ECLI:NL:RBROT:2026:5762

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
11782033 CV EXPL 25-14950
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 7:625 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling achterstallig loon en wettelijke verhoging na beëindiging arbeidsovereenkomst in proeftijd

De zaak betreft een loonvordering van een voormalige horeca keukenmedewerker die van 1 tot en met 27 maart 2025 bij Miro Amehoela B.V. in dienst was. De arbeidsovereenkomst eindigde doordat de medewerker binnen de proeftijd besloot te stoppen. Miro betaalde het loon niet, terwijl zij aan de Belastingdienst een brutoloon van € 2.044,32 had opgegeven.

De medewerker vorderde betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, wettelijke verhoging wegens te late betaling, incassokosten en proceskosten. Miro betwistte de vordering en stelde dat de medewerker slechts 42,25 uur had gewerkt, voornamelijk training en inwerkactiviteiten, waar zij niet van had geprofiteerd.

De kantonrechter oordeelde dat de medewerker recht heeft op loon over de ingeroosterde uren, ook als zij eerder naar huis werd gestuurd, conform de arbeidsovereenkomst. De stelling van Miro dat zij niet van de werkzaamheden had geprofiteerd, was niet relevant. Miro moest ook het vakantiegeld en de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen betalen.

De wettelijke verhoging van 50% werd toegekend vanwege moedwillige te late en niet-volledige betaling. Daarnaast moest Miro een bruto-nettospecificatie verstrekken, incassokosten van € 484,- en proceskosten van € 810,- betalen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Miro Amehoela B.V. is veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, wettelijke verhoging, incassokosten en proceskosten aan de voormalige medewerker.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11782033 CV EXPL 25-14950
datum uitspraak: 10 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.M.F. Prickartz,
tegen
Miro Amehoela B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: de heer S. Rokette.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘Miro’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 27 juni 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de e-mail van de gemachtigde van [eiseres] van 27 februari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 12 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eiseres] en haar gemachtigde aanwezig. Namens Miro was niemand aanwezig, hoewel zij wel was opgeroepen voor de zitting.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiseres] is van 1 tot en met 27 maart 2025 bij Miro in dienst geweest als horeca keuken medewerker. De arbeidsovereenkomst is geëindigd omdat [eiseres] binnen de afgesproken proeftijd heeft besloten om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
2.2.
Miro heeft [eiseres] niet betaald voor de werkzaamheden die zij heeft verricht. Zij heeft aan de Belastingdienst opgegeven dat een brutoloon van € 2.044,32 verschuldigd zou zijn. Dat bedrag is op de uitkering van [eiseres] in mindering gebracht.
2.3.
[eiseres] eist in deze procedure betaling van € 2.044,32 bruto aan achterstallig loon, € 163,55 bruto aan vakantiegeld, € 191,52 bruto als vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en € 1.191,70 bruto aan wettelijke verhoging, dit alles vermeerderd met wettelijke rente, € 484,- aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Ook wil [eiseres] nog een deugdelijke bruto-nettospecificatie over de uit te keren bedragen ontvangen.
2.4.
Miro heeft een schriftelijke reactie gegeven op de dagvaarding. Zij vindt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Volgens Miro heeft [eiseres] in de opgegeven periode maar 42,25 uur gewerkt en bestond dat werk uit training en inwerkmomenten, waarbij Miro niet heeft kunnen profiteren van de werkzaamheden van [eiseres] .
Miro moet het achterstallig loon van € 2.044,32 bruto betalen
2.5.
De kantonrechter wijst de loonvordering van € 2.044,32 toe. [eiseres] heeft voor de zitting een overzicht overgelegd waaruit blijkt voor welke uren zij was ingeroosterd door Miro. Dat [eiseres] feitelijk minder uren heeft gewerkt, is volgens [eiseres] te verklaren door de omstandigheid dat Miro haar regelmatig eerder naar huis stuurde. Dat betekent echter niet dat Miro de niet gewerkte uren niet hoeft te betalen. In artikel 6 lid 3 van Pro de arbeidsovereenkomst staat immers dat [eiseres] haar recht op loon behoudt als een oproep binnen vier dagen wordt ingetrokken. Miro heeft de stellingen van [eiseres] op dit punt niet weersproken; de kantonrechter gaat er daarom vanuit dat die stellingen juist zijn.
2.6.
Dat Miro zegt dat zij niet van de werkzaamheden van [eiseres] heeft geprofiteerd, is niet relevant. Uit niets blijkt dat zou zijn afgesproken dat [eiseres] gedurende de periode dat zij werd ingewerkt of trainingen volgde geen recht had op het volle loon, als zo’n afspraak al rechtsgeldig zou zijn.
2.7.
Voor wat betreft de hoogte van het bedrag volgt de kantonrechter het salarisbedrag dat Miro zelf aan de Belastingdienst heeft doorgegeven.
Miro moet vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen betalen
2.8.
Miro heeft niet betwist dat zij het opgebouwde vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen moet uitbetalen. Vast staat dat zij dit niet heeft gedaan. Deze vorderingen worden toegewezen.
Miro moet de wettelijke verhoging van 50% betalen
2.9.
Uit artikel 7:625 BW Pro volgt dat Miro de wettelijke verhoging aan [eiseres] moet betalen in geval van te late betaling van het salaris. Die verhoging is gemaximeerd op 50%. De kantonrechter is bevoegd om de verhoging (ambtshalve) te matigen, maar daar ziet hij in deze zaak geen aanleiding voor. Uit het verweer dat Miro heeft ingediend volgt dat sprake is van moedwillige te late en niet-volledige betaling. Miro moet dan de maximale wettelijke verhoging betalen.
Miro moet een bruto-nettospecifiatie verstrekken
2.10.
Miro heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. Die wordt daarom toegewezen.
Miro moet incassokosten van € 484,- betalen
2.11.
De incassokosten van € 484,- worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
Miro moet rente betalen
2.12.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en Miro dat niet heeft betwist.
Miro moet de proceskosten betalen
2.13.
De proceskosten komen voor rekening van Miro, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die Miro aan [eiseres] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 810,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en Miro daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt Miro om aan [eiseres] te betalen € 3.591,09 bruto met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 27 juni 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt Miro om aan [eiseres] te betalen € 484,- aan buitengerechtelijke kosten;
3.3.
veroordeelt Miro om aan [eiseres] een bruto-nettospecifiatie te verstrekken betreffende het onder 3.1 toegewezen bedrag;
3.4.
veroordeelt Miro in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 810,-;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909