De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiseres tegen een boete van €1.500,- opgelegd door de minister van Landbouw wegens het vervoeren van een kreupel varken. De boete was gebaseerd op een rapport van de NVWA waarin werd vastgesteld dat het varken op het slachthuis pijn had en kreupel liep. De toezichthouder concludeerde dat de kreupelheid en pijn al minimaal vier dagen voor het transport aanwezig waren.
Eiseres betwistte dat het varken voorafgaand aan het transport kreupel en pijnlijk was en stelde dat het dier hersteld was van een eerdere aandoening. De door haar ingeschakelde dierenarts bevestigde dat er sprake was van een oude ontsteking met vergroeiing, maar dat het varken zonder pijn kon lopen en dat de acute kreupelheid mogelijk tijdens of na het transport was ontstaan.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij het bestuursorgaan lag en dat het rapport van de toezichthouder normaal gesproken voldoende bewijs vormt. Echter, gelet op de betwisting en de deskundigenverklaringen kon niet met redelijke twijfel worden vastgesteld dat het varken voorafgaand aan het transport kreupel en pijnlijk was. Daarom was de boete onrechtmatig opgelegd.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalde dat de boete vervalt. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiseres, waarbij de kosten voor de dierenarts en reiskosten werden vastgesteld.