Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[eiser 1],2. [eiser 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de dagvaarding van 12 december 2025, met bijlagen 1 tot en met 10;
- de bijlagen 1 tot en met 17 van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling op 16 januari 2026;
- de pleitnota van mr. Noordermeer-van der Heide.
3.De beoordeling
Met dit contract komen de eerder afgegeven contracten te vervallen. Verhuurder heeft op verzoek van huurder eerder 2 separate contracten gemaakt voor de 1e en 2e verdieping van [adres]. Maar de feitelijke verhuring is [adres] in zijn geheel.”. Dit lijkt erop te wijzen dat de eerste en de tweede verdieping sinds eind 2023 in zijn geheel aan [gedaagde] en haar moeder (en haar broertje) zijn verhuurd, zoals [gedaagde] stelt. Het kan in ieder geval niet worden uitgesloten dat de kantonrechter in een bodemprocedure tot het oordeel komt dat de huurovereenkomst onder a) de geldende huurovereenkomst is ten aanzien van (de eerste verdieping en) de tweede verdieping. Het gevolg van dit oordeel zou naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn dat [gedaagde] en haar moeder de eerste verdieping én de tweede verdieping op dit moment voor onbepaalde tijd van [eisers] huren. [gedaagde] en haar moeder huurden de eerste verdieping vóór eind 2023 immers al voor onbepaalde tijd, zo staat tussen partijen niet ter discussie, en het gehuurde waarop die huurovereenkomst voor onbepaalde tijd betrekking heeft is eind 2023 in feite uitgebreid met de tweede verdieping. Splitsing van de huurovereenkomst onder a) in een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd ten aanzien van de eerste verdieping en een huurovereenkomst voor bepaalde tijd ten aanzien van de tweede verdieping ligt niet voor de hand en verhoudt zich bovendien niet met de dwingendrechtelijke regels omtrent huurbescherming.
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
4.De beslissing
3349 / 1980