ECLI:NL:RBROT:2026:577

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
ROT 23/7603
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om inzage in persoonsgegevens op grond van de AVG en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak heeft eiseres, een inwoner van Schiedam, een verzoek ingediend bij de minister van Financiën om inzage in haar persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De minister heeft op 15 september 2022 een besluit genomen waarin hij een overzicht heeft verstrekt van de persoonsgegevens die in de FSV (Fraude Signalering Voorziening) zijn opgenomen. Eiseres heeft echter geen inzage gekregen in bepaalde gegevens, omdat de minister deze niet als persoonsgegevens heeft aangemerkt. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar dit bezwaar is op 25 augustus 2023 ongegrond verklaard. Hierop heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2024 behandeld, maar eiseres en haar gemachtigde zijn zonder kennisgeving niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten, maar later heropend om de minister in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken in te dienen. Eiseres heeft op 30 maart 2025 een wrakingsverzoek ingediend, dat op 10 juni 2025 is afgewezen. De rechtbank heeft de procedure voortgezet en op 9 januari 2026 opnieuw een zitting gehouden, waarbij wederom niemand namens eiseres aanwezig was.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister op deugdelijke wijze heeft gereageerd op het inzageverzoek en dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. Tevens heeft de rechtbank vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, wat heeft geleid tot een schadevergoeding van € 1.500,- voor eiseres. De rechtbank heeft de minister en de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding, waarbij de kosten van de procesvoering ook zijn verdeeld. De uitspraak is gedaan door mr. S. Veling op 19 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/7603

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Schiedam, eiseres

(gemachtigde: [naam]),
en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: mr. A. van der Linden),
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

1.1.
Op 15 september 2022 heeft de minister een besluit genomen over een verzoek van eiseres om inzage op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
1.2.
Met een besluit van 25 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister en mr. E.J.P. Neevens (ook namens de minister). Eiseres en de gemachtigde van eiseres zijn zonder kennisgeving niet verschenen.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de zitting gesloten. De rechtbank heeft het onderzoek op 10 januari 2025 heropend om de minister in de gelegenheid te stellen stukken in te dienen met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister heeft dit op 22 januari 2025 gedaan.
1.6.
Op 30 maart 2025 heeft eiseres een wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer van deze rechtbank heeft dat verzoek op 10 juni 2025 afgewezen.
1.7.
De rechtbank heeft de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond voor het wrakingsverzoek.
1.8.
Op 23 juni 2025 heeft eiseres toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
1.9.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 16 september 2025 bericht dat zonder nadere zitting uitspraak zal worden gedaan, tenzij partijen toch een nadere zitting wensen. Eiseres heeft daarop laten weten dat zij een nadere zitting wenst.
1.10.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister en mr. A. Strooper (ook namens de minister). Namens eiseres is niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

De zitting van 9 januari 2026 en het uitstelverzoek
2. De zitting van 9 januari 2026 is begonnen 10:00 uur. Om 9:26 uur, dus 34 minuten voor aanvang van de zitting, is bij de griffie een e-mail van de gemachtigde van eiseres binnengekomen met daarin het verzoek een nieuwe zittingsdatum te bepalen. Dit verzoek heeft de rechter en de griffier pas bereikt nadat het onderzoek ter zitting was gesloten. De rechtbank heeft dit verzoek na de zitting afgewezen omdat het niet voldoet aan de in artikel 2.13, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (het Procesreglement) genoemde voorwaarden. In het verzoek is vermeld dat de gemachtigde wegens “ziekte” niet in staat is bij de zitting aanwezig te zijn. Een onderbouwing of nadere toelichting ontbreekt. Ook is niet toegelicht waarom de gemachtigde de rechtbank niet eerder van de gestelde verhindering op de hoogte had kunnen stellen, op een eerdere dag dan wel eerder die ochtend. Voor een op 16 december 2025 geplande zitting had de gemachtigde in exact dezelfde bewoordingen om uitstel verzocht, eveneens pas op de dag van de zitting. Ook is het verzoek niet voorzien van verhinderdata over de komende drie maanden, zoals is voorgeschreven in de genoemde bepaling van het Procesreglement. De rechtbank heeft bij haar beslissing ook meegewogen dat de gemachtigde zonder bericht vooraf niet is verschenen op de zitting van 20 december 2024.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 1 juni 2022 een verzoek om inzage gedaan bij de minister op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG. Eiseres wilde weten of en, zo ja, welke persoonsgegevens de minister over haar heeft verwerkt in het kader van:
  • de FSV (waaronder maar niet beperkt tot de FSV toezicht- en/of uitsluitlijst);
  • projectcode 1043;
  • andere met de FSV vergelijkbare applicaties, toezichts- en verwerkingsprocessen van het CAF-team en/of andere teams of afdelingen van de Belastingdienst;
  • enige andere ‘zwarte lijst’ of lijst met frauderegistraties;
  • (lokaal ontwikkelde) applicaties met risicosignalen voor fraudesignalering.
Als het antwoord hierop ‘ja’ luidt, dan wenst zij te vernemen:
  • wat het doel is van de verwerking van de persoonsgegevens van eiseres door de Belastingdienst;
  • aan wie de minister haar persoonsgegevens eventueel nog nader heeft verstrekt in binnen- en buitenland en om welke redenen dit is gebeurd;
  • welke passende waarborgen voor doorgifte de minister heeft getroffen als hij de persoonsgegevens van eiseres heeft doorgegeven aan een ander land of aan een internationale organisatie;
  • wat de herkomst is van de persoonsgegevens van eiseres, als deze bekend is;
  • hoe lang de minister de persoonsgegevens van eiseres naar verwachting opslaat;
  • of er sprake is van geautomatiseerde besluitvorming, waaronder die op basis van profilering. In dat geval wil eiseres graag weten wat hiervoor de redenen en argumenten zijn. Wat is hierbij het belang van de Belastingdienst en wat zijn de verwachte gevolgen hiervan voor eiseres?
4. De minister heeft met het besluit van 15 september 2022 een overzicht verstrekt van de over eiseres in de FSV opgenomen persoonsgegevens. In enkele gegevens die bij de over eiseres vermelde gegevens waren vermeld, heeft de minister geen inzage gegeven. Volgens de minister zijn geen persoonsgegevens van eiseres verwerkt in het kader van projectcode 1043. Verder heeft de minister in dit besluit, voor zover mogelijk, gereageerd op de door eiseres gestelde vragen.
5. In het bestreden besluit, waarin het bezwaar van eiseres ongegrond is verklaard, is het standpunt van de minister nader toegelicht.
Heeft de minister op deugdelijke wijze op het inzageverzoek gereageerd?
6. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Het door de minister verstrekte overzicht is niet volledig en de minister heeft ten onrechte geen inzage gegeven in de volledige aangetroffen persoonsgegevens. Eiseres heeft in haar verzoek ook gevraagd om aan te geven in welke andere systemen eiseres voorkomt die niet voldeden aan de AVG. De minister heeft niet voldoende onderbouwd dat er geen met de FSV vergelijkbare systemen zijn. Ook is ten onrechte niet gespecificeerd in welke ‘meest gangbare systemen’ er is gezocht. Eiseres is verder van mening dat de minister wel degelijk kopieën van hele documenten mag verstrekken.
7. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
8. Artikel 15 van de AVG geeft een betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. [1]
9. De minister heeft naar aanleiding van het verzoek van eiseres onderzoek gedaan in het reservebestand van de FSV. In de FSV zijn persoonsgegevens van eiseres aangetroffen in een drietal signalen. Eén signaal betreft een melding van onbekende inhoud die afkomstig is uit de voorganger van de FSV, DagboekPIT. De twee andere signalen gaan over informatieverzoeken die het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) heeft gedaan bij de Belastingdienst.
10. Ten aanzien van de informatieverzoeken door het LBIO is in de FSV niet meer opgenomen dan dat door het LBIO een verzoek om informatie is gedaan en door wie dit verzoek is behandeld. De minister heeft toegelicht dat in de FSV niet is vermeld welke informatie aan het LBIO is verstrekt. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. De minister heeft terecht geen inzage gegeven in de naam van de ambtenaar die de verzoeken om informatie heeft behandeld. Het betreft hier geen persoonsgegevens van eiseres. Overigens heeft eiseres verklaard (in de brief van haar gemachtigde van 12 maart 2025) dat zij niet op zoek is naar namen van medewerkers van de Belastingdienst.
11. Het andere signaal gaat over een kennelijk door de Belastingdienst ontvangen tip. In het bestreden besluit is vermeld dat in de FSV de volgende aantekening stond:
“Komt uit DagboekPIT, tabblad Tips/Klik/Meldingen, Idnr [nummer]. Tip per mail
ontvangen. Doorgezonden naar (naam)”.
De minister heeft toegelicht dat de naam van de tipgever niet in de FSV is opgenomen en dat deze ook niet (meer) bekend is. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de tip. De rechtbank heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De rechtbank heeft de ongeschoonde versie van een uitdraai van dit signaal bekeken en heeft kunnen vaststellen dat ook in deze versie de naam van de tipgever en de inhoud van de tip niet zijn opgenomen. De rechtbank heeft verder kunnen vaststellen dat de verdere gegevens in dit signaal waarin de minister geen inzage heeft gegeven, geen persoonsgegevens van eiseres betreffen. Reeds hierom ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten aanzien van dit signaal niet deugdelijk heeft gereageerd op het inzageverzoek.
12. Niet gesteld of gebleken is dat de persoonsgegevens van eiseres nog in meer signalen of meldingen in de FSV zijn verwerkt. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de persoonsgegevens van eiseres voorkomen in andere systemen of (fraude)lijsten van de Belastingdienst, die met de FSV vergelijkbaar zijn. De minister heeft in dit verband toegelicht dat volgens door KPMG verrichte onderzoeken de Belastingdienst niet beschikt over andere primaire processen of toezichtprocessen die een sterke gelijkenis tonen met de FSV en die in dezelfde mate risicosignalen verwerken. De rechtbank heeft geen aanleiding om verweerder niet in dit standpunt te volgen. Dat de minister had moeten specificeren in welke ‘meest gangbare systemen’ is gezocht, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft niet heeft verzocht om inzage in haar persoonsgegevens in alle systemen van de Belastingdienst. De minister heeft zich daarom kunnen beperken tot een onderzoek naar de persoonsgegevens van eiseres in de FSV en eventuele daarmee vergelijkbare systemen.
13. De rechtbank overweegt verder dat uit artikel 15, derde lid, van de AVG niet volgt dat een bestuursorgaan, in dit geval de minister, verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin persoonsgegevens van de betrokkene voorkomen. [2]
Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
14. Eiseres heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
15. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
16. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 28 oktober 2022 tot aan de datum van deze uitspraak van 16 januari 2026 is drie jaar en drie maanden verstreken. Er is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijn moet worden verlengd. De redelijke termijn is dus met vijftien maanden overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.
17. De minister heeft op 25 augustus 2023 beslist op het bezwaar van eiseres. Dit is tien maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift en dus vier maanden te laat. De rest van de overschrijding is ontstaan bij de behandeling van het beroep en daarom toe te rekenen aan de rechtbank. Nu de overschrijding aan zowel de minister als de rechtbank is toe te rekenen, wordt de te betalen vergoeding naar evenredigheid verdeeld tussen de minister en de Staat. De minister moet 4/15e deel betalen en de Staat 11/15e deel. De minister moet een bedrag van € 400,- betalen aan eiseres. De Staat moet een bedrag van € 1.100,- betalen aan eiseres.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het door haar betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
19. De schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn bedraagt € 1.500,-.
20. Eiseres heeft recht op een vergoeding van haar proceskosten in verband met dit verzoek. Die kosten bedragen € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor van 0,5). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn deels aan de minister en deels aan de Staat moet worden toegerekend, moeten zij ieder de helft van dit bedrag betalen aan eiseres. De rechtbank veroordeelt de minister tot het betalen van een bedrag van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres. De rechtbank veroordeelt ook de Staat tot het betalen van een bedrag van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 400,-;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.100,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:452, r.o. 6.2.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:452.