Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5710

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
C/10/712063 / KG ZA 25-1259
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering afgifte kentekenpapieren en reservesleutel Ferrari Portofino

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres de afgifte van de kentekenpapieren en reservesleutel van een Ferrari Portofino die door gedaagde is geleverd, maar waarvan de papieren en sleutel worden achtergehouden. De partijen zijn het oneens over de levering van een Rolls Royce Silver Cloud, die gedaagde meent onderdeel van de ruildeal te zijn, terwijl eiseres dit betwist. Tevens is er discussie over de betaling van de bpm, waarbij gedaagde stelt dat betaling door eiseres vereist is voordat de papieren worden overgedragen.

De rechtbank overweegt dat de factuur, ondertekend door beide partijen, en een WhatsAppgesprek erop wijzen dat de Rolls Royce onderdeel uitmaakte van de overeenkomst, maar dat dit in een kort geding niet definitief kan worden vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat gedaagde geen opschortingsrecht heeft om de papieren en sleutel achter te houden vanwege de bpm, omdat de bpm in de koopprijs is inbegrepen.

Gezien het spoedeisend belang van eiseres om de auto te kunnen gebruiken en de onduidelijkheid over de Rolls Royce, wordt de vordering toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld om binnen zeven dagen de papieren en sleutel af te geven, onder dreiging van een dwangsom. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot afgifte van kentekenpapieren en reservesleutel binnen zeven dagen onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712063 / KG ZA 25-1259
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. J. Witvoet,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. D.J. Moll.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft een Ferrari Portofino verkocht en geleverd aan [eiseres] . In ruil voor de Portofino heeft [eiseres] in ieder geval drie Mercedessen en een Lincoln aan [gedaagde] verkocht en geleverd. Ook heeft [eiseres] een bedrag van € 279.230,02 aan [gedaagde] betaald vanwege de aanschaf van de Portofino. Tussen partijen is nadien discussie ontstaan over een Rolls Royce Silvercloud. Volgens [gedaagde] is ook deze auto aan haar verkocht in ruil voor de Portofino, maar liet [eiseres] levering achterwege. [eiseres] meent dat deze auto niet in de deal was inbegrepen. [gedaagde] heeft vervolgens laten weten dat als [eiseres] de Rolls Royce niet alsnog levert, zij de kentekenpapieren en reservesleutel van de Portofino pas aan [eiseres] geeft na betaling door [eiseres] van de bpm voor de Portofino. Volgens [eiseres] is een vergoeding voor de bpm in de koopprijs inbegrepen.
In dit kort geding vordert [eiseres] afgifte van de door [gedaagde] achtergehouden kentekenpapieren en reservesleutel van de Portofino. De vordering wordt toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 9 januari 2026, met producties 1 tot en met 12,
  • de producties 1 tot en met 14 van [gedaagde] ,
  • de zittingsaantekeningen van mr. Witvoet.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarna is de zaak aangehouden in verband met onderhandelingen tussen partijen. Bij brief van 20 april 2026 heeft mr. Witvoet laten weten dat het partijen niet was gelukt om tot overeenstemming te komen en verzocht hij om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] houdt zich bezig met het verhuren van luxe auto’s, met of zonder chauffeur. De heer [naam 1] is een van de bestuurders van [eiseres] .
2.2.
[gedaagde] in- en verkoopt personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. De heer [naam 2] is indirect bestuurder van [gedaagde] .
2.3.
Eind oktober 2025 hebben de heer [naam 1] en [naam 2] namens partijen mondeling overeenstemming bereikt over de verkoop door [gedaagde] aan [naam 1] van een Ferrari Portofino M (hierna: de Portofino). [gedaagde] heeft vervolgens een factuur opgesteld, die zowel door de heer [naam 1] als door [naam 2] is ondertekend. De factuur heeft als factuurdatum 29 oktober 2025 en als factuurnummer F2025-0035.
2.3.1.
De eerste bladzijde van de factuur vermeldt:
“Aantal Omschrijving Prijs per stuk Bedrag
1 Aankoop Ferrari Portofino M (facelift) € 197.710,76 € 197.710,76
(…)
Verkoop prijs Ferrari Portofino M 303.000,- ex btw incl bpm
Inruil prijzen Inruil voertuigen € 78.999,9804,-
‚-incl btw en bpm voor de volgende inruil auto's
€12.396,69 [kenteken 1] ex btw
€15.702,48 [kenteken 2] ex btw
€12.396,69 [kenteken 3] ex btw
___________________________________
Paginatotaal € 197.710,76”
De inruilauto’s met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 3] zijn twee Mercedessen (volgauto’s). De inruilauto met kenteken [kenteken 2] betreft een Lincoln.
2.3.2.
Op de tweede bladzijde van de factuur staat bij de omschrijving:
“€12.396,69 [kenteken 4] ex btw
€12.396,89 [kenteken 5] ex btw”
Het eerste kenteken is van een Mercedes (volgauto).
Het tweede kenteken is van een Rolls-Royce Silver Cloud III (hierna: de Rolls Royce).
2.3.3.
De zevende en tevens laatste bladzijde van de factuur vermeldt:
“Aantal Omschrijving Prijs per stuk Bedrag
1 BPM € 40.000,00 € 40.000,00
___________________________________
Paginatotaal € 40.000,00
Totaal excl. BTW € 237.710,76
21% BTW € 41.519,26
Totaal incl. BTW € 279.230,02
2.4.
Op 3 november 2025 heeft [gedaagde] de Portofino aan [eiseres] geleverd, maar de kentekenpapieren en reservesleutel niet aan [eiseres] verstrekt. [eiseres] heeft in ieder geval drie Mercedessen en een Lincoln aan [gedaagde] geleverd. Ook heeft [eiseres] het factuurbedrag van € 279.230,02 aan [gedaagde] betaald.
2.5.
Op 4 november 2025 heeft de Belastingdienst aan [gedaagde] bericht dat voor de Portofino een bpm-bedrag van € 38.827,00 moet worden betaald.
2.6.
Bij e-mail van 18 november 2025 heeft [gedaagde] aan [eiseres] geschreven:
“Hierbij wil ik u informeren dat ik u tot
aanstaande woensdagde tijd geef om de
Rolls-Royce Silver Cloudte leveren, zoals eerder overeengekomen.
Mocht de Silver Cloud
niet uiterlijk woensdagaan mij geleverd worden, dan ga ik ervan uit dat u ervoor kiest het voertuig zelf te behouden. In dat geval
verrekenen we dit met de nog openstaande BPMdie op de portofino rust.
Ik zal u tevens het betaalbericht voor de BPM meesturen, zodat u deze zelf kunt voldoen. Zodra de betaling is gedaan, worden de kentekenpapieren naar u verstuurd aangezien de auto door de RDW op uw naam is gesteld, en is de overeenkomst daarmee volledig afgehandeld.
Bij het
uitblijven van levering of reactie na woensdagga ik ervan uit dat de Silver Cloud definitief niet aan mij wordt geleverd en dat u de BPM zelf betaalt, waarmee de deal als beëindigd wordt beschouwd. (…)”
2.7.
Bij brief van 19 november 2025 heeft mr. Witvoet namens [eiseres] aan [naam 2] laten weten dat [eiseres] met [gedaagde] was overeengekomen dat [eiseres] de Portofino afnam in ruil voor vier Mercedessen (volgauto’s) en een Lincoln. De overdracht van de Rolls Royce is volgens [eiseres] niet overeengekomen. Deze wordt dus niet aan [gedaagde] geleverd en ook de bpm wordt niet betaald omdat die volgens [eiseres] al in de koopprijs van € 279.230,02 is inbegrepen. Mr. Witvoet heeft verder verzocht om de kentekenpapieren en reservesleutel van de Portofino te verstrekken.
2.8.
Bij e-mail van 21 november 2025 heeft [gedaagde] aan mr. Witvoet bericht dat de overdracht van de Rolls Royce tussen partijen overeen is gekomen en dat dit ook blijkt uit de beschikbare stukken. [gedaagde] heeft de klantrelatie met [eiseres] beëindigd.
2.9.
Bij brief van 27 november 2025 heeft mr. Witvoet aan [naam 2] geschreven dat [gedaagde] in de laatste e-mail haar aanspraak op de Rolls Royce heeft prijsgegeven en dat de bpm al is betaald. Verder heeft hij [gedaagde] opnieuw verzocht om de kentekenpapieren en reservesleutel van de Portofino af te geven. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, na vermindering van eis, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiseres] de originele kentekenpapieren en reservesleutel van de Portofino af te geven, onder oplegging van een dwangsom, en [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

4.De beoordeling

4.1.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering. Dat spoedeisend belang is erin gelegen dat [eiseres] niet met de Portofino de weg op mag zolang zij niet over de kentekenpapieren en reservesleutel van de Portofino beschikt. Volgens [eiseres] mist zij omzet doordat zij de auto niet aan derden kan verhuren.
4.2.
[eiseres] grondt haar vordering op nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij [gedaagde] de Portofino heeft ingeruild tegen, in ieder geval, drie Mercedessen en een Lincoln, met bijbetaling door [eiseres] . [gedaagde] stelt dat zij ook een Rolls Royce van [eiseres] zou krijgen. Volgens [eiseres] klopt dit niet en zou zij in totaal vier Mercedessen en een Lincoln aan [gedaagde] leveren, maar [eiseres] heeft nagelaten te noemen om welke vierde Mercedes (met welk kenteken) dat dan ging.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat het feit dat het kenteken van de Rolls Royce op de factuur staat vermeld (zie 2.3.2.), erop duidt dat de overdracht van de Rolls Royce is overeengekomen. Ook uit een WhatsAppgesprek tussen [naam 2] en de heer [naam 3] , werkzaam bij [eiseres] , blijkt dat over verkoop van de Rolls Royce is gesproken. Volgens [eiseres] is de Rolls Royce echter niet te koop en nooit te koop geweest. De auto is door [eiseres] namelijk van [naam 4] gekocht en wordt om die reden regelmatig aan derden verhuurd. [eiseres] stelt dat [naam 2] bladzijde 2 van de factuur vlak voor de ondertekening heeft verwisseld, waardoor de heer [eiseres] per abuis heeft getekend voor iets dat niet is overeengekomen.
De voorzieningenrechter kan niet beoordelen of dat verhaal van [eiseres] klopt. Daarvoor is nodig dat [eiseres] bewijs van zijn stellingen levert, bijvoorbeeld door het horen van getuigen. Dit kort geding leent zich daar niet voor. Gelet op de namens beide partijen ondertekende factuur - die heeft te gelden als een onderhandse akte met dwingende bewijskracht - en het Whatsappgesprek, wordt vooralsnog aangenomen dat de Rolls Royce onderdeel uitmaakte van de deal.
4.4.
[gedaagde] beroept zich op een opschortingsrecht. Zij wil de kentekenpapieren en reservesleutel van de Portofino pas aan [eiseres] geven als [eiseres] de bpm voor de Portofino heeft betaald (aan de Belastingdienst). Volgens [gedaagde] was het weliswaar volgens de deal de bedoeling dat zij de bpm zelf zou voldoen aan de Belastingdienst, maar dient [eiseres] dit nu te doen omdat [eiseres] de Rolls Royce niet aan [gedaagde] heeft geleverd. Maar [eiseres] wijst erop dat de bpm in de prijs van € 279.230,02 was inbegrepen. Dit blijkt ook uit de factuur, zie 2.3.3. Daarin is namelijk een bpm-bedrag van € 40.000,00 opgenomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Moll hier geen verklaring voor kunnen geven.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande niet aannemelijk dat [eiseres] volgens de door partijen gesloten overeenkomst een (afzonderlijke) vergoeding voor de bpm aan [gedaagde] (dan wel de Belastingdienst) verschuldigd is. Dit leidt tot het oordeel dat [gedaagde] niet gerechtigd is om de kentekenpapieren en reservesleutel achter te houden totdat [eiseres] het bpm-bedrag van € 38.827,00 (zie 2.5.) heeft betaald.
4.5.
[gedaagde] betoogt dat zij de kentekenpapieren en reservesleutel niet aan [eiseres] hoeft af te geven omdat [eiseres] de Rolls Royce niet aan haar heeft geleverd. Maar [gedaagde] heeft inmiddels laten weten geen prijs meer te stellen op de Rolls Royce. Daarnaast verzet een afweging van de belangen zich tegen het achterhouden van de kentekenpapieren en reservesleutel. [eiseres] heeft immers een groot belang bij toewijzing van haar vordering, omdat zij de Portofino niet mag laten rijden zolang zij niet over de kentekenpapieren en reservesleutel beschikt. Als gevolg daarvan loopt zij voortdurend omzet mis. Het belang van [gedaagde] bij afwijzing van de vordering is louter gelegen in de betaling van een bedrag aan bpm. Door de voorzieningenrechter is niet vast te stellen of er een juridische grond is om [eiseres] voor die betaling van bpm aan de Belastingdienst verantwoordelijk te houden omdat de Rolls Royce niet aan [gedaagde] is geleverd, zoals [gedaagde] meent. Dat dient aan de bodemrechter te worden voorgelegd.
4.6.
Het vorenstaande leidt ertoe dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de kentekenpapieren en reservesleutel binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] af te geven. Als prikkel tot nakoming wordt aan die veroordeling een dwangsom verbonden, die wordt beperkt en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.
4.7.
Omdat beide partijen inhoudelijk op bepaalde punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de originele kentekenpapieren en reservesleutel van de Ferrari Portofino M (facelift) aan [eiseres] af te geven, onder oplegging van een dwangsom van € 200,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 20.000,00,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
[2971/638]