Beoordeling door de rechtbank
De zitting van 9 januari 2026 en het uitstelverzoek
2. De zitting van 9 januari 2026 is begonnen 10:00 uur. Om 9:26 uur, dus 34 minuten voor aanvang van de zitting, is bij de griffie een e-mail van de gemachtigde van eiseres binnengekomen met daarin het verzoek een nieuwe zittingsdatum te bepalen. Dit verzoek heeft de rechter en de griffier pas bereikt nadat het onderzoek ter zitting was gesloten. De rechtbank heeft dit verzoek na de zitting afgewezen omdat het niet voldoet aan de in artikel 2.13, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (het Procesreglement) genoemde voorwaarden. In het verzoek is vermeld dat de gemachtigde wegens “ziekte” niet in staat is bij de zitting aanwezig te zijn. Een onderbouwing of nadere toelichting ontbreekt. Ook is niet toegelicht waarom de gemachtigde de rechtbank niet eerder van de gestelde verhindering op de hoogte had kunnen stellen, op een eerdere dag dan wel eerder die ochtend. Voor een op 16 december 2025 geplande zitting had de gemachtigde in exact dezelfde bewoordingen om uitstel verzocht, eveneens pas op de dag van de zitting. Ook is het verzoek niet voorzien van verhinderdata over de komende drie maanden, zoals is voorgeschreven in de genoemde bepaling van het Procesreglement. De rechtbank heeft bij haar beslissing ook meegewogen dat de gemachtigde zonder bericht vooraf niet is verschenen op de zitting van 20 december 2024.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 1 juni 2022 een verzoek om inzage gedaan bij de minister op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG. Eiseres wilde weten of en, zo ja, welke persoonsgegevens de minister over haar heeft verwerkt in het kader van:
- de FSV (waaronder maar niet beperkt tot de FSV toezicht- en/of uitsluitlijst);
- projectcode 1043;
- andere met de FSV vergelijkbare applicaties, toezichts- en verwerkingsprocessen van het CAF-team en/of andere teams of afdelingen van de Belastingdienst;
- enige andere ‘zwarte lijst’ of lijst met frauderegistraties;
- (lokaal ontwikkelde) applicaties met risicosignalen voor fraudesignalering.
Als het antwoord hierop ‘ja’ luidt, dan wenst zij te vernemen:
- wat het doel is van de verwerking van de persoonsgegevens van eiseres door de Belastingdienst;
- aan wie de minister haar persoonsgegevens eventueel nog nader heeft verstrekt in binnen- en buitenland en om welke redenen dit is gebeurd;
- welke passende waarborgen voor doorgifte de minister heeft getroffen als hij de persoonsgegevens van eiseres heeft doorgegeven aan een ander land of aan een internationale organisatie;
- wat de herkomst is van de persoonsgegevens van eiseres, als deze bekend is;
- hoe lang de minister de persoonsgegevens van eiseres naar verwachting opslaat;
- of er sprake is van geautomatiseerde besluitvorming, waaronder die op basis van profilering. In dat geval wil eiseres graag weten wat hiervoor de redenen en argumenten zijn. Wat is hierbij het belang van de Belastingdienst en wat zijn de verwachte gevolgen hiervan voor eiseres?
4. De minister heeft met het besluit van 15 september 2022 een overzicht verstrekt van de over eiseres in de FSV opgenomen persoonsgegevens. In enkele gegevens die bij de over eiseres vermelde gegevens waren vermeld, heeft de minister geen inzage gegeven. Volgens de minister zijn geen persoonsgegevens van eiseres verwerkt in het kader van projectcode 1043. Verder heeft de minister in dit besluit, voor zover mogelijk, gereageerd op de door eiseres gestelde vragen.
5. In het bestreden besluit, waarin het bezwaar van eiseres ongegrond is verklaard, is het standpunt van de minister nader toegelicht.
Heeft de minister op deugdelijke wijze op het inzageverzoek gereageerd?
6. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Het door de minister verstrekte overzicht is niet volledig en de minister heeft ten onrechte geen inzage gegeven in de volledige aangetroffen persoonsgegevens. Eiseres heeft in haar verzoek ook gevraagd om aan te geven in welke andere systemen eiseres voorkomt die niet voldeden aan de AVG. De minister heeft niet voldoende onderbouwd dat er geen met de FSV vergelijkbare systemen zijn. Ook is ten onrechte niet gespecificeerd in welke ‘meest gangbare systemen’ er is gezocht. Eiseres is verder van mening dat de minister wel degelijk kopieën van hele documenten mag verstrekken.
7. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
8. Artikel 15 van de AVG geeft een betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren.
9. De minister heeft naar aanleiding van het verzoek van eiseres onderzoek gedaan in het reservebestand van de FSV. In de FSV zijn persoonsgegevens van eiseres aangetroffen in een drietal signalen. Eén signaal betreft een melding van onbekende inhoud die afkomstig is uit de voorganger van de FSV, DagboekPIT. De twee andere signalen gaan over informatieverzoeken die het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) heeft gedaan bij de Belastingdienst.
10. Ten aanzien van de informatieverzoeken door het LBIO is in de FSV niet meer opgenomen dan dat door het LBIO een verzoek om informatie is gedaan en door wie dit verzoek is behandeld. De minister heeft toegelicht dat in de FSV niet is vermeld welke informatie aan het LBIO is verstrekt. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. De minister heeft terecht geen inzage gegeven in de naam van de ambtenaar die de verzoeken om informatie heeft behandeld. Het betreft hier geen persoonsgegevens van eiseres. Overigens heeft eiseres verklaard (in de brief van haar gemachtigde van 12 maart 2025) dat zij niet op zoek is naar namen van medewerkers van de Belastingdienst.
11. Het andere signaal gaat over een kennelijk door de Belastingdienst ontvangen tip. In het bestreden besluit is vermeld dat in de FSV de volgende aantekening stond:
“Komt uit DagboekPIT, tabblad Tips/Klik/Meldingen, Idnr [nummer]. Tip per mail
ontvangen. Doorgezonden naar (naam)”.
De minister heeft toegelicht dat de naam van de tipgever niet in de FSV is opgenomen en dat deze ook niet (meer) bekend is. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de tip. De rechtbank heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De rechtbank heeft de ongeschoonde versie van een uitdraai van dit signaal bekeken en heeft kunnen vaststellen dat ook in deze versie de naam van de tipgever en de inhoud van de tip niet zijn opgenomen. De rechtbank heeft verder kunnen vaststellen dat de verdere gegevens in dit signaal waarin de minister geen inzage heeft gegeven, geen persoonsgegevens van eiseres betreffen. Reeds hierom ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten aanzien van dit signaal niet deugdelijk heeft gereageerd op het inzageverzoek.
12. Niet gesteld of gebleken is dat de persoonsgegevens van eiseres nog in meer signalen of meldingen in de FSV zijn verwerkt. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de persoonsgegevens van eiseres voorkomen in andere systemen of (fraude)lijsten van de Belastingdienst, die met de FSV vergelijkbaar zijn. De minister heeft in dit verband toegelicht dat volgens door KPMG verrichte onderzoeken de Belastingdienst niet beschikt over andere primaire processen of toezichtprocessen die een sterke gelijkenis tonen met de FSV en die in dezelfde mate risicosignalen verwerken. De rechtbank heeft geen aanleiding om verweerder niet in dit standpunt te volgen. Dat de minister had moeten specificeren in welke ‘meest gangbare systemen’ is gezocht, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft niet heeft verzocht om inzage in haar persoonsgegevens in alle systemen van de Belastingdienst. De minister heeft zich daarom kunnen beperken tot een onderzoek naar de persoonsgegevens van eiseres in de FSV en eventuele daarmee vergelijkbare systemen.
13. De rechtbank overweegt verder dat uit artikel 15, derde lid, van de AVG niet volgt dat een bestuursorgaan, in dit geval de minister, verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin persoonsgegevens van de betrokkene voorkomen.
Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
14. Eiseres heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
15. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
16. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 28 oktober 2022 tot aan de datum van deze uitspraak van 16 januari 2026 is drie jaar en drie maanden verstreken. Er is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijn moet worden verlengd. De redelijke termijn is dus met vijftien maanden overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.
17. De minister heeft op 25 augustus 2023 beslist op het bezwaar van eiseres. Dit is tien maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift en dus vier maanden te laat. De rest van de overschrijding is ontstaan bij de behandeling van het beroep en daarom toe te rekenen aan de rechtbank. Nu de overschrijding aan zowel de minister als de rechtbank is toe te rekenen, wordt de te betalen vergoeding naar evenredigheid verdeeld tussen de minister en de Staat. De minister moet 4/15e deel betalen en de Staat 11/15e deel. De minister moet een bedrag van € 400,- betalen aan eiseres. De Staat moet een bedrag van € 1.100,- betalen aan eiseres.