Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , verzoeker
de burgemeester van Rotterdam
Samenvatting
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De burgemeester van Rotterdam heeft aan verzoeker, die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en stelselmatig overlast veroorzaakt in het centrum, een gebiedsverbod opgelegd voor drie maanden. Dit volgde op meerdere eerdere wijkverboden die verzoeker niet naleefde, mede vanwege zijn betrokkenheid bij drugsdelicten en geweldsincidenten.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het gebiedsverbod en verzocht om een voorlopige voorziening om het verbod op te heffen. De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang erkend, omdat het verbod ook sociale opvanglocaties omvat die verzoeker nu niet kan bereiken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was het gebiedsverbod op te leggen op grond van artikel 172a van de Gemeentewet en de beleidsregel overlastgevende personen. Ondanks betwisting van enkele antecedenten door verzoeker, blijven voldoende recente feiten over die het verbod rechtvaardigen. De termijn van drie maanden is niet onredelijk, gezien de herhaalde overtredingen van eerdere wijkverboden.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor het gebiedsverbod in stand blijft. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen, waardoor het verbod in stand blijft.