Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5624

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/3734
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet private schuld overnemen op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht de minister van Financiën om overname van een schuld van € 12.911,25 aan Klussenbedrijf Vedo. De minister wees dit verzoek af omdat de schuldeiser niet had gereageerd en vanwege vermeende inconsistenties in de documenten.

De rechtbank stelde vast dat eiseres aannemelijk had gemaakt dat de schuld bestond en opeisbaar was voor 1 juni 2021. De door de minister aangevoerde inconsistenties waren van ondergeschikte aard en konden niet aan eiseres worden tegengeworpen. Ook was de minister tekortgeschoten in het doen van onderzoek naar de schuldeiser.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister de schuld moet overnemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister de private schuld van eiseres moet overnemen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3734

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en

de minister van Financiën

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om een private schuld van eiseres over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het met die weigering niet eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat de schuld van eiseres niet voor overname in aanmerking komt. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 12 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres om overname van een geldschuld afgewezen op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 8 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 juli 2024 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft aanvullende stukken overgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 10 april 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft een aanvraag ingediend om overname van een schuld van € 12.911,25 aan Klussenbedrijf Vedo. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat de schuldeiser niet had gereageerd. Met het bestreden besluit is de minister bij die afwijzing gebleven, omdat pas na 1 juni 2021 een betalingsherinnering is verstuurd en vanwege inconsistenties in de aangeleverde documenten.
4. Eiseres betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. De schuld voldoet aan de vereisten voor overname ervan. Eiseres heeft voor zover zij dat kan een verklaring gegeven voor de vermeende inconsistenties. De minister heeft nagelaten onderzoek te doen naar de door eiseres geschetste context. Eventuele gebreken in de documenten van de schuldeiser kunnen niet aan eiseres worden tegengeworpen. De minister heeft de aanvraag te star beoordeeld, terwijl een actieve, meedenkende houding mag worden verwacht.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen. De minister betwijfelt of de werkzaamheden zijn uitgevoerd. De overgelegde facturen en herinneringen bevatten afwijkende gegevens wat betreft de adressering, omschrijving van de werkzaamheden en de contactgegevens van de schuldeiser. Het administratiekantoor dat op 14 januari 2020 een betalingsherinnering zou hebben gestuurd, is volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) pas na die datum opgericht. De betalingsherinnering voldoet bovendien niet aan de vereisten die aan een dergelijke brief worden gesteld.
6. De minister neemt op aanvraag een geldschuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [1]
7. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
7.1.
Ter onderbouwing van het bestaan van de schuld heeft eiseres een factuur overgelegd van 27 december 2019, een herinnering van 30 juni 2021 en een betalingsherinnering van 14 januari 2020. Van de factuur van 27 december 2019 bevat het dossier twee versies. In de eerste versie van de factuur van 27 december 2019 staat “aangenomen werkzaamheden week 51” en is de adressering “ [adres 1] ”. In de tweede versie staat “aangenomen werkzaamheden week 13” en is de adressering “ [adres 2] ”. Voor het overige (overgrote) deel, inclusief de omschrijving van de werkzaamheden en het verschuldigde bedrag, zijn de versies identiek. In de twee versies van de factuur van 27 december 2019 staat “Project: [adres 3] ”, is het telefoonnummer van de schuldeiser “ [telefoonnummer 1] ” en zijn postcode “ [postcode 1] ”, terwijl in de herinnering van 30 juni 2021 staat “Project: [adres 2] ”, het telefoonnummer “ [telefoonnummer 2] ” is en de postcode “ [postcode 2] ”. Voor het overige (overgrote) deel, inclusief de omschrijving van de werkzaamheden en het verschuldigde bedrag, komen de gegevens van de twee versies van de factuur van 27 december 2019, de herinnering van 30 juni 2021 en de betalingsherinnering van 14 januari 2020 overeen.
7.2.
De betalingsherinnering van 14 januari 2020 is ondertekend door Tax Consultants & Advies B.V. (Tax Consultants & Advies). Uit het handelsregister blijkt dat deze vennootschap is opgericht op 20 juli 2020. Volgens eiseres is Tax Consultants & Advies de opvolger van Tax Consultants B.V. (Tax Consultants) en verzorgt het de administratie van Klussenbedrijf Vedo. Uit het handelsregister blijkt dat Tax Consultants op 19 maart 2020 is ontbonden. Voor beide vennootschappen staat hetzelfde e-mailadres geregistreerd. Eiseres heeft verklaard dat zij de facturen en betalingsherinneringen heeft ontvangen via Tax Consultants & Advies.
7.3.
De minister heeft geen onderzoek gedaan naar het bestaan van de schuldeiser. De rechtbank heeft op de zitting ambtshalve aan de orde gesteld [2] dat uit het openbare deel van het handelsregister blijkt dat Klussenbedrijf Vedo, een eenmanszaak, stond ingeschreven met een KvK-nummer en adres dat overeenkomt met de gegevens uit de documenten die eiseres heeft overgelegd. Onder hetzelfde KvK-nummer is inmiddels ingeschreven Vedo Klusbedrijf, eveneens een eenmanszaak.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestaan van de schuld aannemelijk. Uit de door eiseres overgelegde documenten, die zij heeft verkregen van Tax Consultants & Advies, blijkt dat zij € 12.911,25 verschuldigd is aan Klussenbedrijf Vedo voor het leggen van een laminaatvloer, vervanging van de schuur en reparatie van het dak. Klussenbedrijf Vedo is een eenmanszaak waarvan de gegevens overeenkomen met de door eiseres verstrekte documenten. De door de minister geïdentificeerde inconsistenties in de door eiseres overgelegde documenten zijn van een dermate ondergeschikte aard, dat zij geen afbreuk doen aan de conclusie dat het aannemelijk is dat de schuld bestaat. Dat geldt ook voor de informatie uit het handelsregister over de oprichtingsdatum van Tax Consultants & Advies. Voor zover de minister aan eiseres tegenwerpt dat de facturen en de herinnering zijn gericht aan “ [naam 3] ” en de betalingsherinnering aan “ [naam 3] ”, geldt dat eiseres daar al tijdens de hoorzitting in bezwaar een verklaring voor heeft gegeven. Haar getrouwde naam is [naam 3] , zoals ook blijkt uit het door eiseres overgelegde identiteitsbewijs, en haar roepnaam is [naam 3] . De rechtbank heeft gelet op de vastgestelde feiten geen reden te twijfelen aan de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is het ook aannemelijk dat de schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021. Op de factuur van 27 december 2019 staat “Gaarne binnen 14 dagen overmaken”. Daarmee was de vordering in ieder geval vanaf 11 januari 2020 opeisbaar. Voor de opeisbaarheid van een vordering is niet vereist dat de schuldeiser een betalingsherinnering verstuurt. Het betoog van de minister over de vermeende eisen die aan een dergelijke herinnering moeten worden gesteld, wat daar ook verder van zij, kan reeds daarom niet slagen.
10. Uit het dossier blijkt niet dat de schuld was voldaan op het moment waarop de aanvraag om overname werd gedaan. Gelet op het voorgaande is daarmee voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiseres ten onrechte heeft afgewezen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de minister de geldschuld van eiseres aan Klussenbedrijf Vedo moet overnemen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 4.1 van de Wht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak op de wijze zoals hiervoor vermeld. [3]
12. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.162,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het besluit van 12 juli 2024;
  • bepaalt dat de minister de geldschuld van eiseres aan Klussenbedrijf Vedo moet overnemen tot een bedrag van € 12.911,25;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.162,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 8:69, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.