Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5697

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/3777
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WvwArt. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 3:46 AwbArt. 5.78a Bkl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verkeersbesluit wegens ondeugdelijke motivering geluidstoename, rechtsgevolgen in stand gelaten

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam nam een verkeersbesluit ter ontsluiting van het Rotterdamse Onderwijs- en Revalidatiecentrum (ROeR), waarbij onder meer een rij-lus werd verwijderd en tweerichtingsverkeer werd ingesteld op de Berberisweg. Eiser betoogde dat het verkeersbesluit onnodig was en dat het geluid door het verkeer zou toenemen, zonder dat een deugdelijk akoestisch onderzoek was verricht.

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat het verkeersbesluit niet zou leiden tot een geluidstoename van meer dan 1,5 dB, zoals vereist op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierdoor was het besluit ondeugdelijk gemotiveerd en diende het te worden vernietigd. Echter, de rechtbank liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het toepassingsbereik van de geluidsnormen in het Bkl was gewijzigd en de verkeersintensiteit op de Berberisweg niet boven de nieuwe drempel van 2.500 motorvoertuigen per etmaal uitkomt.

De rechtbank concludeerde dat het college het verkeersbesluit in redelijkheid kon nemen, mede omdat het sluipverkeer wordt tegengegaan en de verkeersveiligheid wordt bevorderd. Ook oordeelde de rechtbank dat de parkeerproblematiek niet onevenredig was en dat handhaving van sluipverkeer een aparte kwestie is. Het college moet het griffierecht aan eiser vergoeden.

De uitspraak bevestigt dat bestuursorganen hun motiveringsplicht strikt moeten naleven, maar dat gewijzigde wetgeving en feitelijke omstandigheden kunnen leiden tot handhaving van de rechtsgevolgen ondanks vernietiging van het besluit.

Uitkomst: Het verkeersbesluit is vernietigd wegens ondeugdelijke motivering over geluidstoename, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege gewijzigde wetgeving en feitelijke omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3777

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college,
(gemachtigde: mr. M.A.C. Kooij).

Inleiding

1. Met het besluit van 5 september 2024 (het primaire besluit) heeft het college een verkeersbesluit genomen. Eiser heeft hiertegen, samen met anderen, bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiser tegen het verkeersbesluit onder verwijzing naar het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard onder toevoeging van de realisatie van een voetgangersoversteekplaats.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daarna nog nadere stukken ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het besluit

2. Aan de Hazelaarweg te Rotterdam is het onderwijs- en revalidatiecentrum Rotterdamse Onderwijs- en Revalidatiecentrum (het ROeR) gerealiseerd. In het ROeR, dat is gericht op kinderen en jongeren tot 18 jaar met een beperking, zijn de Mytylschool De Brug, de Tyltylschoon en Rijndam Revalidatie gevestigd. De leerlingen van deze scholen zijn afkomstig uit verschillende plaatsen in de provincie Zuid-Holland. Veel van deze leerlingen zijn afhankelijk van speciaal taxivervoer. Omdat dit taxivervoer voor een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen in de wijk rondom het ROeR zorgt, heeft het college onderzoek gedaan naar mogelijke verkeersoplossingen en ontsluitingen van het ROeR.
2.1.
Met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft het college diverse verkeersmaatregelen genomen op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw). Het verkeersbesluit omvat onder meer een wijziging van de Hazelaarweg, tussen de Berberisweg/Hazelaarweg en de voetbalclub, door middel van het realiseren van een rijbaan tot aan het voorplein van het nieuwe ROeR. Daarnaast wordt de rijbaan van het zuidelijke gedeelte van de Hazelaarweg en het oostelijke gedeelte van de Berberisweg (rij-lus rondom de vijver) voor gemotoriseerd verkeer opgeheven. In de Berberisweg, voorlangs de Schiebroekse Parkflat, wordt tweerichtingsverkeer ingesteld. Om autoverkeer in beide richtingen te faciliteren wordt dit wegvak breder gemaakt en wordt het eenrichtingsverkeer ingetrokken. Met deze maatregelen wordt volgens het college ervoor gezorgd dat bestemmingsverkeer van en naar het ROeR niet door de aangrenzende wijk rijdt. Het college heeft daarbij toegelicht dat de rij-lus rondom de vijver wordt verwijderd om een duidelijke fysieke scheiding te kunnen maken tussen het bestemmingsverkeer van het ROeR en het bestemmingsverkeer in de rest van de wijk. Op deze manier zal de wijk zo min mogelijk hinder ervaren van de toenemende verkeersbewegingen als gevolg van het bestemmingsverkeer van het ROeR. Om de Berberisweg richting het bedrijventerrein voor autoverkeer vanaf de Kastanjesingel en Abeelweg bereikbaar te houden, wordt in de Berberisweg voor de Schiebroekse Parkflat tweerichtingsverkeer ingesteld.

Beroep van eiser

3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat het niet noodzakelijk is om de rij-lus om de vijver te verwijderen. Volgens eiser zal de verkeersintensiteit met de realisatie van het ROeR nauwelijks wijzigen en een eenrichtingsbaan om de vijver kan het sluipverkeer door ouders van kinderen van het ROeR afdoende faciliteren. Dit sluipverkeer zal bovendien alleen plaatsvinden in de ochtend en in de middag, zodat de overlast voor de wijk zeer beperkt zal zijn. Volgens eiser kan de rij-lus om de vijver open blijven voor eenrichtingsverkeer.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid het verkeersbesluit heeft kunnen nemen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
4.1.
Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen, genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw. Het college dient dit naar behoren te motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is, gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of (de uitkomst van) de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb).
De noodzaak van het verkeersbesluit
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college de absolute noodzaak van een verkeersbesluit niet hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2 van Pro de Wvw worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke manier die belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Aan het verkeersbesluit liggen de belangen van het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers en passagiers en het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer ten grondslag. Het college heeft deze belangen afgewogen, mede in het licht van het door eiser aangedragen alternatief van het in stand laten van de rij-lus om de vijver. Het college heeft in redelijkheid tot deze afweging kunnen komen. Daarbij heeft het college van belang kunnen achten dat met de genomen verkeersmaatregelen het ROeR bereikbaar is terwijl tegelijkertijd verkeersoverlast in de woonomgeving door de toenemende verkeersbewegingen wordt voorkomen door de verkeersstromen geheel te scheiden. Daarmee wordt sluipverkeer zoveel mogelijk tegengegaan. Door een openstelling van de rij-lus, zoals door eiser bepleit, zal het aantrekkelijker zijn om via de Abeelweg of de Berberisweg aan te rijden, waardoor sluipverkeer juist wordt gefaciliteerd. Daarnaast heeft het college van betekenis kunnen achten dat bij het in stand laten van de rij-lus fietsers en voetgangers een aantal extra keren een weg moeten kruizen, hetgeen de verkeersveiligheid niet ten goede komt. Bij het verwijderen van de rij-lus is dat niet het geval. Gelet op het vorenstaande heeft het college het verkeersbesluit kunnen nemen.
Parkeerplaatsen
5. Met betrekking tot de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voert eiser onder meer aan dat door het verwijderen van de rij-lus parkeerplaatsen zullen verdwijnen. Daarbij komt dat het ROeR inmiddels in bedrijf is. Hierdoor ontstaat dagelijks zoekverkeer in de wijk door personeel en bezoekers van het ROeR die hun voertuigen tegen de in de omgevingsvergunning neergelegde afspraken in, in de directe omgeving van de wijk parkeren.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. Voor zover eiser erop wijst dat bezoekers en personeel van het ROeR in strijd met de omgevingsvergunning in de wijk parkeren, wijst de rechtbank erop dat dit niet het gevolg is van het verkeersbesluit zelf, maar het gevolg is van de omgevingsvergunning. Dat besluit ligt hier niet voor. Met het opheffen van de rij-lus zijn weliswaar parkeerplaatsen verloren gegaan, maar hierin is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college van het verkeersbesluit had moeten afzien. Uit parkeertellingen uit 2023 is immers gebleken dat dit opgevangen kan worden binnen de beschikbare ruimte in de wijk. Eiser, die overigens beschikt over een eigen parkeerplek onder de Schiebroekse Parkflat, heeft deze tellingen op zichzelf niet bestreden, maar wijst er in beroep op dat parkeeroverlast wordt ervaren. Het college heeft dit ook erkend, maar heeft erop gewezen dat deze overlast slechts tijdelijk is vanwege rioolwerkzaamheden in de wijk. De huidige parkeersituatie is niet representatief. Bovendien gold ten tijde van de parkeertelling nog een parkeerverbod op de Abeelweg. Dit verbod is inmiddels opgeheven en er kan weer geparkeerd worden aan de Abeelweg. Dit leidt tot meer parkeercapaciteit. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van het verkeersbesluit in zoverre niet onevenredig zijn.
Sluipverkeer
6. Dat na realisatie van het ROeR is gebleken dat weggebruikers vanuit de verlengde Hazelaarweg illegaal de doorsteek maken naar de Abeelweg of Berberisweg en dat het verwijderen van de rij-lus volgens eiser geen effect heeft gehad om het sluipverkeer onmogelijk te maken, maakt niet dat het college het verkeersbesluit niet heeft kunnen nemen. Zoals het college ter zitting ook heeft aangegeven is dit een kwestie van handhaving en heeft het college ook actief maatregelen genomen door het laten plaatsen van boomstammen en het aanleggen van een haag die dit sluipverkeer zoveel mogelijk dient te voorkomen. Ook wordt de calamiteitenroute met afsluitpaaltjes afgesloten die de doorsteek voor niet calamiteitenvoertuigen onmogelijk maken.
Geluidshinder
7. Eiser voert aan dat als gevolg van het instellen van tweerichtingsverkeer op de Berberisweg, direct voor de Schiebroekse Parkflat, de verkeersintensiteit zal toenemen waardoor meer geluidshinder zal ontstaan op de Schiebroekse Parkflat. Volgens eiser heeft het college voorafgaand aan de wijziging aan de rijbaan van de Berberisweg, van eenrichting- naar tweerichtingsverkeer, geen representatief onderzoek gedaan naar de gevolgen van verkeerstoename ten aanzien van verkeersgeluid voor de leefomgeving. De namens het college verrichte verkeersonderzoeken geven geen compleet beeld van de verkeersintensiteit op het weggedeelte van de Berberisweg voorlangs de Schiebroekse Parkflat. Het college erkent volgens eiser dat de hoeveelheid verkeer die op een kleinere afstand langs de flat passeert, zal toenemen, maar legt aan de conclusie dat de kans op ernstige geluidshinder zeer klein is geen deugdelijke en feitelijke onderbouwing ten grondslag. Daarmee gaat het college er volgens eiser aan voorbij dat onder meer op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onderzocht dient te worden wat de gevolgen van het verkeerstoename zijn voor de leefomgeving en dat bij een toename van verkeersgeluid van meer dan 1,5 dB passende maatregelen genomen dienen te worden. In het Bkl zijn regels gesteld voor geluid van gemeentewegen door verkeer op verharde gemeentewegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal (mv/e). Daarbij wijst eiser erop dat de standaardwaarde geluid voor de flat op grond van tabel 3.34 en 3.35 van het Bkl is gesteld op 53 Lden (Level day-evening-night in dB) en de grenswaarde op 70 Lden, terwijl het werkelijke geluid op de Schiebroekse Parkflat volgens de Geluidsbelastingkaart Rotterdam 2022 64,2 dB bedraagt, wat aangeeft dat de geluidsbelasting van de flat al behoorlijk hoog is.
7.1.
Indien een verkeersbesluit leidt tot een toename van het geluid door een gemeenteweg met meer dan 1,5 dB, zijn op grond van artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) de artikelen 5.78a, 5.78i, 5.78m, tweede en derde lid, 5.78n en 5.78o van het Bkl van toepassing. Op grond van artikel 5.78m, tweede lid, van het Bkl moet bij een wijziging in de verkeersafwikkeling van een gemeenteweg worden beoordeeld of de geluidsproductie voldoet aan de in dat lid opgenomen grenswaarden. Deze normen zijn ingevolge artikel 5.78i, eerste lid onder a, van het Bkl, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, van toepassing op het geluid door verharde gemeentewegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 mv/e als kalenderjaargemiddelde.
7.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Berberisweg een verharde gemeenteweg is met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 mv/e als jaargemiddelde. Daarmee viel de Berberisweg ten tijde van het nemen van het bestreden besluit binnen het toepassingsbereik van de normen die in het Bkl gesteld worden voor geluid vanaf gemeentewegen.
7.3.
In dit geval heeft het college geen akoestisch onderzoek verricht, omdat het zich op het standpunt stelt dat het verkeersbesluit niet leidt tot meer verkeersintensiteit. Het college heeft echter ook erkend dat het verkeer door het verkeersbesluit in twee rijrichtingen direct voor de flat langs zal komen te rijden, waar dat voor het nemen van het besluit slechts in één richting gebeurde. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ontegenzeggelijk sprake van een wijziging in de verkeersafwikkeling direct voor de flat langs waarvan op voorhand niet kan worden uitgesloten dat dit leidt tot meer geluid in de flat. Het college heeft vervolgens geen akoestisch onderzoek gedaan naar de toename van geluid. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat het verkeer nu alleen dichter voor de flat langsrijdt en geluid nou eenmaal ver draagt, is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat het verkeersbesluit niet leidt tot een toename van het geluid met meer dan 1,5 dB. Dit betekent dat het college zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het verkeersbesluit niet leidt tot een toename van het geluid met meer dan 1,5 dB en daarmee niet kenbaar heeft beoordeeld of de geluidsproductie van de Berberisweg in de nieuwe situatie voldoet aan de grenswaarden in het Bkl. Dit is met name van belang omdat eiser er onweersproken op heeft gewezen dat de geluidsbelasting van de flat al hoger ligt dan de in tabel 3.34 van het Bkl opgenomen standaardwaarde, zodat het geluid op de flat als gevolg van het verkeersbesluit op grond van artikel 5.78m, tweede lid, onder b, van het Bkl niet verder mag toenemen. Het college heeft daardoor niet alle relevante feiten en omstandigheden op een juiste en kenbare wijze bij de besluitvorming betrokken.
7.4.
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens schending van artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Awb.
8. De rechtbank zal beoordelen of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank zal daarbij van de op het moment van het sluiten van het onderzoek geldende feiten en omstandigheden en het dan geldende recht uit gaan (ex-nunc). De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
8.1.
In het verweerschrift heeft het college erop gewezen dat artikel 5.78i, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bkl inmiddels is gewijzigd en dat het toepassingsbereik van de geluidsnormen genoemd in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl is gewijzigd. Deze zijn thans van toepassing op geluid door verharde gemeentewegen met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 mv/e als kalenderjaargemiddelde. Uit de Nota van Toelichting bij de wijziging van de Bkl [1] blijkt namelijk dat is gebleken dat de geluidsemissie bij wegen met een maximumsnelheid lager dan 70 km/u in de meeste gevallen lager is dan waarvan eerder werd uitgegaan zodat bij een verkeersintensiteit van 2.500 mv/e een gelijkwaardige bescherming voor omwonenden kan worden geboden als bij een intensiteit van 1.000 mv/e.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich in het verweerschrift terecht op het standpunt dat de Berberisweg na de wijziging van artikel 5.78i, van het Bkl buiten het toepassingsbereik valt van de normen die in het Bkl gesteld worden voor geluid vanaf gemeentewegen, omdat de verkeersintensiteit op de Berberisweg niet meer is dan 2.500 mv/e. Anders dan eiser betoogt geven de twee namens het college verrichte verkeerstellingen op de Berberisweg een representatief beeld van het te verwachten verkeer direct voor de flat langs. Het verkeer dat bij de telling op de Berberisweg langs het Schiebroeksepark is geteld (1117 mv/e), gaat in de nieuwe situatie immers altijd voor de flat langs. Het verkeer dat bij de tweede telling is waargenomen (1.250 mv/e) kan de wijk ook in tegengestelde richting uitrijden en gaat dus niet noodzakelijkerwijs voor de flat langs de wijk uit, terwijl verkeer niet ook nog op andere wijze voor de flat langs kan komen. Daarmee kan worden vastgesteld dat de verkeersintensiteit niet boven de 2.500 mv/e uit zal komen en dat de geluidsnormen uit het Bkl niet van toepassing zijn op het verkeersbesluit. Gelet hierop hoeft het college niet langer te onderzoeken of de door de wijziging van de verkeersafwikkeling van de Berberisweg mogelijk verhoogde geluidsproductie voldoet aan de in het Bkl opgenomen grenswaarden voor geluid. Nu de normen uit het Bkl hoe dan ook niet van toepassing zijn op het verkeersbesluit, bestaat voor het college ook niet langer de verplichting om na te gaan of het verkeersbesluit leidt tot een toename van geluid met meer dan 1,5 dB als bedoeld in artikel 21a van het BABW. Wel dient het college de eventuele nadelige gevolgen die het verkeersbesluit heeft voor het omgevingsgeluid af te wegen.
8.3.
Het college heeft ten aanzien van het verkeersgeluid van belang kunnen achten dat het verkeersbesluit niet zal leiden tot een toename van de verkeersintensiteit. De weg blijft bedoeld voor bestemmingsverkeer, alleen zal het verkeer op een andere wijze om de vijver voor de Schiebroekse Parkflat langsrijden. Daarbij heeft het college nog kunnen betrekken dat het verkeersaanbod van bouwverkeer na afronding van de bouw van het ROeR verdwenen is en dat met de ingebruikname van de verlengde Hazelaarweg het bestemmingsverkeer voor het ROeR volledig gescheiden is van het wijkverkeer, zodat zelfs een daling wordt verwacht van de verkeersintensiteit. Op grond hiervan heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat er als gevolg van het verkeersbesluit geen significante verandering in het geluidsniveau te verwachten valt.
8.4.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in het licht van de huidige feiten en omstandigheden en het thans geldende recht het college niet langer gehouden was te beoordelen of met het verkeersbesluit wordt voldaan aan de geluidsnormen uit het Bkl. Gelet op de toelichting van het college in het verweerschrift ten aanzien van de gevolgen van het verkeersbesluit voor het omgevingsgeluid, is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn. Daarmee ligt aan het verkeersbesluit alsnog een deugdelijke motivering ten grondslag. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het college in het bestreden besluit onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van verkeerstoename ten aanzien van verkeersgeluid voor de leefomgeving. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit in zoverre. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 maart 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Staatsblad 2025, 242.