na haar ontslag als voorzitter – eventueel samen met de andere bestuursleden – te zorgen dat de overige bestuursleden toegang zouden behouden tot de accounts van de Stichting. Door niks te doen met de melding van Google heeft [gedaagde] de kwestie rondom (de toegang tot) de accounts in de hand gewerkt. Van [gedaagde] mag worden verwacht dat zij nu alsnog meewerkt aan het herstel van de toegang van de bestuursleden van de Stichting tot het e-mail- en Google-account van de Stichting. Bovendien moge duidelijk zijn dat [gedaagde] zich daarna op geen enkele wijze meer toegang moet proberen te verschaffen tot de verschillende accounts van de Stichting.
Vordering II. wordt ook toegewezen
5.5.
De voorzieningenrechter wijst ook de geldvordering onder II. toe. De statuten van de Stichting schrijven voor dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de Stichting steeds toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuurders. Ongeacht het antwoord op de vraag of [gedaagde] op 8 (of 9) oktober 2025 nog voorzitter was, staat vast dat [gedaagde] de betalingen namens de Stichting in haar eentje, zonder een bevoegd genomen bestuursbesluit en zonder medeweten en handelingen van (één van) de andere bestuursleden van de Stichting, heeft verricht. [gedaagde] was dan ook niet bevoegd – als voorzitter niet en als ex-voorzitter al helemaal niet – om de betalingen te verrichten. Het standpunt van [gedaagde] dat aan de betalingen vrijwilligersovereenkomsten ten grondslag liggen, kan haar niet baten. De Stichting betwist de rechtsgeldigheid en de datering van die overeenkomsten. Bovendien geldt dat één van die overeenkomsten is gedateerd op 1 september 2024 en dat de Stichting op dat moment drie bestuursleden had, terwijl [gedaagde] die overeenkomst alleen (en dus onbevoegd) heeft ondertekend. Voor de overeenkomst die op 1 juli 2024 is gedateerd, geldt dat – hoewel [gedaagde] destijds in haar eentje bestuurder van de Stichting was – het op de weg van [gedaagde] lag om die overeenkomst bij aantreding van de overige bestuursleden ter sprake zou brengen. Door dit niet te doen en daarbij pas na haar ontslag als voorzitter tot betaling van de gesteld verschuldigde vergoedingen over te gaan, heeft [gedaagde] voorshands onrechtmatig gehandeld tegenover de Stichting. [gedaagde] moet de twee door haar overgemaakte bedragen van in totaal € 6.090,00 dan ook aan de Stichting terugbetalen. Het is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een restitutierisico dat aan toewijzing van de daartoe strekkende vordering in de weg staat. De gevorderde wettelijke rente van € 330,24 wordt ook toegewezen. [gedaagde] heeft daar geen zelfstandig verweer tegen gevoerd.
Vordering V. wordt afgewezen
5.6.
Vordering V. wordt afgewezen. In feite vraagt de Stichting om toestemming of machtiging van de voorzieningenrechter om dit vonnis ten uitvoer te leggen, maar de Stichting kan met dit vonnis een deurwaarder de opdracht geven om het vonnis ten uitvoer te leggen (en in dat kader executoriale maatregelen (doen) treffen). Daar is geen afzonderlijke machtiging of toestemming van de voorzieningenrechter voor nodig waardoor de Stichting geen belang heeft bij deze vordering. Toepassing van andere dwangmiddelen had de Stichting moeten vorderen.
De vergoeding voor buitengerechtelijke kosten
5.7.
De Stichting vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering is toewijsbaar voor een bedrag van € 679,50.
De gevorderde (proces)kosten worden toegewezen
5.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
1.177,00
(tarief gemiddelde zaak)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.600,94

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee dagen na betekening van dit vonnis, alle wachtwoorden en gebruikersnamen waarmee het e-mail- en Google-account van de Stichting beheerd kunnen worden, middels aangetekende brief en e-mail, aan de Stichting te verstrekken, en verbiedt [gedaagde] om zichzelf daarna nog toegang te verschaffen tot alle accounts die ten behoeve van de Stichting rechtsgeldig door de Stichting zijn aangemaakt;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Stichting binnen één week na betekening van het vonnis te betalen een bedrag van € 6.090,00, vermeerderd met de gevorderde rente van € 330,24;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Stichting te betalen een bedrag van € 679,50 aan buitengerechtelijke kosten;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.600,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de [naam 3] en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
4041/2009